André Franquin, machteloos humorist?

Door de opkomst van virtuoze navolgers als Yves Chaland en Didier Conrad en door de vulgarisatie van zijn werk in tekenfilms en schlagers (Dennie Christian) leek in de jaren tachtig de rol van Franquin uitgespeeld. Maar na zijn dood in 1997 steeg de belangstelling voor het originele werk van de meester. Sindsdien zijn er regelmatig tentoonstellingen van zijn werk (met als meest recente de expositie Le monde de Franquin in Parijs) en jonge tekenaars noemen hem nog vaak als inspiratiebron. Bovendien is er een begin gemaakt met de publicatie van het volledige werk. Terwijl veel navolgers in de vergetelheid zijn geraakt, is Franquin zelf actueler dan ooit.

Franquin verzuchtte vaak verontschuldigend: "Ik heb weinig fantasie. Ik teken alleen maar wat ik om me heen zie." Maar Franquin bezat iets veel waardevollers: oorspronkelijkheid. Wie zijn werk leest, leert de wereld waarin Franquin leefde door zíjn ogen te zien. Al in zijn eerste verhalen uit de chaotische tijd van vlak na de Tweede Wereldoorlog volgt hij de actualiteit: Amerikaanse soldaten proberen oud oorlogsmateriaal te verpatsen (Robbedoes en de tank) en door de oorlog getroffen Belgen doen hun best Amerikaanse noodwoningen in elkaar te zetten (De Amerikaanse noodwoningen; herdrukt als Het geprefabriceerde huis). Later weet Franquin perfect de sfeer weer te geven van de wederopbouw en het optimisme van de jaren vijftig (Ton en Tinneke), de economische bloei van de jaren zestig met de uitgebreide reconstructie van de Brusselse binnenstad (Guust Flater) en de recessie en koude oorlog van de jaren zeventig (Zwartkijken).

Perfectionist
Elke striplezer is zo vertrouwd met Franquins klassieke stijl uit de jaren vijftig, dat het soms moeilijk is voor te stellen dat Franquin die ooit eigenhandig heeft uitgevonden. Hiervoor waren twee periodes van belang: eerst zijn tijd op de Waalse tekenfilmstudio CBA (1944-1945), waar hij samen met Eddy Paape, Morris en de piepjonge Peyo figuren leerde animeren in de stijl van Disney. Na het failliet van de studio volgde de tijd waarin hij door Jijé in de strip werd ingewijd. Jijé droeg de strip Robbedoes, die hij toen al twee jaar tekende, over aan Franquin die er in 1946 zijn eerste verhaal van tekende (De tank).
In de winter van 1947 waren Morris en Franquin in een villa in De Panne te vinden. Morris tekende Dick Digger's goudmijn (het tweede verhaal van Lucky Luke), terwijl Franquin bezig was aan De whisky-erfenis. Op een gegeven moment sloeg bij Franquin de vertwijfeling toe - de eerste van zijn befaamde depressies. Jijé was weer de reddende engel en nodigde hen uit bij hem (en zijn kinderrijke gezin) in te trekken in zijn huis te Waterloo. Ze ontmoetten er ook Will, die al sinds 1941 bij Jijé in de leer was. Ze hadden ieder hun eigen hoekje waar ze hun strips maakten, maar daarnaast becommentarieerden ze elkaars werk en gaven ze elkaar adviezen.
De leider van de groep was uiteraard Jijé, de oudste en meest ervaren van hen. Hij deelde ruimhartig al zijn kennis en ervaring met zijn jongere collega's. De jongste was Will en hij was diep onder de indruk van de nieuwe gasten. Franquin was bij zijn komst in Waterloo al een goed onderlegd tekenaar die zowel realistisch als karikaturaal goed uit de voeten kon, maar hij had nog geen herkenbare stijl. Terwijl Morris precies wist wat hij wilde (tekenfilms maken bij Walt Disney), had Franquin nog geen duidelijk beeld van de richting die hij wilde inslaan. In Waterloo kwam daar verandering in. Franquin leerde van Jijé hoe hij invloeden van verschillende uiteenlopende tekenaars en kunstenaars kon ondergaan en die kon samensmelten tot een eigen stijl. Hij slaagde daarin door eindeloos aan een tekening te blijven schaven totdat die in zijn ogen perfect was. Will wist later sterke staaltjes hiervan te vertellen: "Franquin was op dat moment al heel professioneel bezig. Hij stopte pas met een tekening wanneer hij er niets meer aan kon verbeteren. Het was verschrikkelijk! Ik zag dat hij een prachtige auto tekende, die hij daarna uitgomde en opnieuw tekende. Hij ging net zolang door tot het in zijn ogen perfect was. Hij was destijds al erg veeleisend, in tegenstelling tot ikzelf."

 
 

meer in ZozoLala 146