Prins Bernhard, licensed to kill?

Erik Varekamp: "Wie het weet mag het zeggen"

Van brave nazi tot Prins der Nederlanden. Heel het bewogen leven van prins Bernhard komt aan bod in Agent Orange. In zijn met Bernhard-documentatie volgestouwde studio blikt tekenaar Erik Varekamp terug op het verschijnen van het eerste deel van zijn geruchtmakende strip. "Het water loopt je in de mond bij de gedachte: dat mag ik straks allemaal gaan tekenen."

De publiciteit bij het verschijnen van het boek was ongehoord. Agent Orange kreeg prominente aandacht op tv, in de landelijke dagbladen, tot aan Der Spiegel en El Mundo aan toe. Kwam al die aandacht als een verrassing?

"Nou, je hoopt er wel op. Zo'n middenstander ben ik wel. Je weet dat je een nieuw boek met publiciteit moet omgeven. Maar dat het zo'n mediastorm zou worden, had ik natuurlijk niet durven hopen. Een paar dagen na het verschijnen van het boek kwam bovendien het verhaal naar buiten dat ‘de makers van het stripboek boos waren opgebeld door Bernhard'. Dat stond in een column van Jan Blokker in de Volkskrant. En toen begon de mediahausse nog een keer van voren af aan. Al die aandacht is leuk, natuurlijk, daar doe je het voor."

Klopte dat verhaal? Heeft Bernhard je echt persoonlijk gebeld om te vertellen wat hij van de strip vond?

"Nee. Hij heeft Gerard Aalders gebeld, een van de historici van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) die ons heeft geholpen met de historische achtergronden van Agent Orange. Aalders vond dat wel merkwaardig. Jarenlang schrijft hij dikke historische boeken die gedeeltelijk over Bernhard gaan, en hoort hij niets uit Soestdijk. Doet hij een keer mee met een stripboekie, hangt Bernhard opeens aan de lijn. Maar goed, Bernhard schijnt een monoloog te hebben gehouden. Toen Aalders wat wilde terugzeggen, zei Bernhard: ‘spriek mar nicht tegen'."

Wat vond hij van het boek?

“Hij vond natuurlijk wat hij tegen Aalders zei: dat NSDAP-gelul moest maar eens afgelopen zijn. Tot voor kort heeft Bernhard altijd ontkend dat hij lid was van de NSDAP. Maar toen die lidmaatschapskaart achterin ons boek afgedrukt stond - met dank aan het NIOD - heeft hij in feite toegegeven dat hij lid is geweest van de NSDAP. Wel bleef hij volhouden dat hij zichzelf geen lid had gemaakt. Dat lijkt erg op het bekende verhaal van voormalig minister van buitenlandse zaken Joseph Luns: niet hijzelf was destijds lid geworden van de NSB, dat had zijn broer voor hem gedaan. Tja, ik weet uiteraard niet wat de waarheid is. Ik heb er niet naast gestaan. Maar het komt op mij niet erg geloofwaardig over. Want als je lid bent gemaakt door iemand anders, dan krijg je toch formulieren thuis gestuurd? Dan weet je toch dat er een grappenmaker is die je heeft aangemeld?”

Achterop Agent Orange staat ‘true fiction’, met een uitroepteken. Wat bedoelen jij en scenarist Mick Peet daar precies mee?

“Die term is niet van ons. De advocaat van de uitgever vond het verstandig. Hoewel ons boek zoveel mogelijk is gebaseerd op feiten, moet je natuurlijk af en toe een stukje invullen dat je niet zeker weet. Dat probeer je dan zo realistisch mogelijk te doen: wat er gebeurd zou kunnen zijn. Maar processen liggen op de loer. Daarom vond de uitgever het verstandig om er ‘true fiction’ van te maken. En om voorin een stukje te schrijven dat het satire is. Dat is evenmin mijn woordkeus. Ik zou alleen niet weten hoe je het juridisch anders zou moeten omschrijven.”

De bekende Nederlands-Parijse tekenaar Willem heeft al eens eerder een lange strip over Bernhard gemaakt: De avonturen van prins Bernhard. Die baarde flink wat opzien toen hij in 1977 in het tijdschrift De Nieuwe Linie verscheen. Ken je dat verhaal?

Ja. Dat stond ook in HP/De Tijd: Erik Varekamp is bezig met een strip over prins Bernhard, maar die strip bestaat al. Ik vind Agent Orange toch wel behoorlijk anders. De avonturen van prins Bernhard is harde satire en gaat met name over de Lockheed-affaire. Agent Orange toont het hele leven van Bernhard en is toch wel wat serieuzer. Wij willen niet alleen de negatieve, maar ook de positieve kanten van Bernhard in beeld brengen.”

Weet je nog hoe het idee voor Agent Orange is ontstaan? Ik las ergens dat jij en Mick Peet er anderhalf jaar geleden aan zijn begonnen.

Dat klopt. Ik ken Mick via het AD Magazine, waar ik al jaren illustraties voor maak. Hij is daar art-director. We zaten een keer in het café - waar anders - toen ik na drie flessen wijn wat begon te mijmeren over stripverhalen. Dat ik toch nog eens een keer ‘een echte strip’ op mijn naam wilde brengen. Toen zei Mick: ‘Er is maar één verhaal en dat is prins Bernhard.’ De volgende dag ben ik toen met een lichte kater naar De Slegte gegaan en heb ik daar een meter boeken gekocht. Om me in te lezen, want ik wist geen fluit van die vent! Ik had natuurlijk wel eens van Lockheed, Greet Hofmans en het Wereld Natuur Fonds gehoord. Maar daarmee hield mijn kennis wel op.

Aanvankelijk wilde Mick René Zwaap, journalist voor De Groene Amsterdammer en Oranje-kenner, erbij betrekken. René Zwaap zou dan het verhaal schrijven, ik zou tekenen en Mick zou producent zijn, oftewel wat helpen op teken- en verhaaltechnisch gebied. Maar toen vertrok René Zwaap opeens naar Portugal en zijn Mick en ik er maar met ons tweeën mee doorgegaan.”

Hoe werken jullie samen?

“Mick schrijft de synopsis, ik werk het uit. Hij komt met een aantal dingen die sowieso moeten gebeuren. Daar hebben we het dan over, hij maakt wat schetsen. Achter mijn tekentafel pas ik het dan uiteindelijk in elkaar. Daarbij volg ik Micks schetsen vrij behoorlijk. Die zijn natuurlijk een lekker ruggensteuntje. Maar als ik denk dat het beter kan doe ik dat, want ik heb het laatste woord.”

Jullie vertellen Bernhards verhaal vrij lineair, af en toe onderbroken door soms forse passages met achtergronden over de politieke ontwikkelingen tijdens zijn jeugd.

“We hadden al vrij snel het idee: het moet beginnen bij het huwelijk van Máxima en Willem-Alexander. En dan zo’n flashback naar het ouderlijk huis van Bernhard. Dat Bernhard dan zelf een jaar of drie, vier is. Daarna hebben we er bewust voor gekozen vrij lineair te vertellen. Anders blijf je bezig met die flashbacks. Het geraamte van het verhaal bestaat per slot van rekening al: dat is gewoon het leven van Bernhard.

Wat betreft de historische achtergronden: het klopt dat we op sommige momenten wel erg de Oom Wim-kant op zijn gegaan. Dat zeiden we soms ook letterlijk tegen elkaar in het café: ja, nu wordt het een beetje Oom Wim. Maar ja, daar ontkom je eigenlijk niet aan. Want hoeveel historische kennis mag je als bekend veronderstellen? We hebben ervoor gekozen om het op havo 4-niveau te vertellen. Dat wil zeggen: niet al te stompzinnig, maar we gaan er ook niet van uit dat iedereen Lou de Jong achter de kiezen heeft.”

Op zich presenteren jullie in Agent Orange geen nieuwe historische feiten. Wel zijn de beelden van Bernhard in nazi-uniform heel indringend.

“Feit is dat Bernhard lid is geweest van de SA en SS. Dat zegt hij zelf ook regelmatig in geautoriseerde biografieën. Dus wat dat betreft mag je Bernhard tekenen in een bruin SA- en, in deel twee, in een zwart SS-pak. Dat ziet er vrij heftig uit, omdat er geen foto’s van Bernhard in die uniformen bekend zijn. Voorzover wij weten - en dat heb ik van diverse historici gehoord - zijn, toen Bernhard ging trouwen met Juliana, de archieven geschoond van Bernhard in nazi-uniform. Tot op heden zijn die foto’s nog niet gevonden.”

Dat is een interessante invalshoek: de historische documenten zijn verdwenen, maar door te tekenen roep je dat verleden toch heel direct op. Hoe zeker weet je eigenlijk dat die foto’s er geweest moeten zijn?

“Nou, in de jaren ’30 had íedereen zo’n fotocameraatje, zo'n Leica, bij zich. Tegenwoordig heeft iedereen een mobiele telefoon, toen was zo’n Leica heel normaal. Het kán niet anders of die foto’s zijn gemaakt! Al was het maar omdat in die tijd iedereen in een of ander uniform rondliep. Het is voor mij uiteindelijk natuurlijk ook maar gissen. Maar het lijkt mij een mirakel als die foto’s nooit genomen zijn.”

Een van de boeken die hier prominent in je studio liggen, is Prins Bernhard. Een politieke biografie van Wim Klinkenberg. Klinkenberg was stalinist, zijn biografie is omstreden. Toch gebruiken jullie het boek als bron.

“Dat is het boek der boeken over Bernhard. Elke Bernhard-vorser die vandaag de dag bezig is, noemt Klinkenberg. Want hij heeft een titanenklus geklaard door al die gegevens boven water te krijgen. In hoeverre alles waar is, is natuurlijk de vraag. Maar heel veel klopt. Klinkenberg was stalinist, maar hij heeft wel zijn huiswerk gedaan. Dus stel dat de helft niet waar is, dan houd je nog steeds een helft over die wel klopt.

Daarnaast gebruik ik Klinkenbergs boek graag, omdat tijdens het lezen het water je in de mond loopt: hoi, dat mag ik allemaal gaan tekenen. En ook een beetje vanwege de complottheorieën. Dat is natuurlijk heerlijk voor een striptekenaar. Het mooie met intriges is: je kunt niet bewijzen dat het wel waar is, maar de tegenpartij kan niet bewijzen dat het niet waar is. Het blijft een beetje in het luchtledige hangen. Maar dat is voor een verhaal alleen maar goed. En je weet zelf ook wel: soms is de werkelijkheid nog erger dan het in boeken staat. Dus ja, wie het weet mag het zeggen. Aan mij de taak om het allemaal zo geloofwaardig mogelijk op papier te zetten.”

Bernhard is eind vorig jaar overleden. Maar Mick Peet en jij hebben nog vier delen te gaan van jullie biografie. Waarom zouden latere generaties eigenlijk nog geïnteresseerd zijn in Bernhards levensverhaal?

“Omdat hij toch wel een grote rol heeft gespeeld tijdens de oorlog, de wederopbouw en in feite tot zijn dood. Zo ging hij na de oorlog voor het Nederlandse bedrijfsleven op pad naar Zuid-Amerika. Daar heeft hij met hulp van de Nederlandse regering en de nodige steekpenningen orders in de wacht gesleept. Het is maar één voorbeeld uit een hele reeks. Ook heeft hij de Bilderberg-conferentie opgezet en jarenlang geleid. Dat was een netwerk van industriëlen en politici. Nu ben ik niet zo’n aanhanger van complottheorieën dat ik denk dat Bilderberg in die tijd de echte wereldregering is geweest. Zo zwart zie ik het niet. Maar lui als Rockefeller, Kissinger, Angelli van Fiat, Heinz van de tomatenketchup kwamen wel elk jaar in het Bilderberghotel vergaderen onder voorzitterschap van Bernhard. Nou, die hebben toen natuurlijk niet over het weer zitten kletsen.”

Jullie gebruiken Bernhards verhaal meer als het verhaal van de twintigste eeuw?

“Zo kun je dat zeggen. Hij heeft toen iedereen de hand geschud die ertoe deed. Van Hitler tot Kennedy en van Perón tot de sjah van Perzië. Hij was een uitstekend netwerker en een levensgenieter. Bovendien heeft hij waarschijnlijk model gestaan voor James Bond, dus wat wil je nog meer?”

Pardon? Prins Bernhard, licensed to kill?

Ja, zeker! Niet letterlijk natuurlijk. Maar in de oorlog zat hij in Londen, waar hij voor de Britse geheime dienst in de gaten werd gehouden door Ian Fleming. De Ian Fleming die later een dik belegde boterham zou verdienen als de schrijver van James Bond. En het verhaal gaat dat Ian Fleming prins Bernhard gebruikt heeft als model voor James Bond. Dat kan niet iedereen zeggen. (lacht)

Weet je wat de bron is van dat verhaal?

Nee, daar zijn het geruchten en roddels voor. Je kunt een verhaal ook stuk checken. Er zijn ook mensen die zeggen: nee, dat is helemaal niet waar. Feit is dat Fleming en Bernhard elkaar kenden. En er is een James Bond, Thunderball, waarin een graaf Lippe voorkomt (Bernhard stamde uit de adellijke familie Zur Lippe-Biesterfeld, red.). Dus ja, het zou zomaar kunnen. Ik acht het mogelijk.”

Wat vind je eigenlijk van de monarchie als staatsvorm?

“Vreemd genoeg vind ik het niet eens zo heel erg slecht. Want als je kijkt naar de monarchieën die overgebleven zijn: Zweden, Noorwegen, Denemarken, Engeland, Nederland, België, Spanje, dat zijn tamelijk democratische landen. Dus je kunt de monarchie wel afschaffen, maar wat krijg je dan? Elke vier jaar presidentsverkiezingen, zoals dat circus in Amerika. Daar zit ook niemand op te wachten. Dus wat betreft heb ik niet eens zo’n erge hekel aan de monarchie. Maar het is natuurlijk van de gekke dat de regering bestaat uit het kabinet en de koningin. Een staatshoofd op basis van erfopvolging. Dat is toch wel even slikken, als je dat bedenkt.

Maar met zo’n boekje zal je heus niet de monarchie omver stoten. (grinnikt) Bernhard-haters lachen zich er rot om en Bernhard-liefhebbers kopen het misschien om het achterin de tuin te verbranden. Maar die zullen zich heus niet achter de oren gaan krabben: hm, misschien hebben die lui wel gelijk. Nee, het gaat mij puur om het leven van Bernhard. Een boeiend leven. Wat dat betreft heb ik wel spijt dat ik er niet veel eerder aan ben begonnen. Ik ben nu veertig, Bernhard is dood. Eigenlijk had ik nu zo’n beetje deel vijf af moeten hebben.”

Toon Dohmen

websites: www.erikvarekamp.nl en www.agentorange.nl

 

KADER:

Graphic novel

Agent Orange is een kloek stripboek op een traditioneel romanformaat. De eerste twee pagina’s tekende Erik Varekamp nog op een klassiek stripformaat met vier stroken. Maar na het zien van Seths Ventilatoren besloot hij deze om te werken naar de handzamere omvang van drie stroken per pagina. Varekamp: “Toen ik Ventilatoren zag, wist ik meteen: dit is het! Een echte graphic novel. Mensen die niet veel strips lezen kunnen het gewoon naast hun andere boeken in de kast zetten. Bovendien was het ook psychologisch aantrekkelijk: met een kleine pagina ben je eerder klaar dan met een grote. (lacht)” Uiteindelijk zal Agent Orange vijf jaarlijks te verschijnen delen van 52 pagina’s beslaan. Voorzover nu bekend ziet de hele reeks er als volgt uit:

deel 2 - aanloop naar WO II, werk voor I.G. Farben, huwelijk van Bernhard en Juliana

deel 3 - Londen, einde van WO II, Juliana wordt koningin

deel 4 - jaren ’50 en ’60, Hofmans-affaire

deel 5 - jaren ’70 en ’80, Lockheed-affaire, Beatrix koningin, huwelijk van Willem-Alexander en Máxima


KADER:

Ploegen, harken en hard gras

Erik Varekamp wordt geboren in 1964. Na de middelbare school volgt hij de lerarenopleiding tekenen, maar maakt deze niet af. Yves Chaland, het tijdschrift Furore en de elegante reclametekenaars Cassandre en Gruau zijn Varekamps grote voorbeelden. Via Espee-uitgever Ger van Wulften belandt de prille twintiger als assistent op de studio van Gerrit de Jager. Varekamp: “Doorzon zat toen net op zijn hoogtepunt, het was een drukte van je welste. Ik was bijna meer bezig de telefoon op te nemen dan met tekenen.” Via Gerrit de Jager - en na een afgebroken studie aan de Rietveldacademie - start Erik Varekamp in 1986 een dagstrip in het Algemeen Dagblad: S.O.S., gags over schipbreukelingen op een onbewoond eiland. De strip loopt twee jaar, ook in diverse regionale dagbladen, er verschijnen twee bundels in boekvorm. Toch zet de Amsterdammer zijn dagstrip stop. “Het was bij nader inzien niks voor mij. Ik werkte in een soort tuttig cartoonstijltje. De grappen waren voor mij een drama. Dat was - in de termen van Gerrie Knetemann - echt werken, ploegen, harken.” Dankzij een opdracht voor de reclameprijzen Lampjes ontdekt Varekamp dat een realistische stijl hem beter ligt. Daarmee legt hij zich toe op illustratiewerk. “In zo’n realistische stijl kun je meer visuele dingen kwijt. Bijvoorbeeld hoe het licht door een luxaflex op een kop valt. Dat zou je in een normale cartoontekening niet gauw doen. Maar ik beleefde er meer plezier aan.” Vele illustraties voor AD Magazine en Hard gras, reclamebureaus en boekomslagen volgen. Eind 2004 brengt Erik Varekamp samen met Mick Peet alsnog zijn eerste serieuze stripboek uit: het eerste deel van Agent Orange. Gevraagd naar zijn toekomstplannen, zegt de Amsterdamse tekenaar hooguit een stripbiografie over Johan Cruijff te overwegen. “Ik vind voetbal tamelijk leuk en Johan Cruijff biedt een mooi tijdsbeeld. Ik denk niet dat je er vijf delen mee kunt vullen, maar een boek zit er wel in. Maar het is nog te vroeg om echt iets over de toekomst te kunnen zeggen. Ik heb eerst nog vier delen Agent Orange te gaan.”

 
 

meer in ZozoLala 140