"Gij met uw drie vakjes"
Nix op de pechstrook van de actualiteit

"Et saucisse en fransais!" melden de zusjes Kinky & Cosy trots. Oftewel: "En nu ook in het Frans!" Dit voorjaar verscheen hun eerste Franstalige album bij Le Lombard, onder de titel C'est encore loin? Tegelijk daarmee verscheen de (gewijzigde) herdruk van het eerste Kinky & Cosy-album, Is het nog ver? uit 2001. Niet bij Le Lombard, zoals wellicht te verwachten viel, want stripmaker Nix besloot trouw te blijven aan zijn Nederlandse uitgever Silvester. Dat leidt tot de licht merkwaardige situatie dat een door en door Vlaamse strip als Kinky & Cosy in eigen land nauwelijks verkoopt, maar in Nederland des te meer. 't Is een van die kleine absurditeiten waaraan Nix' loopbaan rijk is: hoe een voormalig directielid van Belgacom het schopte tot striptekenaar.

Het begin van het verhaal is overbekend: een milieu zonder artistieke aspiraties en ouders die vinden dat zoon Marnix Verduyn eerst maar eens een fatsoenlijk vak moet leren. Zoals zijn vader, die scheikundige is. Een zoon die het daarmee niet helemaal oneens is. Weliswaar heeft hij altijd stripjes getekend, maar wel met het idee dat wat hij maakte niets voorstelde. "Ik ging lekker werken, net als iedereen." Op de middelbare school had hij zelf een schoolkrant opgericht en daarvoor de naam Geen commentaar bedacht. Tot zijn tevredenheid hoorde hij onlangs dat de krant nog steeds bestaat. De kunst was de kopij net voor de deadline in te leveren, zodat de leraar Nederlands die als 'verantwoordelijk uitgever' fungeerde, niet meer de tijd had om de inhoud van de krant terdege door te nemen. "Mijn punten Nederlands vertoonden een dalende lijn. Ik kon zo op een grafiek uitzetten wanneer ik gebuisd ging worden. Mijn vader zei: jongen, het wordt tijd dat je ermee stopt."

Nadien ging hij in Leuven voor Burgerlijk Ingenieur studeren (in Nederland vergelijkbaar met respectievelijk Gymnasium-Bèta en de studie Civiele Techniek, red.). Hij kwam al snel terecht bij het studentenblad Veto, een kweekvijver voor talent en een leerschool voor de media, waar ook veel journalisten van de linkse krant De Morgen het vak leerden. Hij tekende strips voor het blad, zoals Café du Commerce, over een mannetje dat met een pint in de hand aan de toog zit en de wereld van commentaar voorziet. Een stopgag van telkens vijf plaatjes, want dat was voorzover hem bekend nog niet eerder vertoond.

De studie zelf beviel hem goed: "Het geeft een kick om wiskunde, natuur- en scheikunde te begrijpen. Opeens past alles in elkaar. Ze leren je dat er niets is dat je niet begrijpen kan: een ingenieur lost alles op. Ik heb nog altijd wel enig profijt van die opleiding, in zoverre dat ik geleerd heb een probleem te overzien en te analyseren. 't Is misschien flauw om te zeggen, maar een scenario is ook een soort vraagstuk. Schrijven is puzzelen. Dingen moeten kloppen. Waarom werkt een personage op deze manier wel en op een andere manier niet? Ik heb me achteraf afgevraagd of ik er meer profijt van zou hebben gehad als ik naar een kunstschool was gegaan. Ik denk het niet. Je wordt daar erg van de wereld afgeschermd. De ingenieursstudie is voor mij vooral een vorming geweest, en ik ben blij dat ik het gedaan heb. Zoals ik ook blij ben dat ik legerdienst heb gedaan, hoewel het een afstompende periode was."

Gasmasker
De kennismaking met het leger was een leerschool voor de cartoonist in spe, een wereld met eigen regels die zich aan de rest van de maatschappij weinig gelegen liet liggen: "Ik heb natuurlijk eerst mijn training gehad, zoals iedereen. Een putje scheppen en erin gaan liggen, met een gasmasker op honderd meter lopen, dat soort dingen. Daarna kwam ik in een hangar te werken waar schrijfgerei werd verstrekt. Het hele jaar zag ik niemand, behalve in september wanneer iedereen schoolspullen voor zijn kinderen kwam halen. Ik vulde mijn dagen met strips tekenen. Ik zag daar ook hoe officieren onder elkaar van alles regelden. Ze hadden bijvoorbeeld een geheime kamer ingericht in het gebouw, waarvan alleen zij de deur wisten terug te vinden. Soms kwam er, zomaar op een domme dinsdagmiddag, een privé-kok om voor hen te koken, en dronken ze zich lazarus met drank die gekocht was met zwart geld van het leger."

Na zijn legerdienst kwam hij als ingenieur in dienst bij Belgacom, de nationale telefoonmaatschappij. Zijn eerste standplaats was Hasselt, in Limburg: "Ik had geen idee wat ik daar moest gaan doen. Belgacom was toen nog een technisch overheidsbedrijf. Dat betekende dat je als ingenieur meteen in de leiding werd gekatapulteerd, wat natuurlijk strijdig is met alle managementslogica. Ik had honderd man personeel onder me en moest leiding geven aan het kabels leggen in heel Limburg. Daarvoor beschikte ik over een enorm budget, en ik had tegelijkertijd tien aannemers die voor me werkten. Ik moest plannen goedkeuren en de baan op om het werk van die aannemers te controleren. Het ging er nog heel ouderwets aan toe. Ik wist nooit wanneer het budget van zo'n aannemer op was, want alles gebeurde nog op papier. Dagverslagen legden zo'n lange weg af dat ze mij pas na twee maanden bereikten. Dat wisten die aannemers natuurlijk en ze hadden altijd wel een excuus om hun budget te overschrijden. Daardoor waren er steevast tekorten."

Pulp
Toen hij in dienst van Belgacom kwam, stopte hij met striptekenen: "Ik dacht: dit wordt nooit wat. 't Is een hobby, laat maar. Wel ben ik in de avonduren naar de academie gegaan. Ik ga 'ns leren tekenen, dacht ik, dat kan misschien geen kwaad. (lacht) Ik had dat twee jaar gedaan toen ik werd opgebeld door iemand van De Standaard, die zei: 'Dat stripje dat jij destijds voor Veto maakte, willen wij graag in de krant hebben.' Ik schrok daar enorm van. Een van de grootste kranten van Vlaanderen wilde mijn strips publiceren!"

Het gaf hem de moed een jaar later zijn diensten aan te bieden bij De Morgen, waar hij aan de slag kon bij Mix, de jongerenbijlage die op woensdag verscheen en geleid werd door Karl van den Broeck: "Hij had het geweldige idee daar zo veel mogelijk Vlaams tekentalent bij te betrekken. Je kon er meteen aan de slag: een cover tekenen, illustraties maken. De lat lag niet zo hoog. Tegelijk met mij is Kim Duchateau daar begonnen, en Ilah. Zeker in het begin was het een blad met punch, scherpe interviews. Later is dat verwaterd. Na een maand of vier sprak Karl mij aan: 'Ik heb het plan een strip te maken over onze baas, Yves Desmet. Ief de Chief moet dat gaan heten en jij gaat het tekenen.' Waarom ik?, dacht ik nog. Hij had van mij nog niets gezien, alleen een paar slecht getekende omslagen. Het was ook min of meer toeval, gaf hij later toe. Karl had het hoogst ambitieuze plan om de strip zelf te schrijven, maar daar had hij helemaal geen tijd voor. Het kwam er in de praktijk op neer dat we op onregelmatige basis naar het café gingen, waar hij een paar roddels over de redactie vertelde en ik de rest er zelf bij verzon. Maar ook daarvan moet ik achteraf zeggen dat het vooral een leerschool was. Het is natuurlijk magnifiek om elke week een pagina te mogen vullen. En ik krijg nog altijd veel reacties op Ief de Chief. Wat me verwondert. Het is pulp, dat heb ik ook altijd gezegd: een wegwerpstrip. Het stak ook niet zo nauw, het hele blad rook naar experiment en labo. Doe je ding maar. En waarschijnlijk was het goed genoeg, anders had ik niet zo lang door mogen gaan. Het stikte van de beginnersfouten, maar dat heb je bij jonge rockgroepen ook, toch? Eigenlijk heb ik pas sinds Kinky & Cosy het idee dat ik weet waar ik mee bezig ben."

Drie jaar lang leidde hij een dubbelleven: overdag ingenieur bij Belgacom, 's nachts cartoonist en striptekenaar. Uiteindelijk werd het hem te veel. Hij besloot te kiezen voor wat hij altijd al had willen doen. Hij had een mooi diploma op zak. Als het met tekenen niets werd, kon hij daar altijd nog op terugvallen. Net als zijn legerdienst was zijn tijd bij Belgacom op z'n minst een leerrijke ervaring geweest: "Je moet zoiets meemaken om een stuk van de wereld te snappen. Je kunt zoveel verbeelding hebben als je wilt, je mag nog zoveel lezen, je weet het pas echt als je het zelf hebt meegemaakt."

Pechstrook
Kinky & Cosy ontstond min of meer als reactie op Ief de Chief, een toegepaste strip waarvan de personages een beperkte houdbaarheid hadden omdat ze alleen bekend waren bij de vaste lezers van de krant. Op zoek naar eigen personages bedacht hij de tweeling Kinky & Cosy wier namen meteen ook de trefwoorden waren die hun wereld omschreven. Hun belevenissen verschenen in De Morgen (1998-2001) en Het Nieuwsblad (2001) en sinds twee jaar hebben ze een vaste plaats in de weekendbijlage van het Algemeen Dagblad.

"Ik koos voor een tweeling, om de scenaristische reden dat ik dan een personage had dat tegen zichzelf kon praten. Mijn sterrenbeeld is Tweelingen, en ik ben opgegroeid tussen twee zussen, wat wellicht stof biedt voor een zwik freudiaanse analyses. Verder is alles wat je schrijft altijd voor een groot stuk autobiografisch. Kinky & Cosy is een vermetele poging om mijn eigen simplistische macho-redeneringen te camoufleren achter het gezicht van twee kleine meisjes. Door een tweeling te gebruiken kan ik ook de gespletenheid in elk van ons zichtbaar maken: de een kan dom zijn, de ander slim, de een kan lef hebben, de ander laf zijn. Kinky en Cosy zijn yin en yang, ze zijn onbevangen en onbevreesd, en ze stellen een hoop vragen die niemand meer stelt. Het lag voor mij voor de hand om meisjes te gebruiken: die hebben zoveel meer gentillesse, meer charme. Ze zijn veel minder direct en toch dringen ze tot de kern door. Ze zijn acht jaar oud. Ik vind dat een leuke leeftijd. Ze leiden een betrekkelijk zorgeloos leven en zijn nog lang geen puber, maar intussen weten ze genoeg om volwassenen te tackelen, die de schijn ophouden de wijsheid in pacht te hebben."

Het gebruik van kinderen als hoofdpersoon biedt als voordeel, dat je ze de wereld van volwassenen kunt laten doorzien zonder dat ze er zelf deel van uitmaken. Ze zijn nog niet gecorrumpeerd. "Voilà. Ik sta zelf ook op de pechstrook van de actualiteit naar de passerende auto's te kijken. Je moet afstand kunnen nemen, ook van jezelf. Zelfspot is onmisbaar voor een cartoonist, en niet alleen voor hem. Het is als fitness, iedereen zou er op regelmatige basis moeten aan deelnemen en de werkgever zou dat moeten stimuleren. De opkomst van extreemrechts is onder andere te wijten aan een gebrek aan zelfspot, maar laten we daar niet verder op ingaan."

Nix heeft wel het gevoel dat Kinky & Cosy in de loop der jaren veranderd zijn. "Ze zijn veelzijdiger geworden, minder stereotiep. Maar in het begin weet je nog niet wie die personages zijn, hè? Je moet ze eerst leren kennen, en dat kost tijd. In het begin lachte Johan (de Moor, collega-docent aan Sint Lukas, waarover straks meer, red.) me steeds uit: 'Gij met uw drie vakjes.' Op een keer zaten we op de Oude Markt in Leuven, al redelijk aangeschoten, en ik zei: 'Volgende week ga ik met vakantie. Ik heb mijn scenario's uitgeschreven maar ik heb geen tijd meer om ze te tekenen.' En Johan: 'O, dat zal ik wel doen voor u.' De volgende dag belt hij me: 'Ik weet wat ik beloofd heb, ik kan het bijna niet halen maar ik ga het toch doen.' Hij heeft twee weken lang de strip voor Het Nieuwsblad gemaakt, en daarna heeft hij me nooit meer uitgelachen. 'Een dagstrip is hondsmoeilijk,' gaf hij toe. Je moet met heel weinig heel veel doen."

Hollandse zever
Langzaamaan is rond de tweeling een hele wereld ontstaan, waar personages bijkwamen en weer afvielen. Gevraagd naar zijn favoriete bijfiguren noemt Nix meteen de maffiose burgemeester Triljoen: "Hem kan ik zo in het leger situeren. De perfecte Belgische manager die alle zaakjes naar zijn hand weet te zetten. We hebben hier in Aarschot een perfect voorbeeld: onze burgemeester is aangeklaagd wegens fraude. Zijn vergaderingen houdt hij liefst in de Poco Loco, een tettenbar een paar straten verderop. Drie uur vergaderen met een eindafrekening van duizend euro, want een cola kost daar al twintig euro. En ik ga er niet van uit dat die mannen cola drinken. Zo straf kun je het niet verzinnen. Toen ik dat in de krant las, dacht ik: yes! Zoiets is Triljoen op het lijf geschreven."
In zoverre heeft Kinky & Cosy, ondanks alle absurdisme, ook realistische kanten. "Kinky & Cosy is mijn wereld nu, of zoals ik die zie. Er zijn bepaalde regels waar ik me aan hou. Kinky & Cosy bedrijven bijvoorbeeld geen seks, want dat doet een achtjarige niet. En er komen ook geen pratende dieren in voor, daar hou ik niet van. Het blijft geënt op de realiteit. Er kan een vrouw in voorkomen die de lucht inschiet op een raketachtige vibrator, maar daarvan denk ik: dat zou technisch nog wel kunnen." (lacht)

Met zijn alledaagse surrealisme past Kinky & Cosy in een typisch Vlaamse traditie: bevreemdend, en toch met een zekere gemoedelijkheid. "Ik voel me verwant met gasten als Pieter de Poortere, Jeroom, Bart Schoofs, Kim Duchateau. Niet met Nederlandse tekenaars. Mijn favoriete strip is Dirkjan, maar da's een ander genre. Ik moet er erg om lachen, maar zou zoiets zelf niet kunnen maken. De Vlaamse traditie is absurdistischer. Ik denk dat het eraan ligt - en als die theorie ooit afgeschoten wordt, duik ik onder - dat wij door de eeuwen heen een onderdrukt volk zijn geweest. Humor was onze uitlaatklep omdat we altijd wel door iemand op onze kop werden gezeten. Laatst nog door jullie Hollanders. In Groot-Brittannië heb je dat ook: humor als verzet van de lagere klassen tegen de hogere klassen. Als ik mijn strips aan Franse uitgevers toon, worden ze vaak omschreven met de term décalé: uit de toon vallend. Zij vinden het zelfs Angelsaksisch."

Als onvoorwaardelijke fan van Ben Elton, Glen Baxter, Gary Larson en andere Angelsaksische grapjassen, vindt Nix dat geen belediging. "Maar ik ben net zo goed een liefhebber van Gotlib of Jean-Pierre Jeunet. Al denk ik dat mijn eigen werk meer aanleunt bij het eerste soort. Ik heb een voorkeur voor onderkoelde humor in schijfjes, op een bedje van ironie met een sausje meligheid. Ik ben zeker ook schatplichtig aan Van Kooten en De Bie. Daar mochten wij als kind op een gegeven moment niet meer naar kijken. 'Die Hollandse zever komt hier niet meer in huis!', vond mijn vader. Maar als hij even niet oplette, keken wij op zondagavond naar Keek op de week. Fantastisch vonden we dat."

Bij de verschijning van C'est encore loin? bemerkte hij eens te meer dat Fransen een ander gevoel voor humor bezitten dan Vlamingen en Nederlanders. Vrijblijvender, minder confronterend. Provoceert u bewust, vroeg een Franse interviewer hem. Een vraag die hem overrompelde: "Ik provoceer helemaal niet. Als iemand zich door Kinky & Cosy gekwetst voelt, is dat zijn probleem. Al moet ik erbij zeggen dat een mop natuurlijk pas echt goed is als ze iemand raakt, zelfs op een pijnlijke manier. In het zuiden is men inderdaad nogal flauwe humor gewend. Veel blabla en la tarte au visage, de taart in het gezicht. 'n Beetje denigrerend zoals ik het nu zeg. In elk geval is het verschil tussen het Franse en het Nederlandse taalgebied groter dan het verschil tussen Nederland en Vlaanderen."

Comic engineer
Naast zijn werk als striptekenaar en cartoonist geeft Nix elke donderdagmiddag les aan Sint-Lukas in Brussel, een van de twee volwaardige Nederlandstalige stripopleidingen in Vlaanderen. Hij vormt daar met Johan de Moor een gelegenheidsduo dat na zes jaar ondanks - of juist dankzij - hun uiteenlopende karakters goed op elkaar is ingespeeld. Hun studenten manifesteerden zich de afgelopen jaren onder meer door tentoonstellingen op het stripfestival in Angoulême en in Galerie Lambiek in Amsterdam, door het jaarlijkse tijdschrift Demo en het collectieve album Bruxxxel (in luttele maanden uitverkocht), en door publicaties in striptijdschriften als Ink en Zone 5300. Het leverde veel gratis publiciteit op, bedoeld om het stripatelier naamsbekendheid te geven, maar de resultaten zijn nog niet tot volle tevredenheid van beide docenten. Er hebben zich bijvoorbeeld nog altijd geen Nederlandse studenten in Brussel aangemeld, hoewel Nederland geen eigen stripopleiding kent en Franse studenten moeiteloos de weg vinden naar het Franstalige Saint-Luc in Brussel of Luik.

Nix' docentschap was niet het resultaat van carrièreplanning, maar de zoveelste schakel in een reeks van toevalligheden: "Ik werd gebeld door het afdelingshoofd, die Ief de Chief gelezen had. Ze vroegen me omdat ik als een soort jonge Marc Sleen - hoewel nog lang niet in zijn tempo - een krantenstrip maakte in de Vlaamse traditie, humor geënt op de actualiteit. Ze wilden eerst dat ik een sessie 'korte humorscenario's' zou geven. Alsof ik wist hoe dat moest! (lacht) Eigenlijk wil ik het nog steeds niet weten, ik vind het veel plezanter om mezelf te verrassen en niet te werken volgens een bepaald systeem. Ik werk graag op instinct. Het moet een beetje rock 'n' roll zijn. Uw gitaar pakken en rammen. Ik zat er in het begin voor de korte humorscenario's, Johan de Moor gaf les in tekenen en Jan Bucquoy in het schrijven van lange scenario's. Het klikte tussen Johan en mij, en we gingen meteen praktijklessen geven."

De praktijk beschouwt hij nog altijd als de voedingsbodem van het docentschap, en de rechtvaardiging ervan: "Als ik een week niet heb getekend omdat ik te lui was, of omdat ik geen goesting had, heb ik schroom om naar ginder te gaan. Het gevoel van: Ge hebt zelf niks uitgevreten, wat gaat ge nu tegen die mannen zeggen? Binnenkort krijgt het Brusselse stripatelier een nieuwe naam en wordt het na rijp beraad door beide docenten omgedoopt tot de opleiding comic engineering. "Geen onbelangrijke wijziging, want de naam comic engineer zal bij uw nonkel en tante heel wat meer respect afdwingen dan wanneer u zegt 'ik ben striptekenaar'."

Naar aanleiding van die naamswijziging bedachten Nix en De Moor een 'machine om strips te tekenen', die ze in samenwerking met hun studenten ontwierpen en bouwden. "Dat idee hebben ze vanaf het eerste begin gevolgd, ze zijn er op de ateliers van Johan en mij aan bezig geweest, soms tot twaalf uur 's nachts. Een van de studenten kwam naar me toe en zei: ik heb meer geleerd in deze laatste twee weken dan in de rest van het jaar. Ik dacht: bij hem is de klik gemaakt. Hij snapt wat het is: hard werken, op tijd klaar zijn. Da's iets anders dan je werk inleveren en punten krijgen. Je kunt af en toe op je luie reet zitten, maar op andere momenten moet je werken tot je erbij neervalt. Zoiets kun je niet uitleggen, ze moeten het met eigen ogen zien: die mannen maken veel leut, die zeveren soms dat het niet meer schoon is, maar andere keren werken ze tot twaalf uur door. De studenten zijn erbij als we hardop denken, fouten maken en nieuwe ideeën bedenken."

Sluipschutter
C'est encore loin? verscheen bij de zelfde uitgever en in de zelfde collectie als Volle melk van Johan de Moor. Vriendjespolitiek? Amper, zegt Nix: "Johan heeft mijn boek op tafel gegooid en gezegd: 'Dit is werk van een vriend van mij. Ik vind hem heel goed, maar verder maak ik er geen woord aan vuil. Beslissen jullie maar.' Maar toen was ik er nog niet binnen."

Eerst werken Nix en De Moor samen mee aan een nieuw tijdschrift van Le Lombard. Marktonderzoek had uitgewezen dat er geen belangstelling was voor een nieuw stripblad, maar wel voor een actueel tijdschrift waarvan strips deel zouden uitmaken. Dat werd Pepper, een Franstalig magazine dat grotendeels was gevuld met een bloemlezing uit de internationale pers. Midden in het blad kwam een satirische bijlage, die met Frans gevoel voor woordhumor Snaïeper (spreek uit: snaipèr) werd genoemd. "Daar ben ik in 2004 samen met Johan aan begonnen. Het bevatte cartoons die zogenaamd te ver gingen. Dat wil zeggen: voor een Franstalige publiek, dus niet zo scherp op de snede als we hadden gewild. Pepper bestaat nog altijd, maar Snaïeper is al snel opgeheven. Wij vonden de humor nog niet hard genoeg, maar de uitgever ging het kennelijk te ver. We hebben het zes nummers of zo volgehouden. Maar zo hebben ze bij Le Lombard mij en mijn manier van werken leren kennen."

Bij het verdwijnen van Snaïeper kreeg hij de laatste pagina van Pepper toegewezen, onder de kop C'est Nix. Zijn bijdrage veroorzaakte een rel toen Pepper in juni van dit jaar verscheen als gratis bijlage van de conservatieve krant Le Soir. Een betrekkelijk onschuldige Kinky & Cosy-pagina over een vliegende schotel met moslims schoot bij lichtgeraakte lezers en overijverige politici in het verkeerde keelgat. Hoewel de spreekwoordelijke storm in een glas water inmiddels weer is gaan liggen, weet hij niet of hij nog voor het blad wil werken: "De uitgeverij heeft haar excuses aangeboden. Nogal flauw. Ze hadden niet de ballen aan hun lijf om te zeggen: er is niets mis met dat stripje en als je er niet om kan lachen, is dat jouw probleem."

Sinds hij ook voor de Franse markt tekent, is Nix iets anders gaan werken. "Ik ben in elk geval gestopt met woordgrappen. Eerst maakte ik mijn cartoons in het Nederlands en liet ze dan vertalen, heel omslachtig. Ik heb toen een paar weken woordloze moppen gemaakt en daarna probeerde ik af en toe, met de Van Dale ernaast, een korte zin toe te voegen. Nu gaat dat vrij vlot. Ik kan natuurlijk geen uitgesponnen dialogen neerpennen, maar voor cartoons hoeft dat ook niet. Ik werk tegenwoordig de helft van de tijd voor de Franstalige pers, maar in het begin had ik het gevoel: dit blijft niet duren. Ik ben Vlaming, vroeg of laat zullen ze me wel buitenshotten. Eenzelfde reactie als destijds toen De Standaard me belde." Of dat Vlaams minderwaardigheidsgevoel is? "Nee, dat is realisme."

Pieter van Oudheusden

Het derde album van Kinky & Cosy, getiteld Al dan niet binnen of buiten, verschijnt in december bij uitgeverij Silvester. Website Nix: www.nix.be.