|
Thierry
Robin slaat zijn eigen boeken nooit meer open De Fransman Thierry Robin (1958) is een veelzijdig baasje. In Nederland bekend geworden met zijn historische strip Chinees rood, maakt hij alweer een aantal jaren de populaire fantasy-strip Koblenz over een man met bovennatuurlijke krachten die zich laat inhuren om mysterieuze zaken op te lossen. De opdrachtgever moet betalen in levensjaren, alleen zo kan de hoofdpersoon zijn mechanische hart aan de praat houden. Daarnaast maakt Robin ook de kleurrijke kinderstrip Lieve Kerstman, waarvan ieder jaar een nieuw deel uitkomt. „Ik ben als de dood dat ik me ooit ga vervelen,” vertelt hij. Hoe is Koblenz ontstaan? „Het idee voor Koblenz is geleidelijk aan gegroeid. Uit verschillende bronnen heb ik ideeën geput, die uiteindelijk zijn uitgemond in de reeks. Zo ben ik een liefhebber van de fantastische literatuur uit de negentiende eeuw. Gustave Flauberts roman Salammbô diende bijvoorbeeld als inspiratiebron voor het tweede album van Koblenz dat zich eveneens in het oude Carthago afspeelt. Voor de vormgeving van de serie ben ik geïnspireerd door allerlei reproducties uit de negentiende eeuw: gravures, de eerste fotografie. En natuurlijk het begin van de film. Ik ben vooral dol op de expressionistische Duitse cinema uit het begin van de vorige eeuw. Het vierde album van Koblenz (M pour anarchie, moet nog in het Nederlands verschijnen, red.), is min of meer een hommage aan regisseur Fritz Lang. Maar voor mijn verhalen put ik ook uit moderne tv-series als The X-files en The Avengers. Die laatste is misschien niet echt modern meer, maar wel mijn favoriete tv-serie aller tijden!” Voor de vormgeving heeft u zich ook duidelijk laten inspireren door de Jugendstil. „Ja, al heb ik die eigenlijk pas ontdekt sinds ik in Brussel woon. Ik ben nooit zo’n liefhebber geweest van de Franse Art Nouveau. De metro-ingangen in Parijs van Hector Guimard bijvoorbeeld, vind ik veel te bloemerig, een beetje zielloos, niet zo interessant. Maar de Belgische variant, bijvoorbeeld de architectuur van Victor Horta, heeft veel meer eigen smoel, is veel origineler. Hetzelfde geldt voor de Jugendstil in Oost-Europa, zoals het werk van Alphonse Mucha. Ik ben voor het maken van het eerste deel van Koblenz speciaal naar Praag gegaan om in de juiste stemming te komen.” Een voortdurend terugkerend thema in uw werk is het verdwijnen van een cultuur. Het eerste deel van Koblenz draait om de opkomst van de industrialisatie. Het tweede deel om de vernietiging van Carthago door Rome, het derde om de overgang van het feodale naar het moderne Japan. Uw vroegere reeks Chinees rood draaide mede om de westerse invloeden in het oude China. Waar komt die fascinatie voor botsende culturen vandaan? „Ik analyseer mijn eigen obsessies nooit zo. Ik heb ze gewoon, zo simpel is het. Wel moet ik ervoor waken dat ik mezelf niet te veel herhaal. Ik houd me ook bezig met andere thema’s, zoals de dunne scheidslijn tussen droom en realiteit, tussen werkelijkheid en illusie. De overgang tussen die twee werelden komt in veel van mijn verhalen terug. Maar het is natuurlijk overduidelijk dat ik me ook erg interesseer voor oude werelden die veranderen door de opkomst van de moderniteit. De hoofdpersonen in Koblenz staan daar min of meer symbool voor. Koblenz zelf staat voor de oude tradities, zijn assistente Clara voor de geëmancipeerde, nieuwe maatschappij. Het verdwijnen van oude culturen en tradities houdt me zeer bezig. Ik ben nogal nostalgisch van aard als het om dat soort dingen gaat.” Nostalgisch? Zou u een strip kunnen maken die zich in het heden afspeelt? „Het heden interesseert me niet zo veel, vooral grafisch niet. Ik denk dat ik een romanticus ben, maar dan een sombere, met een obsessieve interesse voor dood en verval. Meer een Duits soort romantiek dus, niet van die zoetgevooisde liefdesverhaaltjes.” Uw tekenstijl voor Koblenz is niet te vergelijken met die voor Lieve Kerstman. Kost de overschakeling u veel moeite? „Nee, ik verander graag van stijl. Ik ben net een nieuwe kinderserie begonnen voor Dupuis, Zappa et Tika, die er ook weer anders uitziet. Ik wil me niet gaan vervelen als stripmaker. Iedere dag dezelfde decors tekenen, dezelfde personages, ik moet er niet aan denken. Ik begrijp die tekenaars niet die al veertig jaar steeds min of meer hetzelfde stripboek maken, iedere keer weer. Hoewel ik op de kunstacademie heb gezeten, heb ik geen echt grafische opleiding gehad. Ik ben wat dat betreft volledig autodidact en heb me altijd geïnteresseerd voor verschillende stijlen. Nog steeds ben ik op zoek naar nieuwe dingen, vooral via internet.” Lieve Kerstman maakt u op scenario van Lewis Trondheim, Koblenz schrijft u zelf. Wat heeft uw voorkeur? „Ik werk van tijd tot tijd graag samen met een scenarist, dat is verfrissend. Maar ik vind het belangrijk dat ik ook mijn eigen scenario’s schrijf. Als je je stripauteur wilt noemen, moet je toch een verhaal en dialogen kunnen schrijven, vind ik. De samenwerking met Trondheim verloopt heel soepel. Hij stuurt me een scenario waarbij de pagina-indeling al helemaal voor me is uitgedacht. Ik hoef het alleen maar uit te tekenen. Dat is een aangename en snelle manier van werken.” Stelt het maken van strips voor jonge kinderen, zoals Lieve Kerstman, andere eisen aan u als stripmaker? „Dat ligt helemaal aan het niveau van het kind. Zelf vind ik het leuk om zowel voor jongere kinderen te schrijven als voor volwassenen. Er zit op zich niet zo heel veel verschil tussen. Je kunt min of meer dezelfde thema’s gebruiken, al houd je er natuurlijk rekening mee dat het niet te moeilijk of griezelig mag zijn. Grafisch is er wel een duidelijk verschil. Kinderen geven niets om een pseudo-virtuoze tekenstijl, zoals ik die voor Koblenz hanteer. Ze houden van simpel en willen gewoon een leuk verhaal. Daar hebben ze ook eigenlijk wel gelijk in.” Grafisch doet Koblenz denken aan het werk van Andreas, vooral wat pagina-indeling betreft. „Nou, daarvoor heb ik eigenlijk vooral goed gekeken naar Amerikaanse superheldencomics. Ik ben opgegroeid met het weekblad Robbedoes in de jaren zestig en zeventig. Ik ben beïnvloed door de Belgische striptekenaars uit die jaren: André Franquin natuurlijk, maar ook Paul Deliège. Later heb ik alle vensters opengezet en heb ik het werk van enorm veel andere grafici tot me genomen. De lijst met inspirators is te lang om op te noemen. Onlangs heb ik het werk van Cliff Sterrett (maker van Amerikaanse krantenstrips als Polly and her pals uit het begin van de vorige eeuw, red.) weer herlezen. Wat een geweldenaar! Ik heb ook tijdens mijn vele reizen een flinke verzameling Chinese strips opgedaan. Ook daar lopen formidabele tekenaars rond.” Is in die Robbedoes-jaren de wens ontstaan later zelf ook strips te gaan maken? „Ja, die wens had ik als kind al. En mijn ouders vonden het goed, waarvoor ik ze nog steeds erg dankbaar ben. Ik wilde ook graag verder in de muziek, maar daar heb ik onvoldoende tijd voor. Ik amuseer me wel met het componeren van wat achtergrondmuziekjes voor bij de Koblenz-strips. Die heb ik op mijn eigen site gezet.” Wanneer is een album voor u geslaagd? „Een wat clichématig antwoord misschien, maar: nooit. Ik herlees mijn eigen albums ook niet. Zodra een strip van de drukker komt, zie ik er alleen nog maar fouten in. Dan zie ik tekeningen die ik toch anders zou hebben opgezet, scènes die ik toch langer had willen uitspinnen of juist willen inkorten. Wat mij betreft is een strip dood zodra die af is: de kast in en niet meer inkijken. Dan telt alleen nog maar het nieuwe album dat ik aan het maken ben.” En waar bent u nu dan zoal mee bezig? ,,Met meerdere projecten. Als groot fan van de Nederlandse muziekgroep de Nits, wil ik nog eens een strip rond hun songteksten opbouwen. Hopelijk komt dat er ooit nog eens van. Ondertussen ben ik aan iets heel anders begonnen. Zappa et Tika is een sciencefiction-strip voor kinderen. En voor mijn volwassen publiek broed ik nu op een stip over het communisme. Werk van de Chinese striptekenaars waar Robin het over heeft, is terug te vinden op zijn site: www.thierryrobin.com
|
||
|
meer in ZozoLala 147 |