| |
Randall.C's springerige aandachtsding: Dromen is een kunst
Maar liefst twee prijzen sleepte Vlaming Randall.C in de wacht met zijn debuut Slaapkoppen: de VPRO Debuutprijs op de Stripdagen Haarlem en de Debuutprijs van Strip Turnhout. Het boek verrast met een stroom van associatieve beelden, vernuftige woordspelletjes en ronduit schitterend tekenwerk. Randall.C, in het echte leven Randall Casaer (1967), is dol op het werk van Lewis Carroll en dat is te zien. Slaapkoppen balanceert op de grens tussen droom en realiteit. Het is een ode aan de fantasie. Een droomwereld met onbegrensde mogelijkheden. Daardoor laat het album zich onmogelijk samenvatten. Maar één ding is zeker: met Slaapkoppen is een groot talent opgestaan.
door Roel Daenen
Is het niet vreemd dat iemand van 40 jaar nog een debuut maakt?
„Eh… ik kan me voorstellen dat mensen zich die vraag stellen. Maar voor mij is dat eigenlijk niet zo geweldig raar. Of wacht, toch wel. Als iemand op mijn 14e tegen mij zou hebben gezegd: ‘Vriendje Randall, gij gaat pas uw boek maken als ge 40 zijt', dan zou ik zeker gedacht hebben: ‘Dat kan niet!' Ik zat toen al met het idee in mijn hoofd dat ik een geweldige striptekenaar zou worden. Tussen mijn 14e en mijn 20e dacht ik zo van: ‘Joepie, ik word striptekenaar! Ik zei dat trouwens altijd tegen mijn vriendinnetjes: ‘Sorry hè, je zult steeds op de tweede plaats komen, want ik word een neig goeie striptekenaar.' (lacht)”
Wat heb je dan de afgelopen decennia gedaan?
„Doordat ik met vanalles behalve strips bezig ben geweest. En ik ben natuurlijk ook gerijpt. Ik heb echt niet het gevoel dat ik Slaapkoppen eerder had kunnen maken. Eh, hoe zit dat… Ik ben wel altijd blijven tekenen, ben met theater bezig geweest, nou ja, echt met van alles. Ik had weliswaar al in een paar tijdschriften iets gepubliceerd, in Hic Sunt Leones (een tot op heden tweedelig visitekaartje van de Vlaamse strip, uitgegeven voor Bries, red.) , daarvoor in het inmiddels ter ziele gegane tijdschrift Ink en hier en daar een kort stripje. Een album daarentegen, dat is toch wel een beetje een volgehouden inspanning. En ik heb nogal een korte aandachtsspanne . Ik ben heel snel afgeleid. Als er een leuk idee langskomt, dan spring ik er meteen op. (lacht) Of als iemand vraagt: ‘Randall, zullen we dát doen?' Dan zeg ik meteen: ‘Ja, natuurlijk!' En weg ben ik.”
Je debuut sleepte een aantal prijzen in de wacht, waaronder de Blikken Biebel van Strip Turnhout en de VPRO Debuutprijs 2008. Wat betekenen die prijzen voor jou?
„Da’s heel prettig voor mijn ego. En met die prijzen is mijn boekje ook beter gaan verkopen, da’s ook heel tof. Totdat Slaapkoppen af was, was ik daar helemaal niet mee bezig. Ik dacht eigenlijk dat ik iets aan ’t maken was voor een superklein publiek. Zo’n twee maanden voordat het af was, plakte ik alle onderdelen aan elkaar en ik dacht bij mezelf, ‘Verdomme, Randall, wat voor een raar ding heb je nu toch weer gemaakt?’ Ikzelf vond het natuurlijk heel tof, allez, ik ken nog wel vijf mensen die het zouden appreciëren. Maar dat zou het toch zo’n beetje zijn, dacht ik. Inmiddels ben ik gewend aan het idee dat ook andere mensen het appreciëren.”
Voorin Slaapkoppen noem je Carlos Castaneda, Patricia Garfield en Lewis Caroll. Drie schrijvers bij wie dromen centraal staan. Heeft hun werk je beïnvloed?
„Het zijn inderdaad auteurs die mij geweldig geïnspireerd hebben, maar zo zijn er nog een miljoen. Ik heb hen vooral vermeld in Slaapkoppen om de lezer een houvast te bieden. Het is zo dat nergens in het boek staat dat de personages aan het dromen zijn. Maar ik denk wel dat het gemakkelijkst leest als je als lezer denkt dat ze aan het dromen zijn. Dus dat die schrijvers erbij staan, is een beetje zo van: hier, lees het zo. Als je de flap van het album omslaat, staat er ook een gedichtje over slapen:
‘Kom leg u op mijn rug te slapen
intussen zal ik verder gaan
ik zal niks van de grond oprapen
want gij zoudt op uw bakkes gaan’
Ten slotte is het ook gewoon een leestip voor mensen die geïnteresseerd zijn in dromen. Ik zou er zelf geen lezing over kunnen geven of zo, maar Castaneda en Garfield heb ik wel duchtig gelezen, zij het lang geleden.”
Breng je hun ideeën – zoals het lucid dreaming – ook zelf in de praktijk?
„Ja, maar dat gebeurt nogal onregelmatig. Bij sommige mensen gaat dat als vanzelf, bij anderen kost het meer moeite. Ik probeer regelmatig te trainen. Maar als je kinderen hebt zoals ik, lukt dat niet altijd. Je moet in principe rustig kunnen slapen. Maar met de kindjes moet je soms in ’t holst van de nacht opstaan en zo. Regel één om eraan te beginnen: start met een droomdagboek. Dan moet je je natuurlijk wel concentreren om je dromen te kunnen herinneren. Het tweede is: leer herkennen hoe de wereld zich gedraagt en eruitziet terwijl je aan het dromen bent. Zodanig dat je in je droom bewust wordt dat je droomt en je tegen jezelf kunt zeggen: ‘hé dit kan hier niet! Als ik aan mijn vinger trek, dan wordt-ie langer! Dan ben ik aan ’t dromen, joepie! Dan kan ik alles!’
De meest concrete aanleiding om bewust te dromen, is als ik in een droom aan het vliegen ben. Dan krijg ik zo’n gevoel van herkenning, want je weet dat je dat alleen maar in je dromen kan. En dan weet je: ik ben aan ’t dromen! Maar je moet hypergeconcentreerd blijven. Als je bijvoorbeeld denkt: ik hoop dat er achter die deur geen monster zit, dan springt het monster er natuurlijk meteen achter vandaan. Elke gedachte die je hebt, wordt automatisch gerealiseerd. Dus, als je denkt dat er iets zal misgaan, is dat voldoende om een reeks gebeurtenissen in gang te zetten, waardoor het ook effectief misgaat in je droom. Alles wat je denkt, gebeurt ook echt. Het is geweldig plezant.”
Je boek begint met een gedicht. Schrijf je wel meer poëzie?
„Ja. De laatste tijd iets minder. Ik heb ook teksten voor muziektheatergezelschappen geschreven. Ik heb trouwens ook zelf nog als acteur gewerkt, meestal in heel poëtische stukken. Ik ben nu eenmaal een taalgevoelige mens.”
In Slaapkoppen zitten heel wat woordspelletjes. Hoe belangrijk is taal voor je?
„Haha! Er staat in Slaapkoppen een hoofdstukje dat wel aangeeft hoe belangrijk ik taal vind. Maar sta me toe dat ik de Parabel van het mutsje vertel… (lacht) Op zekere dag vertrok ik met mijn gezin naar zee. Het had geregend, het was een koude dag. De avond ervoor was ik naar een feestje geweest en ik was nog niet heel wakker. Je kent dat wel, de drukte voor het vertrek, iedereen in de auto. Hebben de meisjes hun poppetjes bij? Enzovoort, enzovoort. Toen ik mijn jongste dochter in de auto zette, viel haar mutsje op de grond. Ik zie dat mutsje vallen, recht op een grote plas af. Maar het viel ernaast, oef. Want anders, wat had ik moeten doen? Dat kind een nat mutsje teruggeven? Dat zou een heel circus geweest zijn, met huilende kinderen en zo. Wat een opluchting, hè hè. Later, onderweg, dacht ik daarover na. Ik zei tegen mezelf: ‘Ach ja, Randall, dat was een ongelukje.’ En op dat moment verdween de ervaring en alle gevoelens die ik daarover had. En dat was zo vreemd. Er waren acht, negen, dingen tegelijk aan het gebeuren. En als je die had willen beschrijven, had je zeker tientallen bladzijden nodig gehad. Vragen als ‘hoe komt dat ik me zo voel op dit moment?’ kwamen in me op, het van huis weggaan, ergens heengaan, heel die toestand... En dat verdween, zoef, door de simpele gedachte: ‘Het was een ongelukje.’ Wég! Het was geabsorbeerd. En de totaliteit van het vallende mutsje was eigenlijk heel onnozel. Door het te benoemen, verdween het. Taal benoemt een ervaring, geeft het een plekje. En toen ben ik over heel die scène beginnen nadenken. Hoe kan je dat verlies aan ervaring en prikkels dat taal teweegbrengt, counteren? Je hebt taal nodig om dingen te compenseren. Beeldtaal is dan weer een poging om er weer wat ervaring toe te voegen.
Het klinkt misschien allemaal ingewikkeld, maar die ervaring klinkt door in Slaapkoppen. Daarin zit een scène waarin enkel nog in werkwoorden wordt gesproken. Dat vind ik ook wel tof aan poëzie. Poëzie is dikwijls erg vaag. Tussen de woorden door is er echter veel mogelijk.”
In Hic Sunt Leones 2 voer je een (noest werkende) tekenaar op. In hoeverre is dit Randall C?
„Dat is de tekenaar die graag zou willen zijn. Ik werk soms wel zo, maar veel te weinig. Het is ook wel een beetje eenzijdig. Als ik nu een échte tekenaar was, dan zou ik zeggen: ‘Oké, dit is mijn ding’, en dan zou ik enkel nog tekenen. Het heeft wel iets vind, ik. Bijna zoals in een klooster zitten en alleen maar tekenen. Niks anders dan dat. En af en toe eens iemand die wat eten in mijn richting schuift. (lacht) Ach ja, en af en toe eens een wandelingetje maken, alleen in het bos. Ik werk vooral voor mezelf. De strips in Hic sunt Leones en Slaapkoppen zijn ontstaan omdat ik mezelf een plezier wilde doen: iets in elkaar knutselen wat ik zelf tof vind.”
Heb je een grafische opleiding gevolgd?
„Jazeker! Ik heb in Gent op de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten gezeten en heb daar toegepaste kunsten gevolgd. Maar dat was een erg algemene richting. We hebben er zowel modeontwerp, decorbouw als verpakkingen bestudeerd. Zo heel de reutemeteut waarin tekenen gebruikt wordt voor iets anders. Technisch heb ik er als stripmaker niet zo heel erg veel bijgeleerd. En wie heeft mij beïnvloed? Ik denk dat dit een heel erg lange lijst wordt. Die lijst is ook sterk veranderd de laatste jaren. In Slaapkoppen is duidelijk het werk van de Fransmannen te herkennen: Blutch vooral en Blain, maar ook De Crécy en Mattotti. Een tijdje geleden besefte ik dat Slaapkoppen qua verteltempo ook erg schatplichtig is aan manga. De actie in het verhaal is steevast heel erg uitgesponnen. Ik gebruik ook weinig dialoog. Al die Franse strips, die staan zo vol tekst! Ik vind dat fantastisch hoor, maar ik zou het zelf niet kunnen maken. Als ik één ding leuk vind aan strips, is dat je ze leest en bekijkt, je leest én je kijkt. Tekst en tekeningen moeten goed bij elkaar passen.”
Je tekenwerk oogt tegelijkertijd erg dynamisch, maar ook bedrieglijk eenvoudig.
„Ik werk zeer onprecies. (lacht) Ik schets altijd veel voordat ik aan een tekening begin. Ik probeer altijd te vermijden dat ik een tekening steeds opnieuw moet maken. De klassieke stripmaker maakt dezelfde tekening steeds opnieuw. Eerst in blauw potlood, dan in grijs potlood, dan weer een beetje fijner, wat harder duwen op uw potlood, en dan in inkt. Al die lijntjes die er al staan, nog eens doen! Dat past niet goed bij mijn springerige aandachts… eh ding. Sommige tekeningen die ik maak, scan ik en werk ik vervolgens bij op de computer. Andere tekeningen zet ik direct op papier.”
Je begeleidt ook stand-up comedians zoals Wim Helsen. Wat is jouw rol precies?
„Als iemand een complete voorstelling maakt, van het begin tot het einde, kan ik verschillende rollen spelen in het wordingsproces. Eerst ben ik klankbord, daarna zet ik samen de structuur op, of schrijf ik ook een beetje mee, bevraag ik de bedenker over de psychologie van het karakter en blablabla. Daarna word ik regisseur. Soms zijn er ook mensen die me opbellen en zeggen: We zitten met de structuur van ons stuk in de knoop. Kan jij ons niet komen helpen?”
Wat zijn je toekomstplannen?
„Op korte termijn? Eh, ik ben net aan ’t bedenken dat ik voor de lange termijn eigenlijk geen toekomstplannen heb. Misschien moet ik die toch eens gaan maken. (lacht hartelijk) Nu ben ik bezig aan een kinderboek. Daarnaast heeft uitgeverij Oogachtend me voorgesteld een soort van koffietafelboekte maken, met al mijn schetsen. Randall de tekenaar, zoiets. Dat moet nog dit jaar uitkomen. Ook ben ik nog bezig aan de Franse uitgave van Slaapkoppen. En ten slotte ben ik stilletjes begonnen aan mijn volgende strip. Dat moet een ensembleverhaal worden, vergelijkbaar met caleidoscopische film als Magnolia of Short cuts. Met een heleboel personages die allemaal door elkaar lopen. In een stad. De werktitel is dan ook Het is in deze stad zo stil. De werktitel… Dat kan dus nog tienduizend keer veranderen, hè!”
Randall.C’s webstek: www.randall.be
Slaapkoppen verscheen bij uitgeverij Oogachtend en kost € 19,00. |
|