| |
De
gekanaliseerde waanzin van Uli Oesterle
Hector Umbra en de halfautomatische waanzin is een van de opvallendste
nieuwe series van het jaar. Bizar van inhoud en verwrongen op papier
gekwakt door de Duitser Uli Oesterle. Hij won er in zijn vaderland de
Icom-prijs mee voor het beste alternatieve album. Oesterles strips
vinden hun oorsprong in de vroegere geestesgesteldheid van de auteur.
Van achter een pilsje op een zonovergoten terras in Haarlem zit Uli
Oesterle (38) even uit te blazen. Hij is overgekomen uit München
om hier op de stripbeurs zijn nieuwe serie Hector Umbra te promoten.
Het eerste deel is zojuist verschenen bij uitgeverij Silvester en Oesterle
heeft er net anderhalve dag signeren op zitten. ,,Toch is dit voor mij
vakantie. Thuis heb ik een zoontje van tweeënhalf waar ik veel
van hou, maar het is heerlijk om er eens even uit te zijn. Het leven
van een werkende vader is zwaar.
Zo op het oog is Oesterle een evenwichtige, hardwerkende papa. s
Ochtends verlaat hij zijn huis om te gaan werken in zijn atelier, s
avonds komt hij thuis bij zijn vriendin met wie hij al zeven jaar gelukkig
is. Maar dat is wel eens anders geweest. Zon veertien jaar geleden
was de jonge Duitser niet meer dan een wandelend lijk.
,,Ik rookte te veel dope in die tijd. Dat ging een tijdje goed, totdat
ik last kreeg van spontane afasie. Ik verstond mensen niet meer, kon
geen fatsoenlijke zinnen meer formuleren en kon helemaal niets meer
onthouden. Ik murmelde alleen nog maar onzin. Waanvoorstellingen had
ik. Ik leefde in voortdurende doodsangst en was bang dat ik uiteindelijk
in het gekkenhuis zou eindigen. De dokter die hem behandelde, dacht aanvankelijk dat Oesterle zich aanstelde. ,,Echt een vreselijke tijd. Totdat uiteindelijk werd besloten dat ik twee tot drie weken in een afgesloten, donkere kamer het bed moest houden, met mijn ogen gesloten. Zo zou als het ware het gif mijn gestel verlaten. Het was ziemlich Scheiße. Geloof me, dat wens je je ergste vijand niet toe. Ik weet niet of ik het nog een keer zou kunnen doorstaan. Maar achteraf bezien is het wel een keerpunt geweest in mijn leven en kun je misschien zelfs stellen dat ik geluk heb gehad. Ineens kreeg ik een thema in de schoot geworpen dat mijn strips meer diepgang gaf: de waanzin.’’
AUTODIDACT
Voor die tijd tekende Oesterle al wel, maar het had – zoals hij het zelf zegt – weinig om het lijf. ,,Ik heb een grafische opleiding gevolgd, maar daar heb ik alleen een beetje leren tekenen en wat met lay-out gespeeld. In Erlangen kun je inmiddels een cursus stripmaken volgen, dat heb ik twee keer gedaan. Maar eigenlijk ben ik gewoon autodidact.’’
Dat laatste is vooral af te zien aan Oesterle’s tekenstijl, die niet direct associaties oproept met het een of ander. Of het moeten de Duitse (post)expressionisten uit de jaren twintig van de vorige eeuw zijn, zoals Otto Dix, Max Beckmann en George Grosz. ,,Als kind las ik wel de bekende dingen, als Donald Duck en Asterix, maar ik ben jarenlang totaal niet geïnteresseerd geweest in strips. Ik las niets. Zelfs toen ik begon met stripmaken, was ik niet echt in het werk van anderen geïnteresseerd. Ik wilde gewoon verhalen vertellen en tekenen deed ik altijd al, zo werden het automatisch stripverhalen die ik op papier zette. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn. Van Breccia is bekend dat hij nooit werk van andere stripmakers las. Later ben ik wel meer gaan lezen. Charles Burns vond ik goed, maar dan vooral grafisch. Inmiddels lees ik veel andere strips, maar hoofdzakelijk om te zien hoe anderen hun verhaal vertellen. De tekenstijl is van ondergeschikt belang. Uiteindelijk dient die er alleen toe om de lezer over te halen aan je boek te beginnen.’’
ERVARINGEN
Vier jaar geleden verscheen bij uitgeverij Bries een Engelse vertaling van Oesterle’s debuutalbum Brainsongs (in het Duits Schläfenlappenphantasien). Het was de weerslag van zijn eerdere, psychotische ervaringen. Het album bundelt vijf korte verhalen die allemaal draaien rond personages met waanvoorstellingen. De een is een seriemoordenaar in de dodencel die in zijn fantasie de werkelijkheid ontvlucht, de ander is een barfly die tijdens een delirium Tom Waits ontmoet nadat hij op de jukebox een nummer van hem heeft opgezet. ,,Bij het ontstaan van die verhalen heb ik rijkelijk geput uit mijn eigen ervaringen,’’ vertelt Oesterle.
Eveneens in 2000 verscheen in Duitsland (en later ook in het Frans) zijn album Frass. Het verhaal gaat over een fijnproever die zijn smaak verliest. Beroofd van het voor hem belangrijkste zintuig , wordt hij langzaam gek. Hij gaat op zoek naar zijn smaak en eet zijn hond op omdat die altijd goed te eten heeft gehad. Uiteindelijk proeft de hoofdpersoon zijn eigen bloed en begint dan aan zichzelf.
In de drie jaar daarna werkte Oesterle, die zijn geld verdient met het maken van illustraties voor reclames en tijdschriften, aan het eerste deel van Hector Umbra. De halfautomatische waanzin (waarvan het eerste deel net is verschenen) zal uiteindelijk uit drie delen bestaan. ,,Daarna zal ik wat verhalen over Hector Umbra maken die slechts een album beslaan,’’ zegt hij nu.
Hector Umbra woont met zijn vrienden Frantisek en Osaka in de grote stad (wie de stad kent, herkent in de decors Oesterle’s woonplaats München). Osaka is deejay en als hij op een avond ergens moet optreden, verdwijnt hij als bij toverslag. Umbra lijdt aan waanvoorstellingen over een buitenaards ogend volkje dat zichzelf de Narren noemt. Het volkje blijkt echt te bestaan en heeft iets met de verdwijning van Osaka te maken. Umbra gaat op zoek en krijgt daarbij hulp van de geest van zijn aan een overdosis overleden vriend Joseph. Daarbij wordt hij zonder het te weten geschaduwd door een stel Jehova’s getuigen.
,,De basis van het verhaal viel me in nadat een goede vriend van mij kwam te overlijden. Ook veel andere elementen uit het verhaal heb ik geput uit mijn eigen ervaringen. Hector Umbra, dat ben ik zelf een beetje. Of in ieder geval zoals ik zou willen zijn. Frantisek is gemodelleerd naar Boris Kiselicki (tekenaar van Cool Bros dat eveneens onlangs bij Silvester verscheen, red.). We delen samen met nog wat andere tekenaars het zelfde atelier: der Artillerie. Iedere dag rijd ik twintig minuten met de metro om er te komen. Tijdens die rit bekijk ik mijn medereizigers en fantaseer ik wat er mis is met hen. In de metro staart iedereen alleen maar voor zich uit, ik probeer te verzinnen wat hen bezighoudt. Zo ontstaan veel van mijn verhalen. In het tweede deel van De halfautomatische waanzin heb ik veel metroscènes verwerkt.’’
Vorig jaar verscheen nog een kort verhaal van zijn hand (Forever) in de verhalenbundel Hauntings van de Amerikaanse uitgeverij Dark Horse. Hij werd bij de uitgever geïntroduceerd door Hellboy-tekenaar Mike Mignola, die erg onder de indruk was van een illustratie die Oesterle had gemaakt voor een Duitse Hellboy-uitgave. Geërgerd vertelt hij: ,,Te pas en te onpas krijg ik te horen dat mijn tekenstijl op die van Mignola lijkt. Maar hij is zeker niet een van mijn voorbeelden, dat is eerder José Muñoz.’’
KLEUR
Hector Umbra is na Frass Oesterle’s tweede strip in kleur. ,,Kleurgebruik geeft je meer vrijheid als maker,’’ vindt hij. ,,Je kunt voor iedere scène een andere hoofdkleur gebruiken en zo de lezer als het ware makkelijker door de pagina’s leiden. Zeker in dit album is dat een voordeel, omdat ik meerdere malen van vertelperspectief wissel.’’
Maar de keuze voor kleur had ook commerciële redenen. ,,In Duitsland worden strips maar in kleine oplagen verkocht. Van Frass zijn bijvoorbeeld duizend exemplaren gedrukt, die nog lang niet op zijn. Er is op die manier geen droog brood als stripmaker te verdienen, behalve wanneer je Ralf König heet (hier o.a. bekend van Het Killercondoom, red.). Na Frass wist ik dat ik het over een andere boeg moest gooien. Ik weet dat ik nooit een miljoenenpubliek zal bereiken, daarvoor is mijn werk te duister. Maar meer dan een paar honderd kopers moet ik in een land met 80 miljoen inwoners toch kunnen bereiken?’’
Oesterle koos daarom voor het bekende concept: een serie in kleur met een vaste held als hoofdpersoon. ,,Maar binnen dat concept wilde ik wel mijn eigen vertrouwde thema blijven behandelen. Uiteindelijk heb ik wel geluk gehad dat ik een uitgever vond die het aandurfde. De meeste Duitse uitgevers publiceren alleen vertaalde strips in kleur. Duitse auteurs worden vaak in zwart-wit uitgegeven. Kleur is duur en daarmee te risicovol, zeker als het gaat om strips zoals de mijne die niet voor een groot publiek bedoeld zijn.’’
De stripcultuur in zijn vaderland stemt hem somber. ,,Jullie Nederlanders klagen vaak dat de markt zo klein is, maar in Duitsland is het nog veel treuriger gesteld. Bij ons bestaat het strippubliek hoofdzakelijk uit nerds, dat is hier veel minder. Om bij ons te kunnen leven van je strips, moet je komische dingen maken, zoals Werner (een in Duitsland ongekend populaire strip die ook is verfilmd, red.). Anders verkoop je hooguit duizend boeken. Van Hector Umbra zijn er vijfduizend gedrukt, mijn uitgever heeft echt zijn nek uitgestoken. Nu het boek een paar maanden uit is, zijn er al meer van verkocht dan van mijn vorige boeken bij elkaar. Dus dat valt alleszins mee. Van de andere kant moet ik ook weer niet al te dramatisch doen. De markt voor alternatieve strips is overal klein. Neem de Verenigde Staten. Volgens velen het Mekka van de strip, maar zet de oplage van een gemiddelde Fantagraphics-strip eens af tegen het aantal mensen dat in de VS woont…’’
LANGE ADEM
,,Ik wil absoluut doorbreken als striptekenaar met Hector Umbra. Dat zal een lange adem vergen. Alleen als de delen van de serie met een ijzeren regelmaat verschijnen, stijgt de oplage. Als ik nu een paar jaar niets laat zien, zink ik weg in de vergetelheid.’’
Oesterle haalt de voorbereidende schetsen uit zijn tas voor het tweede deel. ,,Deel twee en drie zijn al helemaal uitgeschreven. Eind dit jaar moet het volgende deel klaar zijn, hopelijk. Dan kan het album komend voorjaar in de winkels liggen. Maar het probleem is dat ik het allemaal moet doen naast mijn gewone werk. Uiteindelijk moet ik een gezin onderhouden.’’
Hij vertelt dat hij er op moet letten niet de zelfde fouten te maken als bij het eerste deel. ,,Daar heb ik drie jaar aan gewerkt. Veel te lang. Halverwege ben ik weer opnieuw begonnen, omdat ik het niet goed genoeg vond. Ik had veel tijd nodig voor het inkten en het inkleuren. Inmiddels heb ik voor een professionelere aanpak gekozen. Alle scènes en de pagina-indeling liggen nu vast, alle dialogen zijn al uitgeschreven. Ik hoef het volgende album alleen nog maar te tekenen. Op zich kan ik heel snel werken. Frass heb ik destijds in vijf maanden gemaakt. Mijn mentale gezondheid is tegenwoordig prima. Dus het kan wel.’’
Met deze werkwijze zullen zijn werkdagen de komende jaren nog weinig inspirerend zijn. Hij zal alleen nog maar bezig zijn met het uitwerken van ideeën die al vast liggen. ,,Maar dat is niet erg,’’ vertelt hij. ,,Ik improviseer niet graag. Wel moet ik ervoor oppassen dat het resultaat zo niet te geconstrueerd wordt. Het moet nog wel iets spontaans uitstralen.’’
Waar hij ook voor waakt, is dat hij zich niet te veel verliest in gefreak bij het tekenen. ,,Ik moet me echt inhouden bij het tekenen. Ik laat me graag inspireren door expressionistische en surrealistische kunst. Boeken als Boris Vians L’écume des jours en oude films als Das Cabinet des Doktor Caligari. Het liefst teken ik alles in een uit het lood geslagen perspectief om het verhaal meer sfeer te geven. Daarbij gebruik ik ook nog eens veel grote zwarte vlakken. Maar ik moet dat allemaal niet te ver doorvoeren. Mijn verhalen zijn al waanzinnig genoeg, het moet wel leesbaar blijven.’’
Hans van Soest
======
Kader voor bij het artikel:
DUITSE STRIPS
Uli Oesterle is samen met Martin Tom Dieck en Ulf K. (zie ook ZozoLala nummer 112) de belangrijkste vertegenwoordiger van de hedendaagse generatie Duitse stripmakers. Ulf K. (bekend van boeken als Der Mondgucker en Tango with death) won in juni de prestigieuze Max und Moritz-prijs voor beste Duitse stripmaker op het stripfestival van Erlangen. Martin Tom Dieck (hier bekend van Tot ziens Deleuze) viel die eer vier jaar geleden te beurt. Alle drie de auteurs zijn hier echter alleen bekend omdat hun werk in het Nederlands of het Engels is vertaald. Duitstalige strips zijn nauwelijks verkrijgbaar. Voor wie kennis wil maken met de stripcultuur van onze oosterburen, biedt het internet uitkomst.
Zoals voor de cartoons van Martin Perscheid (www.martin-perscheid.de) en de humoristische, maatschappijkritische strip Rudi van Peter Puck (www.rudi-comic.de). Een van de populairste Duitse krantenstrips is Strizz van Volker Reiche (www.strizz.de). Houd er wel rekening mee dat Duitsers over het algemeen een ander gevoel voor humor hebben dan Nederlandstalige lezers.
Maar er wordt ook veel ander werk gemaakt. Lezers van Zone 5300 is in het verleden het werk van Calle Claus al onder ogen gekomen. Zijn vaak bizarre fantasie heeft al tot meerdere uitgaven geleid, zie: www.calleclaus.de. Het werk van de feministische stripmaker en beeldend kunstenares Anke Feuchtenberger is te bekijken via www.feuchtenbergerowa.de. Een van de meest gelauwerde strips van de laatste tijd is het tekstloze Leviathan van Jens Harder uit Berlijn. Het boek verscheen vorig jaar bij de Franse uitgever Editions de l’an 2 (verkrijgbaar via www.editionsdelan2.com). Ook het semi-autobiagrafische Held van de jonge tekenaar Flix (Felix Görmann) werd lovend ontvangen. Meer info: www.held-dercomic.de. |
|