De heroïsche alledaagsheid van Grégory Mardon

Grégory Mardon (1971, Arras) is de tekenaar van het pas bij uitgeverij Dupuis verschenen Incognito, een van de beste albums van dit voorjaar. Incognito is een beklemmend verhaal waarin de auteur een aantal gekwelde maar tevens herkenbare en alledaagse figuren ten tonele voert. Stuk voor stuk verlangen ze naar een ander leven, een leven met intense emoties.
Hiervoor publiceerde Mardon Lijf om lijf, een complex familieverhaal met als opvallende ingrediënten het anonieme leven in de grote stad, plastische chirurgie en het ermee samengaande verlangen naar schoonheid en jeugdigheid, drugs, seks en - hoe kan het ook anders - de zoektocht naar liefde en geluk.
Eerder werk van Mardon is nooit vertaald. In 2002 publiceerde hij bij Éditions Cornélius het ongewone boekje Cycloman. Op een script van Charles 'Meneer Johan' Berbérian laat Mardon een superheld à l'américaine opdraven die, zoals het een superheld betaamt, de meest bizarre avonturen beleeft. Mardons debuut uit 1999, Vagues à l'âme, werd bekroond met de De Leeuw-prijs. Vagues à l'âme is een zeemansverhaal met een hoog 1001-nacht gehalte, waarin de omzwervingen van Mardons grootvader over de wereldzeeën op een poëtische manier worden beschreven. De toon die Mardon in dit boek hanteert, is erg direct en verraadt de tederheid die deze jonge auteur voor zijn grootvader koestert. We spraken Grégory Mardon in Brussel, bij de presentatie van zijn nieuwste album.

Mardon: "Incognito gaat over een aantal personages van een jaar of dertig die zichzelf geconfronteerd zien met enkele van de zelfde thema's als in Lijf om lijf: mensen die een banaal leven leiden, maar die dromen van een buitengewoon spannend bestaan. Eigenlijk is Incognito zo'n beetje een verlenging van Lijf om lijf. Je komt er Jean-Pierre en Cyril weer in tegen, dezelfde figuren. Maar anders dan in Lijf om lijf, een boek met een heleboel verhaallijnen die door elkaar lopen en op het einde samenkomen, is dit een relatief 'eenvoudig' verhaal. Ik wou even afstappen van dat complexe. Lijf om lijf was voor mij afgerond, maar ik was toch wel tevreden met de personages die erin voorkomen, dus ja, die zijn weer van de partij."

Het is ook het eerste deel van een reeks?

"Klopt. Wel wil ik dat ieder album een afgerond verhaal is. Als lezer ben je nu wel verplicht een beetje geduld op te brengen... Om het vervolg te kennen, moet je een half jaar of zelfs een jaar wachten. (lacht) Een oefening in geduld dus! Anderzijds biedt deze manier van werken mij de mogelijkheid een welomlijnd verhaal te maken, met steeds opnieuw een duidelijk einde en een nieuw begin. Het is een grote uitdaging om telkens een variatie op een thema - met dezelfde personages - te kunnen brengen."

Je laat je als stripmaker erg inspireren door film.

"Klopt, films zijn heel belangrijk voor mij. In een film heb je steevast een duidelijke verhaallijn (of net niet!), een begin, een ontwikkeling, een einde. In Incognito zie je Bérénice en Jean-Pierre naar een film van Hitchcock kijken, voor mij de onbetwiste master of suspense. Hitchcock dus, maar ik hou ook veel van Truffaut en David Lynch - dat zijn voor mij regisseurs die vaak heel zwaar op de hand zijn, maar tegelijkertijd ook heel erotisch en spannend werk afleveren. En natuurlijk Fellini, ik vind mijn verhalen - en vooral de vrouwen erin - erg felliniaans. (lacht) Neem Bérénice: voluptueus, maar geen oppervlakkig karakter."

De thema's in jouw albums zijn grofweg de zelfde als die in Meneer Johan: onzekere dertigers in de grote stad. Wat heb je geleerd van je samenwerking met Charles Berbérian?

"In 2000 heb ik met hem Cycloman gemaakt, een samenwerking die voor mij heel belangrijk was. We hebben flink wat gediscussieerd over het project - een scheppingsproces dat zich stap voor stap ontwikkelde en bijgevolg heel leerzaam was. Berbérian schreef het scenario, met acties en dialogen, en ik besliste over de plaatindeling, het perspectief, enzovoort. Met hem deel ik het zelfde universum, een manier om naar de dingen des levens te kijken en de zaken aan te voelen. Vaak gaat mijn aandacht naar wat ik 'persoonlijke beslommeringen' zou willen noemen, dat deel van een personage dat je nu net nooit in de openbaarheid verwacht. En ja, dat deel ik met Berbérian.
Naast Berbérian vind ik het werk van Blutch inspirerend. Hij is voor mij een van de uithangborden van de nouvelle génération van de Franse strip, waarmee ik mij heel erg verwant voel en die bijna allemaal in de L'Association-stal terecht zijn gekomen of er begonnen zijn, zoals Joann Sfar, Edmond Baudoin, Lewis Trondheim..."

Cycloman was het enige album dat je op scenario van een ander hebt gemaakt. De andere albums maakte je alleen. Wat doe je het liefst?

"Moeilijk te zeggen. Het is alleszins anders. Samenwerken met een scenarist is voor mij eerder een ontmoeting, een voortdurende uitwisseling van ideeën, een gezichtspunt dat je deelt en waarover je kunt discussiëren. Ik denk wel dat het me moeilijk zou vallen om met iemand samen te werken die ik nooit in levende lijve zou zien - bijvoorbeeld per fax of telefoon - dat is niets voor mij. Er uitgebreid over kunnen praten vind ik toch wel een basisvoorwaarde. Een concreet gevolg van de samenwerking met Berbérian was niet zozeer te merken op het grafisch of verhalend vlak, maar wel dat ik meer zelfvertrouwen had gekregen. Het bood me de mogelijkheid uit te proberen wat ik wilde uitproberen. Bovendien had ik voor dat experiment ook meteen een klankbord: Berbérian."

Hoe zou je jouw ontwikkeling sinds je eerste boek omschrijven?

"Tussen mijn eerste boek Vagues à l'âme en Incognito zijn er zo op het eerste gezicht niet al te veel gelijkenissen. Ik heb Vagues à l'âme in de allereerste plaats gemaakt met de bedoeling een solide scenario te schrijven en dat vervolgens te verbeelden. Mijn eerste probeersels vond ikzelf te cliché, te middelmatig. Toen heb ik me afgevraagd wat me écht raakte, en wat ik écht zou willen vertellen. En toen ben ik bij het fantastische verhaal van mijn opa beland. Je zou het kunnen omschrijven als het verhaal van een grootvader, door de ogen van een kind, met de 'traditionele' heroïek die daarbij hoort. De kleinzoon hangt letterlijk aan zijn lippen, als hij vertelt over het zwempartijtje tussen de haaien en het varkentje dat in brand schiet. In mijn latere verhalen, Lijf om lijf en zeker in Incognito, is dat naïeve eraf. Het pure heldendom ook, wat niet wil zeggen dat deze figuren in hun leven niet heroïsch zijn - in hun banaliteit zijn ze zelfs heel erg heroïsch en ondernemend! Het raakpunt tussen het begin van mijn carrière en waar ik nu ben aanbeland, is wat je de bescheidenheid van de heroïek zou kunnen noemen."

Niet onbelangrijk, je sleepte met je debuut Vagues à l'âme de De Leeuw-prijs in de wacht. Wat betekende dat voor je?

"In de eerste plaats een bom duiten, wat me toeliet op vakantie te gaan. (lacht) Los daarvan is het psychologisch effect niet te onderschatten: als jonge tekenaar krijg je plots meer respect en dus ook zelfvertrouwen in hetgeen je doet. Ik zei tegen mezelf dat wat ik maakte kennelijk toch niet zo slecht was. Ik had echter niet het gevoel dat deze onderscheiding deuren voor me opende. Destijds publiceerde ik Vagues à l'âme bij een onafhankelijke uitgeverij, in een kleine oplage, in zwart-wit. Maar ja, als debutant viel ik plots op en mijn strips werden gelezen. En dat was prettig - ik werd gehoord. Persoonlijk vind ik het belangrijk te weten dat de lezers appreciëren wat ik maak. Wanneer ik bijvoorbeeld signeersessies houd, dan krijg ik nog vaak complimentjes voor Vagues à l'âme. Ik heb trouwens ook enkele brieven gekregen van oudere mensen naar aanleiding van dat boek. Mensen die ongeveer hetzelfde hebben meegemaakt na de oorlog, de pieds-noirs of mensen die in de marine hebben gediend. In de andere verhalen vindt mijn publiek zichzelf ook terug, de wat men in Frankrijk de adulescents noemt, die leeftijdsgroep tussen adolescenten en volwassenen (adultes). Ja, voor die groep is het heel herkenbaar wat ik schrijf."

Je tekenstijl ziet er bedrieglijk eenvoudig uit.

"Die stijl is het resultaat van zeg maar 'al het voorgaande'. Eerst heb ik vier jaar in Doornik aan de Academie voor Schone Kunsten gestudeerd, waar ik als jongeman een hele verscheidenheid aan stijlen ontdekte. Ik geef toe dat ik als jongere een eerder klassieke leesvoorkeur had, met Kuifje, Asterix en Lucky Luke als voornaamste helden. Maar in Doornik ging er een heel nieuwe wereld voor me open, met onder anderen Blutch, die trouwens ook een heel sterke impact had op de rest van de klas. Verder bestudeerde ik ook alle 'nieuwe strips' die ik onder ogen kreeg, maar ook schilders en grafici die niet noodzakelijkerwijze iets met strips te maken hebben, zoals Gustave Doré of Gustav Klimt. Ik hou dan ook erg van musea. Je vindt me er weliswaar niet elke zondag, maar ik probeer toch geregeld een museumpje mee te pikken. Naast schilders ben ik verzot op fotografie. Helmut Newton bijvoorbeeld, die het uitgesproken 'chique' met het meest vulgaire weet te verzoenen. Maar ook Weegee, een fotograaf die rampen, branden en auto-ongevallen fotografeerde, lang voor de politie arriveerde. Zaken die somber en tegelijkertijd smaakvol in beeld zijn gebracht, en dat in het spreekwoordelijke vuur van de actie."

Maar die eenvoudig ogende stijl, hoe heb je die ontwikkeld?

"Mijn tekenstijl lijkt alleen maar eenvoudig. De moeilijkheid schuilt er precies in om de meest eenvoudige en heldere, gesynthetiseerde tekening te maken. Hiervoor moet je zaken weglaten, al het overbodige overboord zetten en enkel het essentiële behouden. Als tekenaar vind ik het een uitdaging om een samenvatting te maken van iets wat behoorlijk complex is. En dat desondanks eenvoudig én erg elegant op papier te krijgen. Mijn manier van werken is dan ook heel simpel - althans op het eerste gezicht. (lacht) Ik maak een scenario, ik verdeel het over de verschillende pagina's en als dat klaar is, werk ik ze uit. Na de pagina's volgen de individuele tekeningen. Dat is een heel geconstrueerde, haast strenge en klassieke methode, maar voor mij werkt het. Het staat wel haaks op hoe mijn tekenstijl op het eerste gezicht oogt, namelijk dat alles spontaan tot stand komt. Maar in feite is dat spontane het resultaat van een zoektocht. Ik zoek naar dat frisse. Soms krijg ik een ingeving en dan verloopt alles heel snel. Dan valt alles onmiddellijk op zijn plaats! Maar als je naar het spontane zoekt, is het vaak weg."

Deel je de zelfde, haast cynische levensvisie met jouw personages?

"Ik woon zelf in Parijs en dat weerspiegelt zich zeker in de verhalen die ik vertel. Als ik op het platteland had gewoond, dan denk ik niet dat ik dit soort verhalen zou kunnen vertellen. Ik vertel natuurlijk niets nieuws, maar ik ben soms echt gechoqueerd door de anonimiteit waarin mensen in de grote steden leven. Ik ken m'n buren niet. In het gebouw waar ik woon, zijn er mensen die aarzelen om de gang op te gaan als ze iemand anders horen... Ik vind dat vreemd en paradoxaal, want precies in de steden vind je zo'n massa mensen bij elkaar, maar veel contact hebben ze niet. Je kunt in je appartement doodvallen, en niemand heeft iets door - iets wat ondenkbaar is op het platteland.
Anderzijds is het in de stad ook niet enkel kommer en kwel; er is een onvoorstelbare dynamiek. Parijs is een heus openluchtmuseum, waar geen enkele dag gelijk is aan de andere. Wanneer ik de tijd neem om in Parijs rond te fietsen, dan ben ik altijd gecharmeerd door de stad. Nergens heb je zoveel beweging, zoveel leven, zoveel dingen die gebeuren. Parijs is trouwens vrij nadrukkelijk aanwezig in mijn werk. Het is 'het kader' dat mij omringt, zeg maar één groot tableau vivant. Als ik in pakweg Tunis zou belanden, zou Tunis misschien wel het decor van de gebeurtenissen zijn."

Maar geloof je in goede menselijke relaties? Want in je boeken schets je er geen vrolijk beeld van.

"Als je mijn verhalen leest, zou je kunnen denken dat ik een heel pessimistisch mensbeeld heb, zeker in Incognito. Maar ik wilde juist iets macabers maken, iets naargeestigs: de binnenkant van een appartement, de traagheid van de tijd die er heerst. Precies die ongrijpbare sfeer wilde ik beschrijven. Maar ik ben niet van nature melancholiek of cynisch. Ik leef in een soort staat van actie-reactie. Na iets vrolijks komt iets droefs, en omgekeerd. Het volgende verhaal wordt een 'terugkeer naar het licht'! Al moet ik toegeven dat deze manier van schrijven niet altijd een heel bewust gebeuren is. Achteraf, wanneer het album voor je ligt, is dat makkelijker te analyseren."

Berbérian heeft het over "een onscheidbare band tussen zijn privé-leven en zijn albums". Geldt dat ook voor jou?

"Dat klopt wel ten dele ja, al ga ik niet helemaal met hem mee. Een kunstenaar legt heel veel van zichzelf in zijn werk, maar het blijft fictie. Berbérian heeft in zoverre gelijk dat een artiest het voornamelijk over zichzelf heeft, over zijn leven, of over de tijd waarin hij leeft en de mensen die zijn pad kruisen. Tussen de realiteit en het verhaal functioneert een kunstenaar als filter, als tussenpersoon. Het is dus niet meer dan normaal dat er elementen van je privéleven insluipen. Je kunt dus stukjes van mijn leven ontdekken in mijn albums. Maar het zou overdreven zijn te stellen dat ik Jean-Pierre ben! (lacht) Een tekenaar interpreteert, vergroot uit, selecteert. Mijn inspiratie komt deels ook wel uit de dagelijkse realiteit, de dingen die ik beleef, maar daarna bewerk ik die ideeën. Het doel van die verhalen is mensen te ontroeren, te verrassen. Ik wil niet zomaar verhaaltjes vertellen! Zo bestaat tegenwoordig de mogelijkheid je lichaam volledig te verbouwen en de schijn te wekken van de eeuwige jeugd, een van de onderwerpen die ik beschrijf. Ik probeer slechts de mensen een spiegel voor te houden. Als de lezer nadenkt na een van mijn albums uit te hebben, ben ik al dik tevreden. De hedendaagse lichaamscultus vind je in beide albums. Die is trouwens ook heel erg eigen aan Parijs - nota bene de modehoofdstad. Hoe je voor de dag komt, hoe je je kleedt, je kunt er in de westerse maatschappij niet aan ontkomen: je moet er lekker en sexy uitzien, dát is de boodschap die je via de media ingeprent krijgt! Neem nu Bérénice. Zij zou in onze maatschappij kunnen worden omschreven als een 'koe met dikke borsten'. Maar ik vind haar juist heel aantrekkelijk en sensueel."

Maar waarom zijn alle relaties die je beschrijft zo ongelukkig?

"Er is niets zo moeilijk als over 'het geluk' te vertellen, zonder in banaliteiten te vallen. Persoonlijk heb ik geen uitgesproken pessimistische kijk op de menselijke relaties, maar als auteur en tekenaar is het verdriet een stuk makkelijker en interessanter." (lacht)
Roel Daenen

1= Fransen die in Algerije woonden en die na de onafhankelijkheid van dat land massaal terugkeerden naar Frankrijk.

Bibliografie Grégory Mardon:

· Bij Dupuis:
- Lijf om lijf
- Incognito, deel 1: Volmaakte slachtoffers

· Bij Les Humanoïdes Associés
- Vagues à l'âme
- Tohu revue (collectief)

· Bij Editions Cornélius
- Cycloman (met Berbérian)