Christophe Blain speelt graag piraat

Het afgelopen jaar was het jaar van het Nederlandse bijna-debuut van Christophe Blain. Hoewel vijf jaar terug al De snelheidsbegrenzer van zijn hand verscheen, kwamen de vertalingen van zijn omvangrijke oeuvre in 2004 pas echt op gang. Naast twee door hem getekende delen van de serie Donjon ochtendgloren, waren het vooral de eerste albums van zijn eigen reeks Isaac de piraat die duidelijk maakten waarom Blain in Frankrijk een van de voormannen is van de nieuwe generatie stripauteurs.

Zelf heeft Christophe Blain (1970) weinig op met het begrip ’nieuwe generatie’. Samen met Joann Sfar, Lewis Trondheim en Emmanuel Guibert wordt hij in Frankrijk gerekend tot de grote vernieuwers van het populaire beeldverhaal. Maar het enige wat hij en veel van zijn generatiegenoten gemeen hebben, is dat ze min of meer in de zelfde periode zijn doorgebroken, vindt hij. „We werken wel eens samen, maar we maken allemaal heel ander soort werk. Ik lees te weinig strips om met een samenhangende visie te komen over waarin wij ons onderscheiden van vorige generaties stripmakers. We hebben elkaar ooit min of meer toevallig ontmoet en zijn toen bevriend geraakt.”
Tegenwoordig zijn de oude kameraden over heel Frankrijk uitgevlogen, maar eens deelden ze het zelfde atelier in Parijs, nabij het pittoreske Place des Vosges. Ooit huurde Blain een plekje bij atelier Nawak, waar ook Trondheim, David B. en Tronchet hun tekentafel hadden neergezet. Later richtte hij samen met de laatste twee het Atelier des Vosges op, waar ook Joann Sfar, Emmanuel Guibert en de hier minder bekende Emile Bravo en Fréderic Boilet werkten. Trondheim kwam nog wel regelmatig over de vloer. En zodra er een het gezamenlijke werkappartement verliet, werd de plek weer opgevuld door een ander, onder wie Marjane Satrapi.
„Het was 1993. Ik zocht een plek om te werken. Via een wederzijdse bekende ben ik bij Nawak terecht gekomen. Iedereen van het latere atelier was rond die tijd op zoek naar een werkplek. We hebben allemaal een verschillende opleiding gehad en werkten voor verschillende uitgevers. Eigenlijk hadden we helemaal niets met elkaar gemeen. En in veel opzichten hebben we dat nog steeds niet.”
Dat neemt niet weg dat ze elkaar op het atelier wel hebben beïnvloed. Juist omdat ieder van hen totaal ander werk maakte (van literaire droomverstrippingen tot autobiografieën en humoristische kinderstrips), legden ze hun werk altijd voor aan een van de aanwezige collega’s. „Het begon min of meer als grap. Het is raar werk te beoordelen dat heel ver afstaat van datgene wat je zelf maakt. Maar uiteindelijk hebben we er allemaal veel van geleerd. Of in ieder geval ikzelf dan. Ik heb in die jaren bovenal geleerd hoe ik mijn scenario’s moest schrijven.”

SCHETSEN
Voordien had Blain twee jaar doorgebracht op een grafisch lyceum in Parijs en op een kunstacademie in Cherbourg. Een periode waar hij met gemengde gevoelens op terugkijkt, omdat hij er vooral werd opgeleid voor het reclamevak terwijl hij daar helemaal geen trek in had. „Ik wilde tekenen. Ik heb altijd getekend, vanaf het moment dat ik een potlood vast kon houden. Ik ben enorm neurotisch, ik zit altijd te schetsen wat ik om me heen zie.”
Aanvankelijk wilde Blain niet zozeer stripmaker worden, maar illustrator. „Het stripvak leek me onbereikbaar, ik had er helemaal de benodigde capaciteiten niet voor, dacht ik.” Tijdens zijn studie experimenteerde hij wel met het medium. Zo reisde hij in 1991 mee met een journalist naar Bangladesh dat net was getroffen door een cycloon. Het schetsboek dat hij van die reis maakte, Cyclone à Chittagong, werd door uitgeverij Albin Michel uitgegeven. Nadien zouden nog twee getekende reisdagboeken volgen. Een die hij maakte tijdens zijn militaire dienstplicht bij de marine in Brest, waar hij negen maanden diende op een antiduikbootfregat (Carnet d’un matelot, eveneens bij Albin Michel). En een van zijn reis naar een Franse basis op de Zuidpool (Carnet Polaire, uitgeverij Casterman). In de tussentijd verdiende hij de kost als illustrator van tijdschriften en kinderboeken.
„Toen ik op het atelier kwam, had ik wel vage plannen voor een strip. Maar ik wilde bovenal van mijn tekenwerk kunnen leven, dus was striptekenaar worden voor mij eigenlijk nooit een serieuze overweging. Ik las ook amper strips in die tijd, had bijvoorbeeld nog nooit van L’Association gehoord. Maar toen ik het werk van David B. en Lewis Trondheim zag, wekte dat wel mijn interesse. Hun tekenwerk was zo levendig. En de verhalen van David B. spraken me erg aan; een fascinerende mengeling van droom en realisme.”

SERIE
De interesse in David B.’s werk resulteerde in een samenwerking. Hij schreeft het scenario voor Blains eerste stripserie: de western Hiram, Lowatt & Placido (waarvan het eerste deel La révolte d’Hop Frog verscheidene prijzen won). In de jaren die volgden, begon Blain nog aan diverse stripseries op scenario van anderen. Zoals de spin-off van de populaire Donjon-reeks Donjon Ochtendgloren op scenario van Sfar en Trondheim en de mythologische heldenstrip Socrate le demi-chien, eveneens met Sfar.
„Ik maak graag strips die ik zelf graag las toen ik jong was, over cowboys, piraten of monsters. Die ambitie deel ik met bijvoorbeeld Joann Sfar. Tegelijkertijd wil ik klassieke avonturenstrips als Roodbaard niet kopiëren. Mijn verhalen moeten iets intiems uitstralen. De onderlinge verhoudingen tussen de personages, hun vriendschap, hun haat, moeten niet ondergeschikt zijn aan de actie. Op die manier probeer ik avontuur met tragiek met elkaar te mengen. En humor natuurlijk.”
Het liefst werkt Blain alleen aan zijn strips, maar de samenwerking met zijn scenaristen valt mee ”omdat we bevriend zijn en omdat het makkelijk samenwerken is met hen. Vooral met Joann Sfar, omdat we veel gemeen hebben.”
Eind jaren negentig kwam, los van zijn reisdagboeken, zijn eerste soloproject van de grond: De snelheidsbegrenzer, voor de Vrije Vlucht-reeks van uitgeverij Dupuis. In dit verhaal herhaalt Blain in mindere mate wat hij al deed in zijn reisdagboeken: hij gebruikt bestaande personen uit zijn omgeving in zijn strips. „Om de personages geloofwaardiger te maken,” licht hij toe. Zo voert hij in De snelheidsbegrenzer zijn broer op als George de stuurman en zichzelf als Louis de schrijver. Andere bemanningsleden zijn in het echt oude dienstmaten uit zijn tijd bij de marine. Omgekeerd wordt Blain overigens ook opgevoerd in strips van zijn collega’s. Zo figureert hij als Camulos de gedeserteerde Romeinse legionair in Zwarte olijven van Guibert en Sfar.

PIRAAT
Het personage Isaac de piraat is oorspronkelijk ook zo ontstaan. Als grap modeleerde Blain een joodse schilder naar Joann Sfar. Het personage veranderde qua uiterlijk, maar het gegeven van de joodse schilder bleef. In 2001 verscheen in Frankrijk het eerste deel van de serie. „Ik wilde al een tijdje graag een piratenstrip maken,” vertelt hij. „Hoe het verhaal precies ontstaan is, weet ik niet meer zo goed. Maar wel dat ik met het idee rondliep dat het om een personage moest draaien dat ouder werd naarmate de reeks liep.”
Als voorbeeld daarbij diende Blueberry van Giraud, een personage dat ouder wordt en vermagert en vervuilt wanneer hij in de problemen zit, waar de meeste klassieke striphelden er juist altijd hetzelfde blijven uit zien. Daarnaast valt Blain bij het schrijven van de scenario’s voor Isaac de piraat terug op zijn ervaringen uit zijn periode bij de marine en zijn reis naar de Zuidpool. „Het gegeven van Isaac die daar tussen allemaal avonturiers en piraten op een boot zit, is daarop geënt. Ook ik zat de hele dag de portretten te schetsen van mijn medereizigers en hun dagelijkse bezigheden. Ik praatte met hen over hun leven en vertelde over het mijne. Voor veel van Isaacs belevenissen put ik uit mijn eigen herinnering. Natuurlijk vergroot ik ze uit en overdrijf ik ze, de personages zijn tenslotte karikaturen.”
Dat de zee altijd zo’n belangrijk thema in Blains boeken is, noemt hij geen toeval. „Ik ben altijd gefascineerd geweest door de zee. Als kind was ik een trouw bezoeker van het maritiem museum in Parijs.” Maar zeeman heeft hij nooit willen worden. „Daarvoor heb ik altijd te veel last van zeeziekte. Nog steeds trouwens, iets wat mijn militaire dienstplicht en mijn reis naar de Zuidpool nogal bemoeilijkte.”
Voordat hij aan een nieuw deel van Isaac de piraat begint, maakt hij eerst een storyboard van het album. „Als ik dan aan het album begin, wijzig ik nog maar weinig aan de loop van het verhaal. Ik improviseer amper, maar kwak tegelijkertijd zowel het verhaal als de tekeningen wel in één keer op papier. Zo zet ik mijn pagina’s niet eerst op in schetsvorm.”
Wel zegt Blain zich helemaal suf te schetsten voordat hij aan een nieuw album begint. „Ik teken alles wat ik om me heen zie, zet dat in een paar halen op papier. Mijn stijl is mede daardoor eerder realistisch dan karikaturaal, maar dan wel hoekig, nerveus, impressionistisch. In strips moeten de tekeningen goed leesbaar zijn. De lezers moeten niet eerst hoeven nadenken wat er precies staat afgebeeld. Daarom stileer ik mijn tekeningen wel, maar moet ik tegelijkertijd uitkijken dat mijn stijl zijn oorspronkelijke karakter niet verliest.”
Als invloeden noemt Blain allerlei illustrators uit het eind van de negentiende, begin twintigste eeuw: „Doré, Steinlen, Gus Bofa, Rube Goldberg...” Uit hoeveel delen Isaac de piraat gaat bestaan, weet hij nog niet. Wel slokt de serie zoveel van zijn tijd op, dat hij nauwelijks nog aan zijn andere reeksen toekomt. Het einde heeft hij nog niet in zijn hoofd. „Ik verras me zelf graag en hoop dat het beste idee op het laatste moment komt.”

Hans van Soest

 
 

meer in ZozoLala 139