| |
Voor den Belg en voor den Ollaander
Nieuw Suske en Wisketeam wil terug naar de oorsprong
Het gaat al een tijd niet zo goed met Suske en Wiske. Zowel artistiek als commercieel is de serie in de versukkeling geraakt. De succesreeks van weleer zag de oplage de afgelopen jaren kelderen van 400.000 exemplaren per nieuw deel tot (volgens onbevestigde berichten) de helft daarvan. Marc Verhaegen, de opvolger van Paul Geerts als supervisor op de studio, moest mede daarom vorig jaar met veel tamtam het veld ruimen. Luc Morjaeu (tekeningen) en Peter van Gucht (scenario’s) zwaaien nu de scepter. Na een mislukt avontuur van hun voorgangers om de reeks te moderniseren, proberen zij het weggelopen kinderpubliek weer terug te winnen. Op de fansites van de reeks halen lezers opgelucht adem.
Ook al worden er van de nieuwe delen veel minder verkocht dan vroeger, de oplage is vergeleken met vele andere stripreeksen natuurlijk nog steeds erg hoog. Suske en Wiske blijft een fenomeen. Het is daarnaast de enige Vlaamse topreeks die de afgelopen decennia is aangeslagen boven de rivieren. Waar strips als Nero, Jommeke, Kiekeboe of Piet Pienter en Bert Bibber gemeengoed zijn in Vlaanderen, zijn ze in Nederland hoegenaamd onbekend gebleven. Hoe is dat succes van Suske en Wiske te verklaren?
Peter van Gucht: „Dat is altijd een beetje gissen. Vandersteen was wat zijn scenario’s betreft de meest ’fantastische’ van alle Vlaamse stripauteurs. Waarmee ik bedoel dat zijn onderwerpenpalet veel uitgebreider was. Hij ging naar het verleden of de ruimte in of naar het Wilde Westen. Hij gebruikte het bovennatuurlijke en liet zijn fantasie de vrije loop, waar Kiekeboe of Jommeke meer ingebed zijn in het realistische. Hun avonturen spelen zich meer af rondom huis. Misschien ook dat Suske en Wiske meer aan de Hollandse smaak en het gevoel voor humor beantwoordt. Het gaat er allemaal nogal burlesk aan toe.
Vandersteen heeft zijn reeks ook verhollandst om tegemoet te komen aan zijn Nederlands lezerspubliek. De taal werd aangepast en Nederland werd steeds vaker als thuisdecor gebruikt. Tot op de dag van vandaag zijn er nog steeds veel Nederlanders die denken dat Suske en Wiske uit Nederland komen. Andere Vlaamse strips hebben dat niet gedaan, waardoor ze te Vlaams waren voor de Hollandse smaak. Maar het zou net zo goed kunnen dat het net dat typische Vlaamse is waar de Hollanders voor vallen. Tenslotte was Urbanus ook enorm succesvol in Nederland. Hij was lang het prototype van de domme Belg.”
Maar dan zou iets typisch Vlaams als Jommeke dus toch best succes moeten kunnen hebben in Holland?
Luc Morjaeu: „Suske en Wiske is in Nederland een van de weinige strips die ouders doorgegeven aan hun kinderen. Jommeke is misschien te typisch Vlaams, hij ontstond ook wat later dan Suske en Wiske. Er is nooit echt werk van gemaakt om die reeks bekend te maken in Nederland. Nu is het daarvoor te laat. Kiekeboe ontstond nog later, dus dat is nog moeilijker, bijna onmogelijk in de huidige omstandigheden. Suske en Wiske hadden dus het voordeel dat ze op tijd waren en de tijdsgeest mee hadden, maar je mag natuurlijk niet vergeten dat de verhalen echt uitblonken qua humor en spanning. Vandersteen was een formidabele verhalenverteller.”
Van Gucht: ,,Misschien was het inderdaad een kwestie van timing. De reeks stond reeds in de beginperiode in de Nederlandse kranten en kende toen al aardig wat bijval. Het kan ook te maken hebben met het eenvoudige feit dat de tijd toen gewoon rijp was voor strips. Er waren niet zoveel media als nu en strip was daardoor een welkome amusementsvorm. En je mag ook niet vergeten dat Suske en Wiske pas écht op grote schaal is doorgebroken in Nederland nadat Wies Andersen in de jaren zeventig met zijn poppenshow op de Nederlandse televisie kwam.”
Maar de verschillen zijn wel heel erg groot. U was assistent van Jef Nys. Kunt u verklaren waarom er in Vlaanderen 55 miljoen (!) albums van Jommeke verkocht worden en in Nederland bijna niets?
Morjaeu: „In Vlaanderen behoort Jommeke tot het collectieve geheugen. Vanaf de jaren vijftig was er de dagelijkse publicatie van de verhalen in de nationale kranten. En wekelijks in de succesvolle jeugdbijlages, eerst Het Kapoentje daarna in De Jommekeskrant. Wat verder bijdraagt tot het succes is dat de leeftijdsgroep waarvoor Jommeke bedoeld is, de jongste lezers, steeds belangrijker is geworden. Ze hebben meer geld te besteden dan vroeger. Jef Nys heeft tot op heden zijn stempel op de reeks gedrukt, daarom is die zo herkenbaar gebleven.”
U zei dat Nederlanders een burlesker gevoel voor humor hebben. Dat zou kunnen kloppen, wanneer je bijvoorbeeld het succes in Nederland beziet van stripmakers als Eric Schreurs en Hein de Kort. Hoe moeilijk is het voor jullie om een soort middenweg te vinden waardoor zowel het Vlaamse als het Hollandse publiek kan lachen?
Van Gucht: „Ik ken beide volkeren te slecht om een sluitende verklaring te kunnen geven voor het verschil in humor. Het heeft denk ik veel te maken met de geschiedenis van een volk. Nederlanders hebben zich in de loop der tijden vrijgevochten. Daardoor trokken ze heel wat avontuurlijk aangelegde mensen aan. Zo zijn rond 1600 een heleboel Vlamingen – voornamelijk Antwerpse koopmannen – naar Nederland getrokken. Holland werd al snel een verzameling van gewiekste zakenmannen die met hun lef en kennis de wereld veroverd hebben, vooral economisch dan.
Vlamingen zijn altijd onderworpen geweest. Ze hebben geleerd hun mond te houden en hun ambities te beknotten. Vandaar dat relativerende, dat schuchtere ook. Als ik met Nederlanders omga voel je vaak die openheid. Zij zijn ook overal meteen thuis en generen zich minder. Vlamingen hebben veel sneller de neiging zich af te sluiten. Ze zwijgen en werken. Daar ontstaan ook vaak die kleine irritatietjes tussen den Belg en den Ollaander.
Voor mijn verhalen en de daarbij horende humor ga ik af op mijn buikgevoel. Ik ga niet bij elke grap overleggen of dat wel bij beide landen zal aanslaan. De ene grap zal hier, de andere weer daar leuker of flauwer gevonden worden.”
Morjaeu: „Ik denk overigens dat het verschil geleidelijk aan minder wordt. Het heeft veel te maken met taal en vooral met de toon waarop iets gezegd wordt. Over het algemeen – maar
met generaliseren moet je oppassen natuurlijk – is de Vlaamse humor wat absurder en de Nederlandse wat cassanter. Door het grote aanbod van stripreeksen vind je nu wel zowel in Vlaanderen als Nederland alle aspecten van humor terug.”
Bestaat er dan nog zoiets als een Vlaamse en een Nederlandse stripcultuur?
Van Gucht: „Dat hangt er vanaf wat je bedoelt. Het ‘wereldje’ rond de strip, met zijn typische stripfanaten, verschilt niet zo erg heb ik de indruk. Er hangt op de stripbeurzen in beide regio’s dezelfde sfeer. Jammer genoeg soms wat te somber en stoffig naar mijn smaak. Voor mij moet strip iets fris en jongs hebben en dat wil op stripbeurzen wel eens tegenvallen.
Als je het echter hebt over het medium strip zelf en de aanpak, zijn er wel verschillen. Alles wat een volk voortbrengt, ademt zijn cultuur. Vlamingen zijn altijd veel volkser en regionaler geweest dan Nederlanders, die toch meer een volk van de wereld waren. Zelfrelativering en weinig geloof in eigen kunnen maakten van Vlamingen lang de underdogs die ze dachten te moeten zijn. Vandaar de kluchtige huis-tuin-en-keukensituaties uit de Vlaamse strip. De laatste decennia is het verschil minder groot geworden. De Vlaming is zelfbewuster geworden. Ik heb de indruk dat nu in beide landen de strips aan elkaar gewaagd zijn qua inhoud, stijl en humor. Met dat verschil dat een Vlaming wat grotesker absurd durft te zijn.”
Morjaeu: „Ik denk dat beide stripculturen in iets anders wortelen. Mijn generatie is opgegroeid met weekbladen als Robbedoes en Kuifje. In Nederland was dat meer met Donald Duck en Tom Poes, denk ik. Eigenlijk weet ik te weinig van de Nederlandse stripcultuur om daar iets zinnigs over te kunnen zeggen. Misschien betekent dat juist wel dat er inderdaad een groot verschil is. Maar ik ben mijn leven aan het beteren. Zo heb ik onlangs de biografie van Marten Toonder gelezen. En nu ik meer en meer Nederlandse collega’s ontmoet, leer ik ook hun werk kennen.”
Er wordt in Vlaanderen altijd geklaagd dat Suske en Wiske vroeger veel beter was, omdat de strip toen nog niet was vernederlandst. Delen jullie die grieven?
Morjaeu: „Ja, maar dat was onvermijdelijk. In het begin was Suske en Wiske typisch Antwerps: de taal, de omgeving, alles was herkenbaar. Omdat ik in de buurt van Antwerpen woon, vind ik die albums heel leuk. Met het succes van de reeks gingen meer en meer mensen Suske en Wiske lezen en moest hun leefwereld meegroeien. Tot in Nederland. Het typisch herkenbare voor ons, is voor een groot deel verloren gegaan. Peter en ik proberen er wel weer wat meer Vlaams in te steken.”
Van Gucht: „Ik heb niks tegen Nederlanders, laat dat duidelijk zijn, maar toen ik als kind voor de eerste keer las dat Wiske zei: ‘Wij komen uit het land van de windmolens’, was ik echt verbouwereerd. In al mijn andere albums woonden ze in Antwerpen, bij mij om de hoek, en kon ik me met hen identificeren. Ze waren Vlaamse kinderen, net als ik. Plots waren het Nederlanders. Ik was teleurgesteld, want de identificatie was weg. Het voelde een beetje aan als verraad. Nu klinkt die uitleg wat overtrokken en dus wil ik ’m zeker relativeren, maar als kind trof mij dat zeker wel. Verder vind ik dat de reeks daardoor nooit minder goed is geworden. In de huidige verhalen laten we in het midden wat Suske en Wiske zijn; het zijn geen Nederlanders maar ook geen Vlamingen. Het zijn inwoners van de Lage Landen.”
Zijn er dingen die jullie uit Suske en Wiske zouden weren omdat ze niet aansluiten bij het Nederlandse publiek, of andersom bij het Vlaamse?
Van Gucht: „Qua onderwerpen voor verhalen weren we niets, die zijn meestal universeel genoeg. Het enige waar ik soms voor teruggefloten word, zijn té Vlaamse woordgrappen. Ik zei al dat de herkomst van de figuren in het ongewisse moet blijven. Daar mag ook ik niet aan tornen. Ik had in De Nachtwachtbrigade een hele resem vooroordelen over Nederlanders verwerkt, maar die zijn allemaal gesneuveld. Behalve dan de kroket-uit-de-muur. Die situatie vonden we té grappig om te laten vallen. Relativeren met een knipoog of een plaagstootje mag wel, maar het kan al snel beledigend worden en dat willen we vermijden. Humor mag nooit ten koste gaan van iemand.”
Hoe moeilijk is het om zowel een Vlaams als een Nederlands publiek tevreden te stellen?
Van Gucht: „Het is nog te vroeg om daarop te kunnen antwoorden. We merken nu nog niet of ons publiek, Belgen én Nederlanders, ons wel lust. De resultaten zijn zeker bemoedigend en het gaat de goeie richting uit. Verder is het altijd een beetje afgaan op je gevoel. We zijn er ook redelijk gerust op dat een spannend verhaal in combinatie met leuke grappen universeel genoeg is om in beide landen aan te slaan.”
Sinds vorig jaar is er niet langer één persoon verantwoordelijk voor de reeks, maar is de leiding in handen van een duo. Hoe moet ik me jullie samenwerking voorstellen?
Morjaeu: „We werken niet meer vanaf de studio te Kalmthout, om praktische redenen. Alleen al door het reizen en de bijhorende files gaat er te veel tijd verloren. We houden wel dagelijks contact, via telefoon en mail. Of we zoeken elkaar op in de loop van de week. Peter en ik kennen elkaar al lang, dus dat helpt. Eenmaal per week komen we met het team samen in Kalmthout op de studio. Het is een hecht team, met heel getalenteerde mensen. Er wordt dan grondig overlegd, platen en schetsen besproken en geluisterd naar ieders mening. Uiteindelijk loopt alles dan toch via Peter en mij. Wij dragen de verantwoordelijkheid voor elke pagina of tekening die naar buiten gaat. Als één van ons beiden iets niet goed vindt, komt het er niet door.”
Hoe moeilijk is het om een lopende reeks over te nemen en je die eigen te maken? Hebben jullie je erg moeten inleven in het universum van Vandersteen, Geerts en Verhaegen?
Van Gucht: „Toen we de reeks overnamen, hebben we besloten de reeks grotendeels over te nemen van Vandersteen. Suske en Wiske overnemen van andere opvolgers ging niet, omdat je dan niet vanuit het originele concept vertrekt maar vanuit een versie die op zichzelf al een afgeleide is. Alsof je een kopie van een kopie van een kopie maakt. Op den duur is het resultaat zo verwaterd, dat je het origineel niet meer herkent.
We nemen dus de albums van Vandersteen als voorbeeld. Natuurlijk maken wij daar vervolgens ook een eigen vertaling van. Tenslotte kun je de hand van de schrijver of de tekenaar niet wegcijferen. We maken dus Suske en Wiske-albums met kenmerken die typisch voor mij en Luc zijn maar wel met Vandersteen in het achterhoofd. Dat doet geen afbreuk aan het werk van Paul Geerts. We kunnen en willen zijn werk ook niet negeren. De stempel die hij op de reeks heeft gedrukt, leeft ook verder in onze versie. De figuren evolueerden onder zijn hand en we nemen de bijkleuring van die karakters over, anders zou het te verwarrend werken voor de jongere lezers. Ook qua tekeningen en veelzijdigheid op gebied van scenario is zijn werk voor ons een voorbeeld.”
En hoe zit dat met de tekenstijl?
Morjaeu: „Aanpassen is onvermijdelijk, natuurlijk. Het duurt toch wel enkele honderden pagina's voor ik de figuren in mijn hand heb zitten. Maar ik heb dat in het verleden al meer gedaan. Het is gewoon een kwestie van kijken, hard werken en jezelf voortdurend proberen te verbeteren. Er is ook niet echt één Suske en Wiske-stijl, in de loop der jaren is die voortdurend geëvolueerd.
Ik werk met respect voor wat Willy Vandersteen en Paul Geerts hebben neergezet, maar ik krijg de vrijheid om daar mijn eigen invulling aan te geven. Ik zou het in de tekeningen graag weer wat meer laten klinken en botsen. Het mag allemaal wat zotter. Voorwerpen mogen ook terug wat meer acteren. Dat heb ik bijvoorbeeld geprobeerd met de auto’s in De Bangeschieters. Ik heb nog tijd om daar rustig verder aan te werken. Maar er mag geen plotselinge stijlbreuk zijn.”
Is het eigenlijk wel bevredigend om als auteur aan de strip van een ander te werken?
Morjaeu: „Dat is nu eenmaal een keuze die we gemaakt hebben. Aan een eigen reeks werken geeft misschien meer voldoening, maar het betaalt niet altijd de rekeningen. Trouwens, ik heb eigen reeksen gehad, dus ik hoef me niet af te vragen hoe het zou zijn ‘als’…”
Er zijn inmiddels meer dan tweehonderd albums van Suske en Wiske verschenen. Bladeren jullie die allemaal geregeld door om te controleren of een idee niet al eens eerder is gebruikt?
Van Gucht: „Het is onmogelijk om daar allemaal rekening mee te houden. Het overkomt ons vaak genoeg dat een grap of een verhaalidee al eens gebruikt is. Dat is niet zo belangrijk, als de invulling ervan maar genoeg verschilt van de vorige versie. Als het echt té letterlijk is, schrappen we natuurlijk wel. Maar het is onmogelijk om overlappingen te vermijden.”
Veel oudere fans klagen dat Suske en Wiske niet meer zo leuk is als vroeger. Zijn zij de reeks gewoon ontgroeid, of is er echt iets wezenlijks veranderd sinds pakweg begin jaren tachtig?
Van Gucht: „Zoals je zegt, nostalgie speelt een grote rol. Ik vraag te pas en te onpas aan lezers welke albums ze het leukst vinden. Mensen van mijn generatie noemen dan meestal een boek van Vandersteen, maar dertigers vaak een Geerts-album. Dat wat je als kind leest, blijft je bij. Gelukkig krijgen we de laatste tijd van veel oudere lezers het compliment dat de reeks weer echt geestig is. Op signeersessies zien we ook geregeld weer kinderen. Dat stemt ons optimistisch, omdat dát het doel was van de nieuwe opzet: een strip maken die leesbaar is voor jong en oud.”
Maar is het niet onmogelijk elke keer iets nieuws te verzinnen met dezelfde personages? Jerom blijft de sterke Jerom, Lambik de domme Lambik, de hoofdpersonen zijn overal al eens een keer geweest…
Van Gucht: „Tot nu toe lukt het vrij aardig om telkens leuke situaties te verzinnen met dezelfde typetjes. Anders zou het ook erg zijn, hè? Ik ben ocharme net een tweetal jaar bezig! Mijn bezem is nog nieuw en hij keert nog vlot. Ik zie die personages ook heel graag. Je moet ze met liefde behandelen, dan worden het vrienden en met die vrienden wil ik nog jaaaren avonturen beleven. Nieuwe nevenfiguren ontwerpen in één of ander verhaal staat me vrij, maar een nieuw vast personage is – nog – niet aan de orde.”
De verkoop van de reeks is de laatste jaren teruggelopen. Er worden nu meer albums per jaar geproduceerd om de oude omzet te halen. Is dat niet te veel om de kwaliteit te waarborgen?
Van Gucht: „De reeks kende vooral een terugloop tijdens de eerste vijf jaar van deze eeuw. Dat is ook de reden waarom het nieuwe team geïnstalleerd is. Het was onze taak de lekken te dichten en het schip drijvende te houden. Onze aanpak heeft in zoverre al gewerkt, dat de terugloop is gestopt. Nu is het nog een kwestie om de boel weer aan te zwengelen, maar dat is een kwestie van lange adem. Nu mogen we vooral niet inboeten aan kwaliteit. We hebben een goed team om dat te kunnen waarmaken, ondanks de hogere frequentie waarin de strip verschijnt. We hebben zeer getalenteerde mensen in huis die constant het beste van zichzelf geven. Onze lat ligt hoog en we zijn niet van plan die te laten zakken om een nog hoger cijfer te halen. Dat zou trouwens ook niet werken.”
Maar waarom zakte de verkoop na al die jaren zo in, denkt u?
Van Gucht: „De mensen lazen het niet meer graag. De figuren vervreemdden, de verhalen werden te ingewikkeld. En er is de algemene malaise in de stripwereld. Het medium moet optornen tegen allerlei andere vormen van amusement.”
Welke opdracht hebben jullie meegekregen toen jullie de verantwoordelijkheid voor Suske en Wiske kregen? Misschien vergis ik me, maar ik heb de indruk dat de laatste albums weer meer aansluiting zoeken bij een jonger publiek dan bijvoorbeeld de Verhaegen-albums, die soms voor de oudere verzamelaars gemaakt leken.
Van Gucht: „Dat is de nagel op de kop. We willen weer leesbare Suske en Wiskes maken. Verhalen die door jong en oud gesmaakt kunnen worden. Dat betekent een vlot leesbaar verhaal met op de achtergrond hier en daar een knipoog naar de volwassenen. Korte zinnen, geen moeilijke woorden en al goed begrijpbaar door enkel de prentjes te volgen. Maar in de teksten staan allerlei verwijzingen voor volwassenen, die kinderen niet meteen doorhebben maar die hen ook niet storen bij het lezen. Met alle respect voor onze oudere fans en verzamelaars, maar rekening houden met al hun wensen is onmogelijk. Ze willen ook allemaal iets anders. Ik respecteer hun mening, maar ze bekijken de zaak door de ogen van een volwassene – wat normaal is want dat zijn ze ook. Ze verwachten soms heel andere dingen van een strip dan een kind. We houden wél rekening met de algemene commentaar, maar verhalen maken om de enkeling tevreden te stellen kan niet. Voor ons telt de grootste gemene deler met de nadruk op de kinderen.”
Waarom hebben jullie ingestemd met deze baan?
Morjaeu: „Tja, ik heb niet gesolliciteerd naar deze job. Ik was tevreden bij Jommeke en bij Studio 100. Maar met Suske en Wiske ben ik opgegroeid, vele albums heb ik letterlijk kapot gelezen. En dan zelf Lambik en tante Sidonie mogen tekenen, dat is toch iets. Ik vond het een eer dat ze mij vroegen. De reeks ligt me nauw aan het hart en ik vond dat het niet helemaal de goede kant opging met de serie.”
Van Gucht: „Enerzijds is er mijn voorliefde voor verhalen schrijven, anderzijds is er de uitdaging. Sinds mijn achtste wilde ik niks liever dan strips bedenken. Mijn besluit om later striptekenaar te worden, stamt uit die tijd. Uiteindelijk ben ik na lange omzwervingen en het afwerken van een lange waslijst van jobs terechtgekomen bij Suske en Wiske. Toen Leen Vandersteen mij vroeg om vaste scenarist te worden, heb ik dan ook geen seconde getwijfeld. Dit is mijn dream come true. De personages hebben me altijd erg aangesproken en natuurlijk is de reeks ook qua grootte en bekendheid de top in de Lage Landen. De uitdaging is tweeledig: je eigen werk meten aan dat van Willy Vandersteen is op zich al een uitdaging die kan tellen en de reeks uit een negatieve spiraal halen een andere.”
Veel bekende krantenstrips worden afwisselend door dezelfde tekenaars gemaakt. Zo werkte u eerst aan Jommeke en uw Sus&Wis-collega Dirk Stallaert aan Kiekeboe. Gaan alle Vlaamse familiestrips zo niet meer op elkaar lijken?
Morjaeu: „Zolang de oorspronkelijk makers van de reeks, Jef Nys en Merho, over de stijl waken, zit dat gevaar er niet in. Jommeke en Kiekeboe worden dan misschien wel in een studio gemaakt, ze hebben een ziel en een eigen herkenbare identiteit. Dat is met Suske en Wiske ook zo, hoewel Willy Vandersteen er niet meer is. Ik kan alleen maar proberen om die eigenheid er in te houden of er terug in te brengen. En daar ga ik rustig mijn tijd voor nemen. Ik ben de eerste jaren niet van plan om naar een andere reeks over te stappen. Trouwens, wat kun je na Suske en Wiske nog doen?”
Hans van Soest
KADERS:
Peter van Gucht
Sinds februari 2005 is Peter van Gucht leider van het scenarioteam. Hij werkte toen pas twee jaar bij de studio. Van Gucht (1963) studeerde animatiefilm en toneel. Daarna werkte hij voor de radio en sinds begin jaren negentig als scenarist voor onder andere de televisie, als stemacteur voor diverse tekenfilms, als theateracteur en als illustrator en cartoonist onder het pseudoniem Pug. Hij maakte onder andere met Luc Morjaeu de strip Rafke de raaf en voor Marc Legendre schreef hij mee aan Biebel. Het eerste Suske en Wiske-album van zijn hand is De flierende fluiter. Sinds Het slapende goud is hij eindverantwoordelijke.
Luc Morjaeu
De eerste Suske en Wiske waar Luc Morjaeu aan meetekende was Het mopperende masker (opgenomen in het album De blikken butser). Sinds Het slapende goud staat hij samen met Van Gucht aan het hoofd van het teken- en schrijfteam, waarin onder anderen ook Dirk Stallaert, Erik Meynen en Eric de Rop zitten. Voordien diende Morjaeu (1960) diverse broodheren. Hij studeerde aan de grafische academie alvorens hij begin jaren tachtig met Dirk Michiels de stripstudio Mormic oprichtte, waar hij onder andere Bomans’ Erik, of het klein insectenboek verstripte en Disney-werk maakte. Na zijn Mormic-tijd maakte hij ondermeer Biep en Zwiep en werkte hij voor Studio 100 (bekend van Samson en Gert, K3 en Kabouter Plop) waar hij meehielp de tekenstudio op te richten. In 2000 werd hij een van de drie vaste medewerkers van Jef Nys.
|
|