Het klooster in de maneschijn

Het realisme van Hermann

Volle maan. De klokkentoren in tegenlicht. Een man sluipt door de schemerige kloostergang, die door de scherpe contouren van de korte, plompe zuilen wordt gescheiden van de egaal verlichte binnenplaats. Hij klimt op het dak. Het monotone ritme van de verkort getekende dakpannen wekt de indruk van een dreigend tromgeroffel. De man laat zich aan een touw van het dak zakken. Het perspectief is duizelingwekkend...

De liefhebber heeft het al door: dit is een scène uit Germain (1987), het derde deel van Hermanns succesvolle reeks De torens van Schemerwoude. Het knappe van deze scène is dat Hermann de gebeurtenissen niet - zoals ik hierboven deed - met woorden, maar met louter beelden weet te vertellen. Het ritme van het verhaal wordt niet bepaald door de bijschriften zoals in de strips van E. P. Jacobs en Jacques Martin, maar puur door de tekeningen. De enige teksten zijn korte dialogen die werken als een soort interpunctie. En juist doordat hij geen bijschriften gebruikt - en je dus niet heen en weer hoeft te schakelen tussen kijken en lezen - ontstaat er een vloeiende stroom van beelden die je het verhaal inzuigt. Dit effect wordt nog versterkt door Hermanns dynamische tekenstijl die naadloos bij zijn verhalen aansluit. Hij geeft je de indruk er zelf bij te zijn.

Traditie
Met zijn tekenstijl past Hermann in een Europese traditie waarvan Giraud de belangrijkste vertegenwoordiger is. Giraud noemde deze traditie - die via Jijé teruggaat tot Milton Caniff - het ‘Amerikaans-Belgische realisme’. Giraud had een voorsprong op Hermann, omdat hij een jaar lang nauw had samengewerkt met Jijé. Ze tekenden samen het Jerry Spring-verhaal De weg naar Coronado (1961). De invloed van Jijé is moeilijk te overschatten. Giraud: “Joseph heeft me een strikt en veeleisend referentiekader gegeven. Lange tijd heb ik geprobeerd me er oprecht en nauwgezet aan vast te houden, zonder er verder bij na te denken. Zelfs nu nog leeft er een echo van hem in me voort, in de manier waarop ik mijn eigen tekeningen opzet en hoe ik het werk van anderen beoordeel.”

 
 

meer in ZozoLala 137