|
|
Parijs
bij gaslicht - Jacques Tardi
Wie Tardi zegt, zegt Parijs. Tardi's stijl heeft zich in de loop
der jaren ontwikkeld tot het perfecte instrument om de burgerlijke gevels
en de potsierlijke monumenten van de Derde Republiek in al hun weerzinwekkende
lelijkheid te portretteren. In zijn nieuwste strip De stem van het volk
gaat hij terug naar de periode waarin dit door hem tegelijk geliefde
en verfoeide Parijs vorm kreeg, en daarmee ook naar de wortels van zijn
eigen stijl. En hij heeft weer volop de gelegenheid dat te doen waar
hij naar eigen zeggen het meest bedreven in is: het tekenen van natte
straatstenen.
Tardi en Pratt
In zijn eerste strips probeerde Tardi aansluiting te vinden bij het
Belgische realisme waarvan Jijé de grondlegger was. Giraud, Jijés
beste leerling, hielp Tardi zelfs nog met diens eerste gepubliceerde
strip Een paard in de winter (1970), maar Tardi was teleurgesteld over
het resultaat. Hij zocht daarom zijn heil elders en kwam terecht bij
het werk van diverse Amerikaanse en Italiaanse tekenaars, van wie Hugo
Pratt de belangrijkste was. Pratt was met dezelfde voorbeelden begonnen
als Jijé: de Amerikaanse strips uit de jaren veertig en dan vooral
die van Milton Caniff. Pratt ontwikkelde zich echter in een totaal andere
richting.
De oorsprong van de kenmerkende stijl van Milton Caniff lag zoals bekend
in zijn samenwerking met Noel Sickles die in de jaren dertig de strip
Scorchy Smith maakte. Sickles veranderde rond 1935 van tekenstijl nadat
hij er achter was gekomen dat het niet nodig was zijn tekeningen in
hun geheel gedetailleerd uit te werken. Wanneer hij de juiste gedeelten
nauwkeurig tekende, kon hij de rest van de tekening op een grovere manier
behandelen. De gedetailleerd uitgewerkte delen gaven de kijker genoeg
informatie om de rest van de tekening in te vullen. Bovendien bleek
deze methode een levensechtere voorstelling op te leveren. Zoals Sickles
zei: ,,In het echt zien de ogen ook geen diagram. Ze zien de vormen
van de schaduwen die de lichtbron veroorzaakt. Met alleen de suggestie
van de vorm wordt het object echter. Dat is wat ik heb geprobeerd met
Scorchy Smith."
Deze methode is geen uitvinding van Sickles. De schilders uit de zestiende
en de zeventiende eeuw zoals Titiaan, Frans Hals, Rembrandt en Velásquez,
deden hetzelfde. Het is echter wel de verdienste van Sickles dat hij
de techniek geschikt heeft gemaakt voor de strip en dat hij daarmee
de expressieve mogelijkheden van de striptekenaar aanmerkelijk heeft
uitgebreid. Pratt voerde het uitgangspunt van Sickles tot in het extreme
door. Meer dan wie ook doet Pratt een beroep op het inlevingsvermogen
van de kijker. In zijn grafisch meest geslaagde werk, zoals La macumba
du gringo (1977), heeft hij aan een paar lijnen en enkele vegen genoeg
om een complete wereld neer te zetten. En dit is ook wat Tardi van Pratt
leerde. Enkele lijnen zijn voldoende om de wantrouwende blik van Isabelle
Avondrood, de ironische glimlach van Morgendauw of de bonkige nuchterheid
van Nestor Burma te herkennen.
Karikatuur en realisme
Paradoxaal genoeg is de karikaturale tekenaar beter dan de realistische
tekenaar in staat emoties uit te beelden. Sterker nog: in een traditionele
realistische stijl is het nauwelijks mogelijk echte emoties te laten
zien. Jijé, die zowel realistisch als karikaturaal werkte, wist
dit als geen ander: ,,Ooit werd de realistische manier van tekenen beschouwd
als het summum van de strip, maar dit is een vergissing. Degene die
een realistische stijl beheerst is een goed vakman, maar meer ook niet.
Wie perfect strips in een karikaturale stijl kan maken, is niet alleen
een vakman, maar ook een kunstenaar. Hugo Pratt bijvoorbeeld maakt op
het eerste gezicht een realistische strip, maar grafisch gezien is het
karikaturaal. Hij houdt zich meer bezig met de weergave van expressies
dan met de uiterlijke vormen."
Het gaat hier niet zozeer om de overdrijving of het extra benadrukken
van de karakteristieke gezichtsuitdrukkingen. Integendeel: de mens is
zo geprogrammeerd dat hij in elke voorstelling die ook maar enigszins
aan een gezicht doet denken, niet alleen een gezicht herkent, maar daar
ook een gevoelswaarde aan geeft. Zoals de kijker in Sickles' schaduwen
herkenbare objecten projecteert, zo ziet hij in de enkele lijntjes die
een gezicht weergeven een expressie en een karakter. Dit effect werd
al in 1845 uitgebreid beschreven door de strippionier Rodolphe Töpffer;
de kunsthistoricus Ernst Gombrich noemde het daarom de "wet van
Töpffer".
Daarnaast ontdekten negentiende-eeuwse kunstenaars als Daumier, Munch
en Ensor dat een karikatuur niet per definitie humoristisch hoefde te
zijn (deze ontdekking leidde aan het begin van de twintigste eeuw tot
de diverse expressionistische stromingen). En dit zien we ook bij Tardi:
inspecteur Ballin uit Sluiers over de Pont de Tolbiac - de man in wiens
ogen de waanzin blinkt - is duidelijk een tragische figuur. Zijn starende
blik is verwant aan die van de persoon op Munchs beroemde schilderij
De schreeuw. Maar ook een personage als Kornoelje is niet alleen maar
stompzinnig en belachelijk. In zijn vragende ogen is vaak iets van een
aandoenlijke treurigheid te bespeuren, of zelfs wanhoop, die ongetwijfeld
wordt veroorzaakt door zijn nutteloze plichtsbesef.
Eigen oplossingen
Wat de figuren betreft is Tardi altijd schatplichtig gebleven aan Hugo
Pratt, maar op andere gebieden koos Tardi voor zijn eigen oplossingen.
Het belangrijkste verschil met Pratt heeft betrekking op de compositie
en de integratie van de figuren in de decors. Hoewel Pratt een meester
was in het tekenen van kleine bouwwerken in een natuurlijk decor, zoals
hutten en koloniale huizen, was zijn stijl minder geschikt voor stadsgezichten.
Hij kon dan niet altijd een stijlbreuk voorkomen. Zo slaagde hij er
bijvoorbeeld in De engel aan het oostenraam uit 1971 nauwelijks in een
geloofwaardig beeld op te roepen van Venetië, de stad waar hij
was opgegroeid en die hij dus heel goed kende. Op de plaatjes waarin
Corto Maltese zich op het San Marcoplein of voor het Dogenpaleis bevindt,
weet hij de figuren niet overtuigend in de ruimte te plaatsen. Tijdens
het werken aan Vaarwel Morgendauw (1973) en De ijsdemon (1974) vond
Tardi gaandeweg een oplossing voor dit probleem die kort gezegd hierop
neerkomt: de basisvorm van een gebouw is strak getekend (vaak langs
de liniaal) met nadruk op de verticale lijnen, terwijl de detaillering
meer schematisch wordt ingevuld. Op deze manier is Tardi in staat een
sterke compositie te maken zonder zich te verliezen in details. Hij
past dezelfde methode toe als Sickles, maar hij beperkt de schematisering
en daarmee het beroep op het inlevingsvermogen van de kijker tot de
ornamenten van de gebouwen. Dit draagt bij aan het gevoel van echtheid
of "sfeer", zoals dat zo vaak genoemd is. Het is alsof je
over straat loopt: je neemt wel de grote vormen op, maar je gaat voorbij
aan de details.
Dit is meteen een verklaring voor Tardi's voorkeur voor negentiende-eeuwse
decors (en voor zijn afkeer van moderne auto's en andere gestroomlijnde
vormen). Immers, deze werkwijze is bij uitstek geschikt voor de weergave
van de classicistische gebouwen uit deze periode die een strakke, rechthoekige
grondvorm hebben plus een overvloed aan decoraties, zoals balkons op
consoles, zuilen met kapitelen, gebeeldhouwde figuren en allerlei andere
stenen, houten en gietijzeren ornamenten. Tardi zei hier zelf over:
,,Ik moet bekennen dat de huidige tijd me niet erg ligt. Ik zie bijvoorbeeld
niet in wat ik grafisch aanmoet met een koelkast of een fax. Die dingen
hebben geen vorm, zijn uitermate simpel. Er gaat geen bekoring van uit.
Terwijl de auto's van vroeger, de architectuur en zelfs de kleding allerlei
kleine aspecten hebben die amusant zijn."
Stijl en wereldbeeld
Op het eerste gezicht lijkt Tardi's stijl nogal simpel, maar die simpelheid
is bedrieglijk. Het is namelijk moeilijk om het juiste evenwicht te
vinden tussen detaillering en schematisering. Een te schematische tekening
ziet er uit als slordig haastwerk; een te gedetailleerde tekening is
stijf en steriel. Het geniale van Tardi is zijn vermogen om steeds de
juiste toon aan te slaan - en dat is iets wat zijn navolgers vaak missen.
Een verklaring hiervoor is dat de mate van schematisering niet precies
te omschrijven of te leren is. Het is niet meetbaar zoals perspectief
of anatomische proporties. Het is vooral een kwestie van aanvoelen.
En waarom voelt Tardi die stijl zo goed aan? Omdat ze van binnenuit
komt. Omdat het een uitdrukking is van zijn kijk op het leven, die Tardi
al talloze keren heeft verwoord, zoals in het volgende citaat: ,,Ik
herken me in de schilder in Quai des brumes (een film van Marcel Carné
uit 1938, red.) die zegt: Wanneer ik de zee schilder, zie ik drenkelingen;
wanneer ik bomen schilder, zie ik gehangenen.' Ik heb een pessimistische
kijk op de dingen. Achter alles wat de mensen nastreven, achter die
enorme inspanning zie ik maar één ding: mislukking."
De stijl is onlosmakelijk verbonden met de wereld van Tardi en komt
eruit voort. Hierdoor ontstaat een gesloten, samenhangende wereld die
past bij de verhalen. Het is een stijl die voor Tardi zijn natuurlijke
taal is, terwijl de navolgers alleen de uiterlijkheden overnemen.
Estheticisme en versobering
Kenmerkend voor de vroege verhalen van Tardi, zoals De ijsdemon, zijn
de pagina's die zijn vormgegeven als de ramen van classicistische gebouwen
met ovale en halfronde plaatjes. Het mooiste past hij deze techniek
toe in Le trou d'obus (De granaattrechter uit 1984). Elke pagina is
zorgvuldig gecomponeerd met een sober maar effectief kleurgebruik en
vormt een afzonderlijk kunstwerk. De afgeronde hoeken wekken de indruk
dat de plaatjes over elkaar liggen en suggereren een subtiele dieptewerking.
Zo komt op de pagina met het luchtgevecht (plaat 11) het centrale vliegtuig
dat op de lezer afvliegt nog extra naar voren doordat dit plaatje gedeeltelijk
over het onderste lijkt te liggen. En op plaat 6 wordt de dieptewerking
van de tekening met de blik op het niemandsland vanuit de loopgraaf
versterkt door de twee afgeronde plaatjes met close-ups van de soldaten
die het grote plaatje overlappen.
Maar het is kenmerkend voor Tardi dat deze artistieke triomf gemengde
gevoelens bij hem losmaakte. Omdat het er naar zijn smaak te mooi uitzag,
besloot hij in zijn volgende strip over de Eerste Wereldoorlog, zijn
magnum opus De loopgravenoorlog (1993), de vormgeving drastisch te versoberen.
Elke pagina bestaat uit drie even grote plaatjes om niet de aandacht
van de gebeurtenissen af te leiden. Tardi: ,,Wanneer ik de loopgraven
en de gewonde soldaten teken, heb ik geen zin mooie plaatjes te maken.
Dat doet afbreuk aan de vertelling. Wanneer ik mijn personages in de
loopgraven zie, kan ik de geuren ruiken en heb ik het gevoel dat ik
koukleumend met ze meeloop door de modder. Dan wil ik geen estheticisme."
Een andere belangrijke rol bij de versobering van Tardi's stijl speelden
de tekeningen die hij aan het eind van de jaren tachtig bij de teksten
van Céline maakte. In deze tekeningen bereikte Tardi met een
minimaal gebruik van grijsvlakken en lijnen eindelijk dezelfde mate
van stilering als Pratt in de jaren zeventig. Het kon niet anders of
de duizend tekeningen die Tardi voor de boeken van Céline maakte,
hadden ook gevolgen voor de stijl die hij daarna in zijn strips, vanaf
Dodelijke spelletjes, gebruikte. Zijn stijl werd vrijer en losser, en
deze ontwikkeling bereikte zijn voorlopige hoogtepunt met het op comics-formaat
getekende Soldaat Varlot (1999), dat een episode uit het oorlogsverleden
van de hoofdpersoon uit De laatste der laatsten vertelt. Terwijl Tardi
in De loopgravenoorlog veel aandacht besteedde aan de detaillering en
de historische juistheid, ging hij bij Soldaat Varlot instinctiever
te werk. Immers, aangezien hij nu het leven in de loopgraven tot in
de kleinste details in zijn hoofd had zitten, kon hij al zijn creatieve
energie in de uitbeelding van het drama steken. Tardi nam deze ervaringen
mee naar zijn nieuwste strip, De stem van het volk. Voor dit verhaal
deed hij weer veel historisch onderzoek, maar hij wist tegelijkertijd
zijn meer schetsmatige stijl te bewaren.
De Commune
De stem van het volk, dat uit drie delen zal bestaan, speelt tegen de
achtergrond van de Commune van Parijs. Het is een stripbewerking van
de gelijknamige historische detective van de schrijver, scenarist en
filmregisseur Jean Vautrin met wie Tardi al zo'n veertig jaar bevriend
is. Met de Commune wordt de korte periode in het voorjaar van 1871 aangeduid
waarin de bevolking van Parijs in opstand kwam tegen de nationale regering
en een onafhankelijk links-radicaal bestuur koos. Op bevel van president
Adolphe Thiers, die met de regering naar Versailles was gevlucht, maakte
het leger een bloedig einde aan het democratische experiment. Een groot
deel van de strijd werd vlakbij Tardi's huidige atelier gevoerd, dat
zich op een steenworp afstand bevindt van de begraafplaats Père
Lachaise, waar op 28 mei 1871 de laatste gevechten tussen de communards
en de versaillais plaatsvonden.
Tardi liep al lang met het plan rond iets te gaan doen met de Commune,
toen Jean Vautrin hem twee jaar geleden het manuscript van Le cri du
peuple stuurde met het verzoek er een boekomslag voor te tekenen. Hij
zag meteen dat dit het verhaal was waar hij op gewacht had. Wat Tardi
vooral aanstond was, dat Vautrin de historische feiten over de Commune
had ingebed in een detective: ,,Ik wilde niet De geschiedenis
van de Commune in stripvorm' maken, net zomin als ik dat met de Eerste
Wereldoorlog heb gedaan. Dat zou stomvervelend zijn geweest. Je ziet
hetzelfde met de landing van de geallieerden op Omaha Beach. Wil je
de aandacht vasthouden, dan moet je het verhaal beperken tot de lotgevallen
van één regiment, zoals Steven Spielberg in Saving Private
Ryan doet. Je houdt niet een verhandeling over een historisch onderwerp,
maar je vertelt een verhaal over mensen. In De stem van het volk wordt
het pad van de hoofdpersonen gekruist door historische gebeurtenissen
en personen, zonder dat de Commune wordt gereduceerd tot louter decor."
Tardi ziet een duidelijke verbinding tussen De stem van het volk en
zijn vorige boek, De verloedering (2000): ,,De verloedering gaat over
de massale ontslagen in de huidige economie - en dat gaat nog steeds
door. Maar met De stem van het volk ga ik terug in de tijd naar wat
misschien wel de diepere oorsprong van de onrust is. Tijdens de Commune
wilde het volk zelf de zaken in handen nemen en rekenschap vragen aan
de machthebbers." Tardi idealiseert de periode zeker niet, want
de communards hebben ook grote fouten gemaakt. Sommigen waren zo fanatiek
dat ze zelfs het Louvre wilden platbranden. Toch gelooft hij dat de
meeste van hun ideeën nog steeds actueel zijn: ,,De Commune was
een van de zeldzame voorbeelden van directe democratie uit onze geschiedenis,
maar het heeft geen kans gekregen. De leden van de Commune waren arbeiders
en middenstanders; er zat geen beroepspoliticus bij. En momenteel zijn
we weer terug bij af. De versaillais zijn terug! Er is weinig meer nodig
voor we de ideeën van de communards weer kunnen toepassen. Dan
zal het volk weer de macht moeten grijpen, wijk voor wijk, straat voor
straat."
Vautrin praat even gepassioneerd over de Commune van Parijs als Tardi.
Hij noemt de Commune een "bliksemschicht, die een scheur in de
geschiedenis van Frankrijk heeft gemaakt; een fakkel die tweeënhalve
maand gebrand heeft." Met zijn boek wilde hij deze periode, die
in de officiële geschiedschrijving vaak wordt weggemoffeld, weer
tot leven brengen. Hij wil dat de lezer "de barricades verdedigt
met de Nationale Garde en de garibaldisten, dat hij zich samen met de
afvallige generaals laat fusilleren en dat hij beeft bij het horen van
de ongepolijste taal van de pétroleuses."
Terwijl Vautrin de taal gebruikt om de geschiedenis opnieuw tot leven
te wekken, doet Tardi dit met zijn tekeningen. ,,Waar het mij om gaat,
is de geschiedenis te laten zien. Het deed me daarom goed dat scholieren
naar me toekwamen en zeiden dat ze zich na lezing van De loopgravenoorlog
voor de eerste keer een voorstelling konden maken van het dagelijks
leven van de soldaten in de loopgraven. En het ging daar niet om de
Napoleontische oorlogen; het was het begin van de twintigste eeuw!"
Voor het nieuwe verhaal kan Tardi in veel gevallen niet ter plaatse
gaan kijken en foto's nemen, zoals hij gewoonlijk doet. Wijken zoals
Montmartre zijn sindsdien volledig herbouwd. ,,Ik heb me zoveel op foto's
uit die tijd gebaseerd, want ik ben zelf tekenaar en ik weet hoe makkelijk
de werkelijkheid te manipuleren is. Ik ben ook een tijd bezig geweest
met het bestuderen van oude foto's om te weten te komen hoe de communards
hun barricades opwierpen. Deze documentatiezucht gaat misschien ver,
maar ik heb het nodig. Ik zou niet iets kunnen tekenen waar ik me geen
voorstelling van kan maken. Ik zou er niet in geloven en de lezer ook
niet. Ik zal me altijd Art Spiegelman blijven herinneren die in lachen
uitbarstte toen hij De kakkerlakkenkiller zag: dat was echt New York
door de ogen van een Fransman! Met het nieuwe verhaal is het alsof ik
me weer in een bar in de Verenigde Staten bevind. Hoe goed ik ook mijn
best doe, ik vang alleen maar wat flarden van de gesprekken op. Daarom
ga ik toch - ook wanneer het Parijs van de Commune niet meer lijkt op
het Parijs van nu - de straat op. Ik ga aan de toog hangen van een kroeg
in Belleville (buitenwijk van Parijs bij Père Lachaise, red.)
en dan hoor ik hetzelfde argot en dezelfde ruwe grappen als honderd
jaar geleden. Dergelijke expedities geven me, gecombineerd met de informatie
uit kranten en boeken die tijdens en over de Commune zijn verschenen,
het materiaal om de juiste toon aan te kunnen slaan."
Nieuw voor Tardi is het gebruik van het oblongformaat. Hij koos voor
dit formaat omdat de brede, horizontale plaatjes hem de ruimte geven
om de mensen op de barricades en de strijdende groepen tegenover elkaar
te kunnen laten zien. Ook een scène als het neerhalen van de
zuil op de Place Vendôme, vraagt om horizontale plaatjes. Dit
komt ook doordat hij in veel gevallen voor het decor niet genoeg heeft
aan één foto, maar de informatie van verschillende foto's
moet combineren tot panoramische voorstellingen die het volledige straatbeeld
laten zien. De brede plaatjes geven Tardi bovendien alle gelegenheid
om de sfeer van het Parijs van 1871 op te roepen, met zoals gewoonlijk
weer veel donkere luchten en modderige straten. En ook dit is historisch
correct: ,,Het was maart. Het regende destijds - er viel zelfs sneeuw.
En heel Parijs leek wel een bouwput. Dat kwam deels door de Pruisische
oorlog die zojuist was geëindigd, maar meer nog door de bouwactiviteiten
van Haussmann (de prefect van het departement Seine die verantwoordelijk
was voor de sloop van een groot deel van binnenstad en de aanleg van
boulevards en prestigeprojecten zoals het operagebouw uit 1874, red.).
Doordat ik voornamelijk oude zwart-witfoto's als documentatie gebruik,
maakt het Parijs uit deze tijd op mij een extra sombere indruk, een
beetje zoals Piranesi. Dit heeft ook invloed op mijn tekenstijl. De
oude foto's zijn vaak nogal onscherp en er zijn weinig details op waar
te nemen, waardoor ik gedwongen ben breder te werken en niet teveel
aandacht te besteden aan allerlei details die uiteindelijk toch niet
zo belangrijk zijn. Mijn stijl is daardoor vrijer, lyrischer. En het
bevalt me ook wel. Doordat ik nu in zo'n economische stijl werk - bijna
als een schets, heb je als lezer nog meer het gevoel dat je er zelf
bij bent."
Arend Jan van Oudheusden
Bronnen:
Sébastien Homers: Tardi: Les versaillais sont de retour!, in:
L'Humanité, 2 nov. 2002
Jean-Marc Vidal: Tardi: L'épris du peuple, in: BoDoï 45
(okt. 2001)
Didier Rochet: Jean Vautrin: Le cri du peuple et L'huma, un mariage
euphorique, in: L'Humanité 12 mrt. 1999
Rob van Eijck: Noel Sickles: Stichter van de Caniff-school, in: Stripschrift
124, 1979
interviews Tardi, in: L'Humanité, 23 jan. 1998, ZozoLala 72 (dec.
1993), (A Suivre) 97 (feb. 1986)
interview Jijé in Les cahiers de la bande dessinée 39
(1979)
|
|