|
Blanquet
koestert de Jeroen Bosch in hem Stéphane Blanquet is een hoogst ongewone kunstenaar - dat is wel het minste dat je van deze Franse duizendpoot (1973) kunt zeggen. Enerzijds om zijn voorkeur voor ademstokkende en surrealistische taferelen (in zijn werk tref je opengereten lichamen aan, uitzinnige folterscènes, psychopaten, vagina's met weerhaken, duivels, doodshoofden die vrolijk tekeer gaan, kinderverkrachters, borsten die het uitschreeuwen en nog veel meer smeuïge, rauwe taferelen). Anderzijds omdat achter het afstotelijke oppervlak een onbetwistbare vernieuwer van het stripverhaal schuilgaat. U bent pas 32 jaar oud. Wat is voor u de waarde van Monographie lacrymale (Traantrekkende monografie), een overzicht van uw werk tot nu toe? "Monographie lacrymale was in de allereerste plaats een kans om stil te staan bij wat ik sinds mijn vijftiende allemaal heb getekend en om waar nodig de puntjes op de i te zetten. Je moet weten dat ik een bijzonder druk bestaan leid met tekenen, films en decors maken, workshops geven, reizen, enzovoort. Ik had dus simpelweg de tijd niet om eens terug te blikken en me te realiseren wat ik allemaal al gemaakt had. Voor wie mijn werk nog niet kent, is dit boek een ideaal visitekaartje. Ik hoop dat eruit spreekt dat ik er niet van houd in een hokje te worden gestopt. Ik heb altijd geprobeerd verschillende genres en stijlen te verkennen en dit boek bundelt strips die de mensen vast nog niet allemaal eerder bij elkaar hebben gezien. Als ik het boek doorlees, ben ik zelf ook aangenaam verrast." (lacht) Uw uitgever noemt u op uw website een 'kind van Robert Crumb, Topor en de surrealisten'. "Wat hij daarmee bedoelt? Dat moet u aan hem vragen! (lacht uitbundig)
Nee, al is de verantwoordelijkheid voor deze verwijzing volledig op
naam van mijn geachte uitgever te schrijven, toch voel ik me wel vereerd
dat mijn werk met dat van hen wordt vergeleken. Mijn verhalen bevatten
inderdaad heel wat surrealistische elementen, zowel op grafisch als
op inhoudelijk vlak. Ik herken me in de parallelle en surrealistische
leefwerelden van Crumb - het scabreuze, het vleselijke - en in die van
Topor, een surrealist pur sang. Maar het zou ook wel wat kort door de
bocht zijn om me enkel en alleen daarop af te rekenen. Mijn werk is,
hoop ik althans, niet 'louter' surrealistisch. |
||
|
meer in ZozoLala 146 |