De apocalyps volgens Naoki Urasawa

Met de vogelgriep, de klimaatveranderingen en de nieuwe nucleaire oorlogsdreiging is het einde van de mensheid actueel als altijd. In de populaire cultuur is dat al jaren een veelvoorkomend thema. Vooral Japanners hebben een opmerkelijke voorliefde voor (post)apocalyptische verhalen. Zie bijvoorbeeld de beroemde manga Akira. Volgens sommigen heeft dit te maken met de twee atoombommen die het land raakten en de nationale psyche tekenden. Ook Naoki Urasawa wijdt zijn reeks 20th century boys aan het einde van de wereld.

20th century boys is meteen na verschijnen al een succes. In Japan krijgt de serie de Grote prijs van de stripuitgeverij Kodansha: een unicum, want 20th century boys verschijnt bij concurrent Shogakukan. Ook in Frankrijk is men vol lof: in 2004 wint Urusawa op het prestigieuze stripfestival van Angoulême de prijs voor de beste serie. De Japanner zegt blij te zijn met de waardering uit Europa, “thuisland van artiesten als Moebius en Hergé, die ik bewonder.”
Naoki Urasawa (1960) is in zijn thuisland een beroemde mangaka (manga-stripmaker). Hij maakte al series over uiteenlopende onderwerpen, van tennisleerlingen (Happy!, 1994) tot huurlingen (Pineapple army, 1986). In Frankrijk werd hij bekend met Monster, een thriller over de jacht van een dokter op een seriemoordenaar, waarvan in 2001 bij uitgeverij Kana de Franse vertaling van start ging. Een jaar later werd deze serie in Angoulême genomineerd voor ‘beste scenario’, maar die nominatie werd niet verzilverd.
Met 20th century boys overtreft Urusawa zichzelf. In rap tempo verschijnen nu de Nederlandse vertalingen van de eerste delen van de strip, alweer zes jaar na hun eerste uitgave in Japan. Opmerkelijk, want onlangs nog vroeg Urasawa zijn Amerikaanse uitgever Monster uit te geven vóór 20th century boys. Volgens hem had zijn tekenkunst zo’n grote sprong gemaakt tussen de twee series, dat ze absoluut in chronologische volgorde uitgebracht moesten worden. Voor Nederland spelen zulke belangen kennelijk niet.

 

Redden van de wereld

Het verhaal van 20th century boys begint kalmpjes. Hoofdpersoon Kenji beheert een buurtsuper. Hij past op het kind van zijn zus die is verdwenen. Dan dringt stukje bij beetje de mysterieuze sekteleider ‘Vriend’ zijn leven binnen, die Kenji nog schijnt te kennen van de basisschool. Maar de ambities van Vriend gaan verder: hij blijkt de wereld te willen veroveren of anders te vernietigen. In zijn jeugd fantaseerde Kenji over het redden van de wereld – nu zal hij dat dus in het echt moeten doen.
Urusawa springt bij zijn verhaal over Kenji steeds van het ene tijdperk naar het andere. Op de eerste bladzijden van 20th century boys gaan we al van 1973 naar 2000, naar een nog onbekend jaar en weer terug naar 1997. In die tweede scène in het jaar 2000 doet Urasawa iets opmerkelijks. We zien een vergadering van de Verenigde Naties die hun eer bewijzen aan ‘de redders van de mensheid’. Het eind van de wereld is dan dus al voorkomen! Het lijkt alsof Urasawa hier alle spanning uit zijn verhaal heeft gehaald. In de volgende delen zal echter blijken dat de vraag hoe de mensheid is gered, en door wie, juist heel verrassend is. Urasawa verandert niet alleen van tijdperk om zaken uit te leggen, maar als een meesterstrateeg gebruikt hij heden, verleden en toekomst om de lezer te verrassen en te ontroeren.
We komen vaak terecht in de kindertijd van hoofdpersoon Kenji. Belangrijke gebeurtenissen uit die tijd, zoals de maanlanding, maken we mee vanuit het perspectief van Kenji en zijn vrienden. Het is interessant om te zien hoe de Japanners deze momenten hebben beleefd. Maar we zien de jongens ook als ze een affiche van een erotische film vinden. Daarmee geeft de serie een beeld van opgroeiende kinderen in het Japan van eind jaren ’60.
Urasawa groeide zelf ook op in deze tijd. 20th century boys is misschien niet autobiografisch, maar het is duidelijk dat hij deels over zijn eigen ervaringen schrijft. We zien de jonge Kenji voor het eerst naar Jumpin’ Jack Flash luisteren en later aankloten met een gitaar. Urasawa speelde zelf ook in een band op school en aan de universiteit. Zijn serie is, ondanks de fantastische elementen, een liefdevolle ode aan zijn jeugd.

 

Schone onderbroek

Met alle tijdsprongen zet Urasawa in het eerste deel al meteen veel verschillende verhaallijnen uit. Dat deed hij ook in Monster – en die serie kreeg met het verstrijken van de delen de nodige kritiek op het verhaaltempo. In de achttien delen van Monster betrad de auteur te veel zijwegen, vonden de critici. Dat is in 20th century boys niet het geval. Zowel de verhalen in het heden als in het verleden zijn relevant en interessant. Urusawa’s strip dendert voort als een sneltrein. Monster gaf het gevoel de climax voortdurend te willen uitstellen, maar in 20th century boys wordt de ene climax direct overtroffen door een andere. Urasawa maakt schaamteloos gebruik van cliffhangers – maar die zijn bijzonder effectief. Hij blijkt een absolute meester in het opbouwen van spanningsbogen. We leren personages kennen in het verleden en wachten tot hun onvermijdelijke introductie in het heden. Daarnaast krijgen we korte, mysterieuze scènes te zien, bijvoorbeeld over robots en de sekteleider. Maar Urasawa weet, met de nodige humor, ook alles een menselijke maat mee te geven. Zo vertrekt een sektelid voor een moordaanslag, maar bedenkt hij vlak voor zijn vertrek nog een extra schone onderbroek mee te nemen. Kenji kibbelt met zijn moeder over de opvoeding van de kleine Kanna, het kind van zijn zus. Dit soort kleine verhalen over het dagelijks leven van Kenji en de andere personages zijn welkome rustpunten, die het geheel dragen en herkenbaar maken.

Doodsangst

Urasawa voert de spanning niet alleen in zijn verhaal op; zijn tekenwerk doet dit minstens even goed. Zijn verteltempo is voor een Westerse lezer kalmer en beter te volgen dan veel andere hyperactieve manga’s. Een goed voorbeeld daarvan is de pagina waarop Donkey, één van Kenji’s vrienden, ’s nachts de school binnengaat om de pomp van het aquarium aan te zetten. We zien hem eerst door de gangen dwalen. Dan loopt hij het biologielokaal in. We zien het hoofd van Donkey steeds groter worden, tot het in het laatste kader de halve pagina vult. Op de pagina komt bijna geen woord voor, de spaarzame teksten komen van de verteller. De lezer ‘hoort’ Donkey niet schreeuwen, wat het nog griezeliger maakt. Er wordt wel gezegd dat manga’s vergeleken met westerse strips een ‘traag’ verteltempo hebben dat sterk aan film doet denken. En inderdaad, we kunnen ons deze pagina als een filmscène voorstellen: een close-up, waarbij steeds verder wordt ingezoomd. Maar strips en film zijn niet hetzelfde: er is hier meer aan de hand. Films hebben een vast kader. Strips spelen met hun kaders: in deze scène worden ze steeds groter – de laatste beslaat meer dan een halve pagina. Bovendien trekt Urasawa een hele pagina uit voor een korte beweging: de draai van een hoofd. In het laatste plaatje valt de achtergrond weg: alle aandacht gaat uit naar het hoofd van Donkey. Waarvan hij zo geschrokken is, krijgen we in het eerste deel niet te zien. Suspense van de bovenste plank. Urasawa is natuurlijk niet de eerste die zulke pagina’s maakt, maar hij doet het op het juiste moment en vakkundig.

 

Pratende hoofden

De personages domineren de tekeningen. Er is minder aandacht voor achtergronden en dat is ook niet verwonderlijk, gezien het tempo waarmee Urasawa strips schrijft en tekent. Met het grote aantal verhaallijnen is er ook een enorm aantal personages. Alle personages hebben een eigen gezicht en karakteristieke gezichtsuitdrukkingen. Sommige zijn er enkel voor de komische noot, zoals winkelbediende Erica met haar Duitse accent, die in deel twee opduikt. Zij geven een luchtige ondertoon aan het verhaal. Urasawa neemt veel ruimte voor de karaktertekening van de hoofdpersonen. De spanning is weliswaar enorm, toch trekt hij soms enkele pagina’s uit voor één enkel gesprek, of zelfs enkele verstilde blikken. Dan bestaat het gevaar van een reeks ‘pratende hoofden’, maar saai wordt het nooit. De dialogen zitten vol emotie en helpen het verhaal voort. Ook kiest Urasawa interessante perspectieven en pagina-indelingen om de scènes dynamisch te houden. Het is voor de lezers overigens gevaarlijk zich teveel aan een personage te hechten: Urasawa schrikt er niet voor terug interessante hoofdpersonen te laten sterven. Zo handelt deel twee pagina’s lang over een politie-inspecteur en komt de lezer veel over zijn privéleven te weten. Hij heeft een cadeau bij zich voor de verjaardag van zijn kleinzoon, die hij al tijden niet heeft gezien. Het maakt zijn dood, kort daarna, des te schokkender.
Urasawa gebruikt subtiele, maar interessante technieken om ergens de nadruk op te leggen. Kenji spaart vier maanden lang om een gitaar te kunnen kopen om indruk te maken op een meisje. Wanneer hij het instrument eindelijk heeft bemachtigd, komt hij het meisje tegen. Ze vraagt hem er iets op te spelen. Dat lukt hem natuurlijk nog niet. Fijntjes laat ze hem weten dat hij hoe dan ook niets heeft aan een klassieke gitaar om Jumpin’ Jack Flash te spelen. We zien hoe Kenj van schrik wit wegtrekt. Hij wordt als een schets getekend en zijn haar is niet eens zwart meer. Hij wist helemaal niet dat er verschillende soorten gitaren bestonden! De gitaar is daarentegen nog fijn gedetailleerd getekend. Kenji en zijn gitaar zijn geen eenheid meer. Eigenlijk valt het plaatje nauwelijks op, maar het geeft blijk van de subtiele, effectieve expressiviteit die Urasawa zijn strips meegeeft.

Stijlvol

De mangamarkt is in het Nederlandse taalgebied nog maar nauwelijks ontgonnen: er is pas een handjevol titels vertaald. Wat 20th century boys betreft staat ons nog heel wat te wachten: ieder deel telt meer dan tweehonderd bladzijden. Binnenkort besluit Urusawa zijn serie in Japan – heel stijlvol – met het twintigste deel. Dan heeft hij een slordige vierduizend bladzijden toegevoegd aan de stripgeschiedenis – en dat in slechts zes jaar tijd! Urusawa draait er zijn hand niet voor om. Hij is intussen al begonnen aan de SF-serie Pluto, een hommage aan de legendarische Astro Boy van Osamu Tezuka. Urusawa heeft een krankzinnig hoge productie, maar het is vooral zijn veelzijdigheid als verhalenverteller die hem zo bijzonder maakt. Niet aflatende spanning, interessante personages, sterke tijdsbeelden: Naoki Urasawa heeft er als schrijver én als tekenaar geen enkel probleem mee. Hij is een echte 20th century boy, zoals T-Rex die ooit bezong: “I move like a cat / Charge like a ram / Sting like a bee.”

Joris Driest

Bronnen:
http://www.asahi.com/english/Herald-asahi/TKY200507300137.html
http://www.manganews.net/forums/archive/index.php/t-1176.html
http://www.comicbookgalaxy.com/commentary_ak_010305.html
http://www.animenewsnetwork.com/

 
 

meer in ZozoLala 148