Manga en mangaka

Manga is een oude term, die oorspronkelijk werd gebruikt voor spotprenten in kranten en tijdschriften. De term kreeg een nieuwe betekenis in 1947, met de uitgave van Nieuw schateiland. Het boek was getekend door de toen negentienjarige Osama Tezuka (1928-1989) en was, met een oplage van vierhonderdduizend exemplaren, een bestseller. Tezuka had in één klap een nieuw genre geschapen, waarin hij tot aan de dag van vandaag gezien zou worden als grootmeester. Dit enorme succes laat zich alleen verklaren binnen een historische en maatschappelijke context.

Japan heeft altijd een traditionele cultuur gekend. Hiërarchische verhoudingen, gestoeld op leeftijd, sociale klasse, eer en verdiensten speelden altijd een belangrijke rol. Aanzien was belangrijk. De vernietiging van Hiroshima en Nagasaki en de daarop volgende capitulatie van Japan in 1945 waren een ongekend gezichtsverlies. Japan verloor bovendien het recht op een eigen leger, moest buitenlandse troepen toestaan en werd door de Verenigde Staten getracteerd op een heroepvoedingscampagne. De Japanse jeugd was hiermee in één klap haar rolmodellen kwijt en voelde de wederopbouw van een nieuw Japan op haar eigen schouders rusten. Tezuka wist dit gevoel kundig te vertalen. In zijn manga’s waren de helden jong en rebels. Ze waren eigen baas en hielden zich niet aan de wetten van het geldende, maar feilbare gezag. Ze waren bovendien gezegend met een rotsvast vertrouwen in de toekomst en een aanstekelijk opportunisme. Zijn tekenstijl was gevormd door Japanse tradities en Walt Disney animaties. Zijn personages hadden een hoge aaibaarheidsfactor – een eigenschap die door Japanners zeer op prijs wordt gesteld – en zijn verhalen kenden een vlotte vertelstijl. De wederopbouw deed als nel zijn intrede in het genre, in de vorm van techniek en elektronika.

Met het opgroeien van de mangageneratie, groeide ook de behoefte aan serieuzer werk. Eind jaren vijftig ontstond een nieuw genre, genaamd gekika. Die naam tekende de behoefte van de auteurs om serieus genomen te worden. Manga laat zich vrij vertalen als 'onverantwoordelijke/luchtige plaatjes', gekika als 'verantwoordelijke/dramatische plaatjes'. De belangrijkste auteur was Yoshihiro Tatsumi. Gekika was tot midden jaren zestig beperkt verkrijgbaar. Pas op toen de mangageneratie doorstroomde naar de hogescholen en universiteiten durfden de uitgeverijen de uitgave van vrij verkrijgbare gekika aan. Gekika was realistischer getekend, sneed serieuze thema’s aan en doorbraken regelmatig taboes. Het lezen van manga en gekika werd een populaire geuzendaad van jongeren die zich tegen de maatschappij en de Amerikaanse aanwezigheid keerden. Al snel begonnen de twee genres van elkaar te lenen en het duurde dan ook niet lang vooraleer er een nieuw genre ontstond onder de naam seinen. Seinen combineerde de dynamiek en vertelstijl van manga met het realisme en de thematiek van de gekika. Tijdschriften die zich specialiseerden in seinen droegen meestal de term 'young' in hun naam, zoals Young magazine, het tijdschrift waarin Akira werd voorgepubliceerd. Akira is dus officieel seinen en als belangrijkste Japanse invloeden geeft Otomo dan ook zowel Osama Tezuka en Yoshihiro Tatsumi aan. Vandaag de dag is de scheiding tussen manga, gekika en seinen verdwenen. Manga is overgebleven als verzamelterm voor het totaal aan Japanse strips met al haar uiteenlopende genres en doelgroepen.

Auteurs van manga’s heten mangaka. Mangaka hebben in Japan een status als die van popsterren, met een vergelijkbare invloed en privileges. Dit komt door de enorme oplages en de manier waarop de Japanse stripmarkt in elkaar zit. De oplages van manga zijn immens. De top van de piramide bestaat uit ongeveer veertig telefoonboekdikke uitgaves, die wekelijks, tweewekelijks of maandelijks verschijnen. Op elk gegeven moment zijn er minimaal tien manga’s die een oplage beweren te hebben van meer dan een miljoen exemplaren per deel. In de jaren negentig bedroeg de totale omzet van deze markt vierenhalf miljard euro, zonder tijdschrift- en krantenpublicaties mee te rekenen.

Manga’s bedienen zich van antwoordcoupons, waarmee de lezers hun voorkeur kenbaar kunnen maken. Elke serie die onvoldoende scoort wordt rigoreus geschrapt. Dit beperkt natuulijk de bewegingsvrijheid van de mangaka. Gelukkig zijn door de historische groei van het genre, mangaka en publiek aan elkaar gewaagd, dus is er relatief veel ruimte. Dit uit zich onder andere in de enorm brede markt, met voor elke mogelijke doelgroep een mangagenre. Deze verzuiling is veel sterker dan wat we in het Westen kennen. Elke mangaka die door de lezerskeuring heen komt, is automatisch een lieveling van het publiek. Deze populariteit, in combinatie met de onverzadigbare markt, levert een uitstekende onderhandelingspositie op, voor de merendeels als freelancer opererende mangaka’s. Dit heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat ze het eigendomsrecht op hun creaties behouden en onder meer worden uitbetaald in royalties. De populairste mangaka’s houden er hierdoor een zeer riant salaris op na.

Er zijn ongeveer drieduizend professionele mangaka acief, maar slechts tien procent daarvan weet (enige) faam en een bovenmodaal inkomen te behalen. Vrijwel elke mangaka die namelijk succes oogst, start zijn eigen studio. Het merendeel van de mangaka is werkzaam in deze studio’s. Ook Katsuhiro Otomo maakte gebruik van studiomedewerkers. Zij zorgden in zowel Domu als Akira, voor de extreem gedetailleerde gebouwen en achtergronden.

Sigge Stegeman

Manga goes global. Jean-Marie Bouissou, april 2000.
A history of Manga. The rise of Japanes Manga. Dai Nippon Printing, 1998.

 
 

meer in ZozoLala 139