Milan Hulsing: "Ik heb een voorliefde voor het bizarre"

De strips van Milan Hulsing zijn moeilijk onder één noemer te vangen. Hij bedient zich voortdurend van verschillende tekenstijlen en genres, zoals ook blijkt uit de verhalenbundel Wat Fred niet wist die onlangs verscheen. Hoewel het werk van Hulsing (Amsterdam, 1973) zich niet makkelijk in een hokje laat plaatsen, is er toch een rode lijn te ontdekken: een algehele voorliefde voor pulp en rariteiten.

"Ik ben nauwelijks beïnvloed door andere stripmakers," vertelt hij. "De meeste inspiratie haal ik van buiten het medium. Er zijn wel auteurs wier werk ik bewonder, maar ik prop me helemaal vol met muziek en films. Vooral veel pulp. Ik ben echt een veelvraat. Alles wat er voor mijn voeten komt, neem ik tot me. Ik ben ook een enorme neuroot op dat gebied: dan heb ik zo'n periode waarin ik echt iedere horrorfilm uit de jaren '50 moet zien. Ook al weet ik dat hij abominabel is, dan nog ga ik hem huren of bekijken op een festival. Die invloeden vertaal ik in mijn strips. Hoewel ik in principe elke film zie die in de bioscoop draait, ligt mijn voorliefde toch wel bij het cultcircuit. Ik heb een hekel aan films waarvan iedereen zegt dat je die moet zien. Het is veel leuker je eigen 'geschiedenis van de cinematografie' samen te stellen en niet alleen de traditionele regisseurs Hitchcock, Kubrick en Scorcese te bekijken. Er is in de afgelopen honderd jaar zoveel moois gemaakt. Enorme kaskrakers van lang geleden die iedereen al lang vergeten is, zoals Ilsa, haremkeeper of the oil sheiks. Het is interessanter zelf op onderzoek uit te gaan, dan de bestaande canon tot je te nemen."

Waar komt je voorliefde voor pulp vandaan?

,,Mijn vader was een groot liefhebber van kneukfilms, zoals hij het noemde: knokken en neuken. Mijn mooiste jeugdherinneringen zijn die aan die zaterdagavonden dat ik laat op mocht blijven en samen met mijn vader nagesynchroniseerde Bud Spencer en Terence Hill-films zat te kijken. Ik hou niet zozeer van slecht gemaakt films, als wel van dingen waaraan iets ontbreekt. Bijvoorbeeld omdat de maker iets wilde, maar het geld er niet voor had. Dat geeft het project iets menselijks. Die charme van iets wat uit domheid of onkunde is ontstaan, probeer ik vaak na te bootsen in mijn strips. Dat zie je ook in een deel van de verhalen uit Wat Fred niet wist. Daniel Clowes is er heel goed in. Hij kan een heel integere vertaling maken van pulp, zonder dat het een pastiche wordt. Als ik mijn werk naast dat van hem leg, zie ik dat ik er nog niet ben.''

Is dat ’Clowes-effect’ wat je voor ogen staat als je aan een strip begint?

,,Dat ligt aan mijn bui. Tot nu toe gaat het met mij alle kanten op. De ene dag wil ik een soort pornofilm uit 1973 op papier maken. Maar als Little Annie Fanny opnieuw wordt uitgegeven, wil ik bovenal een geschilderde strip maken. Niemand zit er op te wachten, het is veel te arbeidsintensief om van te leven, maar dan vind ik dat leuk en ga ik dat maken. Zo is de Jetsetters ontstaan, dat in dit boek staat. Ik zat een tijdje in Pakistan waar mijn vriendin toen werkte, en ik had alle tijd en rust om me te bekwamen in het werk met plakkaatverf.''

Waarom wissel je steeds van tekenstijl?

,,Het is niet zo dat ik op zoek ben naar een eigen stijl en daarom nu van alles uitprobeer om ooit de ultieme Milan Hulsing-strip te kunnen maken. Iemand als Michiel de Jong heeft dat wel. Hij tekent al jaren in de zelfde stijl, verfijnt die steeds meer en wordt daar dus ook vreselijk goed in. Ik pas mijn stijl voortdurend aan het scenario aan. Als ik een verhaal in mijn hoofd heb, vormt zich daar vanzelf een plaatje bij. Ik gebruik ook steeds andere technieken. De ene keer zware schaduwvlakken, dan weer meer klare lijn en dan weer full colour.
Ik vind het altijd moeilijk te bepalen of ik een tekening zal opzetten vanuit het contrast licht-donker, of vanuit een lijn. Daarom val ik vaak terug op iets wat daar een beetje tussenin zit: een vette penseelstreek die ook als donker vlak kan werken. Bijvoorbeeld bij de strips die ik onlangs het Amsterdamse popcentrum Paradiso heb gemaakt.''

Je hebt op de kunstacademie gezeten.

,,Ja, aan wat nu de Willem de Kooning Academie heet in Rotterdam. Na te zijn afgewezen voor de Rietveld, kwam ik in Utrecht aan de kunstacademie, maar dat was een nachtmerrie. Mijn broer zat al in Rotterdam en raadde me aan er ook te komen studeren: de illustratieopleiding was er goed en er bestond ruimte om strips te maken. Ik wilde per se striptekenaar worden. Dat gevoel had ik al sinds mijn negende of zo. Toen maakte ik al mijn eigen boekjes. Als ik terugkijk, denk ik dat die tekenfilmserie Inspector Gadget de directe aanleiding was. Mijn eerste strips waren daar op geënt. Later ontdekte ik via een vriend van mijn moeder Is mens lekker van Moebius. Toen wist ik absoluut zeker: dit wil ik later worden. Maar destijds verkeerde ik nog in de veronderstelling dat je er geld mee kon verdienen. Ik vond het interessant te ontdekken dat stripmakers met hun stijl speelden. Wat Moebius deed in Majoor fataal of Franquin die zowel Guust Flater als Zwartkijken maakte: artistieke vrijheid. Ik ben bewust naar de havo gegaan in plaats van het vwo om zo snel mogelijk een grafische opleiding te kunnen volgen. In Rotterdam zat ik in het zelfde jaar als Michiel de Jong, Luuk Bode en Chris Berg. Eerder zaten ook Benno Vranken en Tonio van Vugt op die opleiding.''

Beïnvloedden jullie elkaar?

,,We deelden onze invloeden. Allemaal keken we sterk naar Charles Burns. Dat was in die tijd voor ons allemaal een enorme invloed. We inspireerden elkaar. Met Michiel werkte ik veel samen. We inspireren elkaar zo, dat ons werk soms niet meer uit elkaar te halen is. Dat merk ik aan de reacties op Ode aan Wilhelm, dat we samen hebben gemaakt voor de Pincet-reeks. Hoewel het helemaal door hem getekend is, denken sommigen dat het door mij is gedaan. En het titelverhaal van Wat Fred niet wist heb ik getekend met als opzet het er net zo strak uit te laten zien als zijn werk. Ik probeerde zijn manier van inkten te kopiëre.''

Samen met je broer op de kunstacademie. Kwamen jullie uit een kunstzinnig nest?

,,Van huis uit werden we erg gestimuleerd te doen wat we wilden. Mijn vader was gefrustreerd dat hij zich niet creatief kon uitten, dus alles wat wij wel konden, vond hij geweldig. Hij werkte als publiciteitsmedewerker bij het Nederlands Philharmonisch Orkest. Mijn moeder was artistieker, heeft architectuur gestudeerd. Maar het was vooral mijn opa aan vaders kant die ons als voorbeeld diende. Hij was een typisch geval van twaalf ambachten, dertien ongelukken. Je kunt geen creatief beroep bedenken, of hij heeft het uitgeoefend. Soms ben ik wel eens bang dat ik te veel op hem lijk. Ook ik doe vanalles zonder me in één ding echt te specialiseren. Ik maak strips, animatie, een radioprogramma met Frits Jonker, heb een importhandeltje voor Bollywood-muziek en schrijf over film. Opa zat bij het communistische cabaret, maakte houtsnedes, was filmrecensent, schreef liedjes en was illustrator. Hij heeft wel een leuk leven gehad, maar kreeg nooit ergens erkenning voor. Hij probeerde allerlei disciplines uit. Maar daardoor was hij in alles net niet echt heel erg goed. Dat is een beetje mijn angst. Opa kon zich heel snel iets eigen maken, maar had het dan snel weer gezien. Ik heb dat ook wel. Ik ben zeker geen obsessief tekenaar of zo, ik vind het vaak niet leuk om te doen. Als ik opsta, luister ik liever platen. Ik moet me er af en toe echt toe aanzetten. Maar dat doe ik wel, ik wil mezelf perfectioneren. Ik wil later herinnerd worden als stripmaker.’’

Je wilt liever doorbreken met je strips dan met je tekenfilms?

,,Ja, animatie is voor mij van ondergeschikt belang. Mijn broer maakt tekenfilms en zijn producent, Ruud den Drijver, las mijn strips en stelde mij voor een scenario van hem te animeren. We hebben toen een plan gemaakt voor een animatiefilm en een subsidieaanvraag ingediend. Het wordt een voorfilm voor de bioscoop. Het gaat over een variétéact in de jaren vijftig. Het gaat zeven minuten duren en daar ben ik nog twee jaar mee bezig. Ik doe alles alleen, een minuut per drie maanden. Magic Show gaat 'ie heten en als het uit is gaat het het festivalcircuit in. Verder werk ik mee aan een film van Sylvia Kristel. Ze is bezig aan een geanimeerde film over haar Parijse tijd toen ze in Emanuelle schitterde en ik doe er behoorlijk wat schilderwerk voor.
Hoewel ik veel tijd steek in Magic show, is het werk wel een beetje onbevredigend. In Nederland willen de bioscopen liever geen voorfilms, omdat ze dat reclame-inkomsten scheelt. Daarom draaien veel animatiefilms alleen op festivals, gaan heel de wereld over maar worden alleen gezien door een select gezelschap van filmliefhebbers. Een strip is makkelijk in de winkel te krijgen, waarna het door het publiek kan worden opgepikt of niet. Dat spreekt me veel meer aan. Je hebt enerzijds een veel groter potentieel. Maar je moet anderzijds veel meer zelf je eigen plekje veroveren. Animatie komt toch wel in het circuitje terecht, voor strip moet je echt je best doen om een publiek te bereiken.’’

Wat ben je na de kunstacademie gaan doen?

,,Toen ben ik film- en theaterwetenschappen gaan studeren. Ik wilde me meer verdiepen in het schrijven van scenario's en kreeg zo tevens de kans lekker veel films te bekijken. Dat was ook heel belangrijk voor mijn ontwikkeling als stripmaker. Ik heb lang geprobeerd strips te vertellen als een film. Bijvoorbeeld in Wat Fred niet wist, waarin ik oefende met wisselende camerastandpunten. Het grote verschil tussen film en strip is echter dat je in film het besef hebt van een camera, ook al ben je je er constant van bewust. Er is een bepaalde afstand tot het onderwerp en je weet dat het onderwerp er nog steeds is als de camera ergens anders heen zwenkt. Strip is beperkter.
Neem een voyeuristisch shot. In een film zie je op de voorgrond een onscherpe auto en daarachter loopt een dame met zonnebril voorbij. Het shot maakt duidelijk dat je haar eigenlijk niet mag zien en dat je je hebt verscholen achter die auto. Bij strip werkt dat anders. Mensen laten meestal niet eerst het hele plaatje op zich in werken, maar snellen langs de tekst en kijken slechts globaal naar de tekeningen. Dat maakt het moeilijk om je lezer mee te nemen in een bepaalde sfeer die je wilt oproepen.
Je kunt in strips wel actie kopiëren, zoals Hermann doet in zijn strips, maar suspense veel moeilijker. Daniel Clowes kan het heel goed, Comès ook. Zij spelen met hun camerastandpunt en laten bepaalde zaken niet zien. Zo laten ze iemand om zich heen kijken, maar de lezer ziet niet wat er om die persoon heen gebeurd. Dat roept al spanning op. Ze doen het ook door te spelen met sequentie: ze behandelen schijnbaar minder belangrijke scènes niet op een strip- maar op een filmmanier. In een strip vertel je over het algemeen met grotere stappen: één plaatje met wat tekst is genoeg om duidelijk te maken dat iemand opstaat, zijn tanden poetst en zich klaar maakt om naar zijn werk te gaan. In film neem je daar een minuut de tijd voor. Clowes en Comès nemen er een paar pagina's voor, het vreet ruimte maar is bepalend voor de sfeer die ze willen oproepen.
Die filmische manier van vertellen is ook veel gebruikt in EC-comics, die maar bestaan uit twee of drie scènes en waarin vaak iets griezeligs gebeurd met een openbaring aan het einde. Ik heb dat ook geprobeerd in Wat Fred niet wist. Maar de aanpak leent zich niet voor iedere strip. Soms draait je scenario om een grap en dan wil je gewoon in een paar snelle stappen toe naar de climax.’’

Science fiction is een vaak terugkerend thema in je verhalen.

,,Ik beroep me er altijd op dat ik zo nuchter ben en met beide benen op de grond sta. Maar tegelijkertijd heb ik een enorme hang naar spacey dingen. Ik ben geïnteresseerd in sterrenbeelden, al is dat meer in het fenomeen dan dat ik echt in de voorspellende waarde ervan geloof. En mijn voorliefde voor Indiase en Pakistaanse filmmuziek komt voort uit het feit dat ik graag met een stickie op de bank lig te spacen op die riedeltjes. Ik vlucht graag in het weirde, het irrationele.
Science fiction draait vrijwel geheel om het irrationele. Het genre biedt onbegrensde mogelijkheden. Toch is het niet mijn favoriete genre. Ik gebruik het wel vaak als motief. Neem Wat Fred niet wist. Dat gaat over science fiction, maar er gebeurt niets onverklaarbaars in. Het leest wel als een Twillight Zone-verhaal. Er zit een onbestemde weirdness in. Dat genre spreekt me altijd meer aan dan pure SF. Ik zal Daniel Clowes nog maar eens noemen. Zijn Like a velvet glove cast in iron is een goed voorbeeld van hoe sterk het kan uitpakken in strip. Hoewel er veel onwerkelijke elementen in het verhaal zitten, is de hoofdlijn niet onrealistisch. Het verhaal speelt tegen de achtergrond van een feministische wereldrevolutie. Het speelt bijna het hele boek geen echte rol in het verhaal, maar het geeft het verhaal wel een onbestemd gevoel mee. Dat soort sfeertjes, die vind ik prettig.’’

Heb je dat ook geprobeerd in het openingsverhaal van je nieuwe boek?

,,Ik heb een algehele voorliefde voor het bizarre. Science noire is gemaakt naar aanleiding van een cursus etnomusicologie die ik volgde aan de universiteit. Bepaalde aspecten aan die wetenschap zijn totaal immoreel. Dit verhaal gaat over etnomusicologen die de wet overtreden om opnames te krijgen van stervende mensen. Het zijn eigenlijk snuff-opnames. De Universiteit van Amsterdam heeft een hele collectie van dat soort doodsgezangen. Dat heb ik niet zelf bedacht, dat is echt zo. Het was ooit een gerespecteerde bezigheid om als wetenschapper als een gier aanwezig te zijn bij stervende mensen. Het Jaap Kunst-archief bestaat echt!
De hoofdpersoon is gebaseerd op mijn toenmalige professor. Die vertelde eens dat hij in Albanië was en het niet aankon om een opname te maken van de dood van een oude man. Later heeft hij aan een andere weduwe gevraagd het doodsgezang nog eens te herhalen. Hij vergoelijkte deze vervalsing door te zeggen: ‘Maar ze herbeleefde de dood van haar man en heeft echt gehuild bij het zingen.’ Toen ik dat hoorde dacht ik: waanzin, maar erg interessant. Ik heb er een duivels element toegevoegd aan het verhaal. Ik wilde in de strip de sfeer oproepen van de jaren '40-horrorfilms van Val Lewton en Jacques Tourneur. Dat zijn films die niet erg leunen op trucage of fantastische gebeurtenissen, maar die gewoon van begin tot eind naar en eng zijn. Dat wilde ik ook met Science noire.’’

In de bundel staat nog een strip met de hoofdpersoon uit Wat Fred niet wist. Maar beide verhalen zijn totaal verschillend.

,,Na Wat Fred niet wist ben ik een beetje verliefd geworden op de hoofdpersoon. Dat figuur staat voor kosmische paranoia. Ik wilde het zelfde doen als wat Robert Crumb en Daniel Clowes ook wel eens doen: een realistisch personage in een cartooneske setting gebruiken. Wat Fred niet wist is heel filmisch en in zekere zin realistisch geacteerd. Fred zoekt het hogerop is een soort gag in de vorm van een prentenboek. Ik koos ervoor er een tekststrip van te maken, omdat het verhaal qua opbouw niet zo interessant is, maar wel een leuke punchline heeft. Als je dat filmisch neerzet, ondermijn je de grap. Bovendien kun je zo lekker opschieten.’’

Er staat nog een tekststrip in het boek. Wat is het verhaal daarachter?

,,De directe aanleiding voor De bloedelozen was een bijbaantje dat ik had waarmee ik ontzettend financieel genaaid werd. Mijn contract bleek vals te zijn, en meer van dat soort dingen. Over dat thema wilde ik een verhaal maken. Een andere aanleiding was dat mijn opa ook houtsnedes maakte. Dat wilde ik ook eens proberen. Ik heb voor dit verhaal een Frans Masereel-achtige stijl ontwikkeld, hoewel hij zonder tekst werkte. En het zijn ook geen echte houtsnedes, maar gewoon inkttekeningen. Het is een expressionistisch experiment geworden.’’

Die indruk kreeg ik vooral bij je laatste verhaal in dit album.

,,In de tijd dat ik Daisy maakte, was ik erg onder de indruk van Stépane Blanquet die enorm veel kan vertellen zonder woorden te gebruiken. Maar ik heb ik me ook een beetje laten meevoeren door de waan van de dag. De albums van L'association en Drawn & Quarterly waren heel erg in en iedereen wilde ineens ook tekstloze strips maken. Overigens ontstond die stroming volgens mij vooral uit luiheid van die uitgeverijen, die hun albums niet hoefden te laten vertalen en letteren voor de buitenlandse markt, maar dat terzijde. Ik ben meegegaan in die hype, maar het heeft gelukkig wel iets moois opgeleverd. Je kunt zien dat de stomme film in die tijd erg veel invloed had op de stripmakers. Er zit in al die verhalen het zelfde melodrama. De hoofdpersonen zijn vrijwel altijd blind, arm, eenzaam en miserabel. Ik ben dol op zwaar aangezette sentimenten. De schoonheid zit in treurigheid, in de liefde die niet mag zijn.’’

Lees je eigenlijk nog wel strips?

,,Ik koop er in ieder geval niet veel meer. Het werk van Joe Sacco vind ik erg interessant. Maar bij Charles Burns bijvoorbeeld, ben ik afgehaakt halverwege Black Hole. Ik wil me niet op de zelfde hoogte stellen als hem, maar ik herken in zijn werk dat hij tegen de zelfde problemen oploopt als ik. Hij gebruikt in die serie ook de filmische aanpak om een David Lynch-achtige sfeer op te roepen in zijn strip. Maar hij neemt zo veel tijd voor alle dingen, dat het niet interessant blijft.’’

Waar sta je over een paar jaar?

,,Ik heb geen idee. Mijn hele loopbaan hink ik al op twee ambities: van de ene kant wil ik iets echt betekenisvols maken, dat mag wel humoristisch zijn of enigszins licht, maar het moet iets zijn wat een lange adem vergt, een soort roman in stripvorm. Van de andere kant kom ik beter uit de verf als ik even snel iets maak omdat ik daar op dat moment zin in heb, zoals onlangs die pulpstripjes voor Paradiso. Daar krijg ik ook meer reacties op van mensen die het leuk vinden, het zit minder stroef in elkaar. Blijkbaar ben ik beter in het spontane werk dan in het doorwrochte.
Ik ben wel eens begonnen aan een striproman, aan de bewerking van een kort verhaal van Nabokov. Ik heb het herschreven, geschetst, maar vervolgens is het blijven liggen. Met Wat Fred niet wist ben ik heel lang bezig geweest met de compositie: bij ieder plaatje bedenken welk shot het beste effect heeft. Mijn Paradiso-strips zijn veel meer voor de vuist weg gemaakt, ik had zin om iets te maken, had het in mijn hoofd en kwakte het op papier. Dat een beetje is mijn gesel: ik wil net als Michiel de Jong mooie, doorwrochte strips maken met een doortimmerd scenario en puike tekeningen, maar ben het best in het makkelijke werk. Dat remt me in mijn ontwikkeling als stripmaker. Nu ben ik eigenlijk bezig me in de verkeerde discipline te bekwamen.’’
Hans van Soest

 
 

meer in ZozoLala 136