|
Marcel
Ruijters: 'Clichématigheid lijkt wel in tegenwoordig'
Met Sine qua non laat Marcel Ruijters weer eens van zich horen. De koning van de mutanten en rottend vlees heeft zich in zijn nieuwste boek gestort op de Middeleeuwen. In acht korte verhalen schetst hij een wereld waarin naïeve nonnetjes het moeten opnemen tegen heidense boswezens, alruinmannetjes, manticora’s en andere fabeldieren. De bloederige confrontaties die het oeuvre van Ruijters kenmerken, worden in Sine qua non opgevrolijkt met Latijnse citaten en aanroepingen die aan het eind van het boek worden uitgelegd.
Waar komt je voorliefde voor Latijnse liturgie vandaan?
„Nou, in ieder geval niet van mijn Limburgse achtergrond. Ik ben nooit misdienaar geweest, of zo. Ik kom uit een ongelovig gezin. Wel heb ik in Sittard een paar jaar een atelier gehuurd in een oud klooster. Mijn medehuurders geloofden oprecht dat het er spookte en dat ze de nonnetjes nog konden horen. Maar ik ben wel altijd gefascineerd geweest door de katholieke beeldcultuur: veel groteske, bloederige afbeeldingen! Dan ben je bij mij aan het goede adres.
En wat het Latijn betreft: op latere leeftijd krijg je vaak interesse voor dingen die je niet op school hebt gehad. Ik wilde destijds niet naar het gymnasium, omdat ik mijn tijd liever aan tekenen besteedde dan aan klassieke talen. Latijn wordt vooral gebruikt om gewichtig te doen. Eerst door de kerk, later door de wetenschap. Ik vond het leuk om daar mee te spelen. Je hoeft het maar een klein beetje uit zijn context te halen of het wordt al grappig. Dat heb ik gedaan in Sine qua non. Door de Latijnse teksten wordt het erg koddig.”
Hoe is Sine qua non ontstaan?
„Een tijdje geleden raakte ik gefascineerd door de alchemistische leer, een soort gemankeerde visie op scheikunde en filosofie. Afbeeldingen uit alchemistische boeken zijn rebussen met een geheime code. Heel surrealistisch. Het prikkelde mijn verbeelding. Middeleeuwse afbeeldingen zijn vaak religieus. Ze zitten barstensvol symboliek. Ieder dier is een fabeldier en staat voor iets anders. Veel religieuze en alchemistische symbolen heb ik uit elkaar gehaald en met het begrip van een onwetende 21e-eeuwer weer in elkaar gezet en zodoende nieuwe beelden geschapen. Voor mij ligt Sine qua non in het verlengde van mijn vorige werk. Je kent mijn voorliefde voor Siamese tweelingen. Eigenlijk ben ik van mutaties in vlees naar mutaties in beeld gegaan. Het enige grote verschil met Troglodytes is dat de personages in Sine qua non volkomen a‑seksueel zijn. Was de voortplanting in mijn vorige strips tamelijk dierlijk, nu vindt die plaats op esoterische wijze.”
Je tekenstijl is strakker geworden.
„Ik was ook echt op zoek naar iets anders. Ik was de grijstinten van Troglodytes zat. Al langer ben ik gecharmeerd van Middeleeuwse plaatjes. Ik experimenteerde wat met de stijl van laat-gotische gravures uit de 13e/14e eeuw. Dat zijn veel strakke lijnen. Op een gegeven moment besloot ik die stijl aan te wenden voor mijn strips.”
Dus je hebt definitief afscheid genomen van de rasters?
„Ouderwetse plakrasters worden amper nog verkocht, omdat de meeste tekenaars het rastereffect in hun strips zelf maken met de computer. Voor Troglodytes heb ik daarom zelf rasters op papier laten drukken. Daar tekende ik op en wat wit moest worden, verfde ik. Noodgedwongen heb ik de techniek dus omgedraaid. Maar bij Troglodytes raakten de verhalen op. Het is met strips net als met popmuziek: veel bandjes maken een goede debuutplaat, daarna nog één of twee aardige albums waarna het bergafwaarts met ze gaat. Ermee stoppen durven ze niet. Maar als je niet aan commerciële belangen gebonden bent, moet je gewoon eerlijk zijn en zeggen dat het tijd is voor iets anders. Daarom zal het derde boek van Troglodytes, dat hopelijk nog steeds een keer wordt uitgegeven door Oog & Blik, denk ik ook het laatste zijn.”
En heb je ook afscheid genomen van Dr. Molotow?
„Nadat uitgeverij De Schaar failliet ging, kwam de reeks stil te liggen. Het was voor mij een heel vervelende periode, maar op een gegeven moment heb ik het allemaal maar opgevat als een teken dat ik iets anders moest gaan doen. Dat is toen Troglodytes geworden. Maar Dr. Molotow is voor mij niet dood. Thuis in de la heb ik inmiddels een afgerond zesde deel liggen. Ik moet er nog mee leuren bij wat uitgevers. Ik kan die strip niet loslaten. Sinds ik de personages destijds tot leven heb gewekt, vertellen ze me voortdurend hun verhaal.”
Je maakt sinds Dr. Molotow alleen nog maar korte verhalen. Waarom?
„Omdat dat praktischer is. Korte verhalen kun je makkelijker aan tijdschriften aanbieden. Bladen stellen meestal wel een limiet aan de strips die ze plaatsen: maximaal een dozijn pagina's. En daarnaast is het ook prettig om korte verhalen te maken. Bij een strip van twaalf pagina’s kan ik voor mezelf beter de spanning erin houden. Ik hoef mijn concentratie niet een jaar lang vast te houden, zoals wanneer ik aan een traditioneel verhaal van 48 pagina’s werk. Bovendien moet ik dan tussendoor ook aandacht besteden aan andere dingen, zoals mijn betaalde opdrachten en mijn redacteurschap voor Zone 5300. Het autisme dat je nodig hebt om je volledig aan een lange strip te kunnen wijden, ontbreekt daardoor bij mij. Het is makkelijker wanneer je financieel onafhankelijk bent en je nergens anders mee bezig hoeft te houden.”
Je strips van de laatste jaren zijn allemaal tekstloos, in het Engels en nu dus Latijn, zodat je werk ook interessant is voor de buitenlandse markt. Werkt dat?
„Dat is lastig te zeggen. Troglodytes is in de Verenigde Staten verschenen bij Top Shelf, maar ik heb geen idee in welke oplage en of het goed verkoopt. Ik heb er wel reacties op gekregen van Amerikaanse lezers die zeggen fan van me te zijn. Maar de Amerikaanse markt moet je niet overschatten. Eigenlijk bestaat die alleen uit Californië en de Oostkust. Alles daar tussenin is woest en leeg wat strips betreft.”
Sine qua non is bij de Franse uitgever L’an 2 verschenen. Hoe is dat gegaan?
„Toen ik het af had, nu een jaar geleden, heb ik een dag in de kopieerwinkel gestaan en dummy’s rondgestuurd naar alle Europese uitgeverijen waarvan ik dacht dat mijn werk in hun fonds zou passen. Ik had het nog aan niemand laten zien, dus dat was wel spannend. Thierry Groensteen van L’an 2 mailde me direct om te zeggen dat hij het wilde uitgeven. Het voordeel van Groensteen is dat hij van oorsprong een Belg is, waardoor hij oog heeft voor wat er allemaal aan strips gemaakt wordt in de lage landen, in tegenstelling tot veel andere Franse uitgevers. Oog & Blik heeft de Nederlandse editie laten meedrukken.”
Geniet je nog evenveel van het tekenen van strips als tien jaar geleden?
(Is enige tijd stil) „Ik denk het wel. Maar het Umfeld is wel erg veranderd. Zo zijn de marktomstandigheden sterk verslechterd. Destijds kon ik nog vrij gemakkelijk een uitgever vinden voor een strip als Dr. Molotow. Nu niet. Uitgevers zeggen dat een strip niet meer verkoopt als het geen mainsteam is. En de interesse van het publiek is ook veranderd. Ik begrijp de interesse voor genres als manga niet. Enkele goede voorbeelden daargelaten, zoals het werk van Suehiro Maruo, is het van een stuitende eenvormigheid. Wat afwijkt, wordt niet meer gewaardeerd. Dat zie je ook aan de interesse van veel beginnende tekenaars. Ze kopen cursusboeken cartoon- of mangatekenen in plaats van dat ze zelf een eigen stijl ontwikkelen. Het lijkt wel of clichématigheid in is tegenwoordig. In Nederland zijn er nog maar weinig jonge striptekenaars die écht hun eigen ding doen, zoals Milan Hulsing of Benno Vranken dat na al die jaren nog wel steeds doen. Maar het lijkt wel of de jeugd het niet meer oppikt.
Ik heb altijd een klein publiek gehad en geweten dat het niet makkelijk zou zijn als striptekenaar. In zoverre ben ik niet teleurgesteld. Ik verwacht niet dat ik ooit zal kunnen leven van mijn strips. Waar ik van geniet, is dat ik zie dat ik progressie maak als stripmaker. Dat het opzetten van een compositie minder tijd kost, dat ik merk dat ik het vakmanschap in de vingers krijg.”
Heb je nooit aan stoppen gedacht?
„Nee. Maar nu heb ik ook het leven waarbij ik dit kan doen. Iemand als Berend Vonk, met afstand de meest getalenteerde stripmaker van Nederland, heeft een hoop kinderen te voeden en heeft zich op illustraties en cartoons gestort omdat er nu eenmaal brood op de plank moet komen. Ik hoef dat niet en kan genoegen nemen met zo nu en dan een betaalde opdracht en de rest van mijn creativiteit uiten op een manier die me voldoening geeft. Ik begrijp dat anderen na verloop van tijd hun creativiteit liever in andere dingen steken. Lian Ong heeft dat gedaan. En ik kan natuurlijk niet in de toekomst kijken. Misschien kap ik er over tien jaar ook wel mee. Maar ik kan me mijn leven voorlopig nog niet anders voorstellen dan zo het nu gaat. En hé, ik heb net een nieuw boek uit! Sine qua non is mijn eerste luxe uitgegeven boek in het buitenland. Voor mij is dit een grote stap voorwaarts.”
Tien jaar geleden gaf je je werk nog in eigen beheer uit. Je hoefde aan niemand concessies te doen. Gaf dat je niet meer artistieke vrijheid?
„Integendeel, ik heb nu juist meer vrijheid. Begin jaren ’90 was ik de helft van mijn tijd kwijt aan het beantwoorden van post, nu heb ik veel meer tijd om te tekenen. En ik heb nog nooit een concessie aan een uitgever hoeven doen. Waarmee ik niet wil zeggen dat ik compromisloos ben overigens. Ik heb in al die jaren vaak te horen gekregen dat mijn werk zo ontoegankelijk is. Dat doet me wel wat. Ik neem mijn vak serieus. Daarom ben ik bij het maken van een strip meer rekening gaan houden met de vraag of mijn verzinsels nog wel te volgen zijn voor de lezer. Niet dat ik op mijn hurken wil gaan zitten. Ik zal nooit mainstream werk gaan maken. Ik teken de verhalen die ik wil tekenen. Strip heeft als medium grote voordelen boven bijvoorbeeld film, waarbij je vastzit aan de tijdlijn. De lezers kunnen altijd nog terugbladeren als zij iets niet begrijpen.”
Hans van Soest
|