|
Acacialaan Markus Stripmaker Markus (1967) timmert de laatste tijd flink aan de weg. Niet alleen leverde hij begin dit jaar een opvallende bijdrage aan de prestigieuze stripbundel Comix 2000, ook maakt hij inmiddels wekelijks cartoons voor de VPRO-gids en de strip De jonge onderzoeker voor de Provinciale Zeeuwse Courant. Wat kenmerkt het werk van dit aanstormend Middelburgs talent? "Het gaat altijd over mensen die iets heel kleins tot in het absurde toe doordrijven. In mijn werk duiken bijvoorbeeld vaak wetenschappers op, die ergens zo in opgaan dat het heel onwerkelijk wordt. Vrijwel al mijn personages zijn geobsedeerd door iets. Eigenlijk zie ik mezelf als een conceptuele striptekenaar. De vraag hoe je strips kunt maken, houdt me meer bezig dan het verhaal. Daarbij vind ik het wel belangrijk dat het speels blijft, niet te zwaar en pretentieus. Er moet lucht in zitten. De jonge onderzoeker is voor een krantenlezend publiek, daar doe ik meer concessies. Maar verder heb ik liever dat enkele mensen mijn werk heel goed lezen en waarderen dan dat iedereen het half leest en het wegwerpt." Hoe ben je ertoe gekomen strips te gaan maken? "Eerst heb ik de lerarenopleiding tekenen gedaan en de vervolgacademie schilderen. Daarna de lerarenopleiding Nederlands, maar die heb ik niet afgemaakt. Tot eind '96 schilderde ik en schreef ik romans en gedichten. Toen kwam het moment waarop ik besefte dat ik dit niet mijn hele leven wilde doen en ik me afvroeg wat ik nu eigenlijk het leukste vond. Dat bleek het tekenen te zijn. Maar pas na het zien van een documentaire over Crumb, begon ik aan strips te denken. Toen zag ik dat je met strips veel meer kunt doen dan alleen grapjes vertellen, bijvoorbeeld ook autobiografische dingen vertellen of experimenteren. Via Crumb ontdekte ik andere undergroundstrips. Toen ben ik net zo verwoed strips gaan tekenen als ik schilderde en schreef. Alles wat bij schilderen en schrijven niet lukte, bleek daar opeens op een natuurlijke wijze samen te komen. Vanaf dat moment ging alles snel, ook de publicaties." Hoe ben je in Comix 2000 terechtgekomen? "Vlerk van het stripblad Gr'nn stuurde me er een briefje over. Het leek hem ook wel iets voor mij. Toen heb ik er speciaal een strip voor gemaakt. Het sprak me erg aan dat Comix 2000-uitgever L'Association de Franse schrijversgroep OuLiPo als belangrijke inspirator voor de bundel noemde. De OuLiPo-schrijvers stellen zich ten doel allerlei speelse vormexperimenten uit te voeren. Zij vinden dat de traditionele roman tezeer alle richtingen kan opgaan. Liever leggen zij zichzelf beperkingen op waaraan hun romans moeten voldoen (vermaard is bijvoorbeeld George Perecs roman La disparution, waarin geen enkele e' voorkomt, red.). Je kunt het vergelijken met vaste rijmschema's in de poëzie en maatsoorten in de muziek. Die gedachte inspireert me ook bij mijn strips. Ook ik ga het liefst uit van allerlei absurde concepten en procédés. Zo heb ik uiteindelijk die strip gemaakt in de trant van OuLiPo vanuit de gedachte misschien dat het lukt'." Heb je naast OuLiPo nog andere inspiratiebronnen? "Van die jaren '50-encyclopedieën en -handboeken. Ik lees vrij veel boeken over wetenschappers uit de negentiende eeuw die ontdekkingen proberen te doen. Jules Verne vind ik leuk, net als H.G.Wells. De theatrale standpunten en poses uit die boeken gebruik ik voor mijn strips en voor mijn achtergronden, voor zover ik überhaupt gebruik maak van achtergronden. Daarnaast vind ik Saul Steinberg en Chris Ware fantastisch." Hoe zie je die invloeden terug in je werk? "Mijn ding zit vooral in de beperking. Aanvankelijk tekende ik in Crumb-stijl: veel arceringen, heel vlezig. Maar dat ben ik steeds meer gaan beperken. Zoals gezegd ligt mijn grootste fascinatie niet zozeer bij het verhaal dat verteld wordt, maar bij de vraag hoe je überhaupt kunt vertellen. Dat je voor een leeg vel papier zit, daar een paar tekens op zet en de mensen er dan om moeten lachen of ontroerd raken. Hoe dat werkt, daar gaat het me om. Bijvoorbeeld de ogen van mijn personages: dat zijn stipjes. Zodra je zo'n stipje hoger zet kijkt hij kwaad, als je hem lager zet kijkt-ie verdrietig of nieuwsgierig. Al die tijd blijven het gewoon twee stipjes binnen een cirkeltje." In welke richting zal je stijl zich ontwikkelen, denk je? "Zoals het nu gaat: het zal deze eenvoud behouden. Ik houd erg
van suggestie. Door op papier hier en daar iets neer te zetten, worden
die paar lijnen opeens een kamer. Ik probeer daarbij iets te verzinnen
wat echt strip' is. In mijn ogen zijn de meeste strips prachtig
geïllustreerde storyboards; ze hebben de taal van de film geadopteerd.
Dat heeft prachtige strips opgeleverd, maar ik vind het leuker om iets
te verzinnen wat echt typisch is voor het medium. Bijvoorbeeld dat er
beweging gesuggereerd wordt op een plat vlak; daar liggen nog zoveel
mogelijkheden. In het ideale geval moet je als zo'n strip verfilmd wordt,
na afloop kunnen zeggen: De strip was beter'." |
||