De echte wereld volgens Rutu Modan

Ter gelegenheid van het verschijnen van Vermist, haar eerste in het Nederlands vertaalde strip is Rutu Modan een paar dagen in Nederland. De afspraak in een café tegenover de Amsterdamse dierentuin Artis valt bijna in het water. De politie sluit de doorgaande Plantage Middenlaan af. Overal wemelt het van de politie-, brandweer- en ziekenauto's. Voortdurend klinkt het geluid van sirenes. Dan gaat een mobiele telefoon over. Modan is uitgeweken naar een andere locatie.

De politie-actie blijkt bedoeld om een aantal terminale kankerpatiëntjes zonder oponthoud een fijn dagje dierentuin te bezorgen. Het is een vreemd contrast met het onderwerp van het gesprek over Modans album dat zich afspeelt in hedendaags Israël, een land waar voortdurend sirenes klinken en straten worden afgezet. Maar daar omdat er weer eens een gewelddadig incident heeft plaatsgevonden. Een dergelijk incident – een zelfmoordaanslag – was het startpunt voor Exit wounds, een strip die Rutu Modan maakte in opdracht van de Canadese uitgeverij Drawn & Quarterly en die nu vertaald is bij uitgeverij Podium.

door Hans Pols

„Ik had een documentaire gezien, No.19 van David Ofek, over een aanslag op een bus. Een van de lichamen was zo erg verminkt, dat het slachtoffer niet kon worden geïdentificeerd. Dat gebeurt wel vaker, maar het vreemde was in dit geval dat niemand het lichaam claimde. Blijkbaar was er niemand die het slachtoffer miste. De maker van de documentaire probeerde de identiteit van het slachtoffer te achterhalen. Hij plaatste een advertentie in de krant waarop een man reageerde die zijn zoon al lange tijd niet had gezien. Zo kwam ik op het idee om een verhaal te maken over een vrouw die niet geloven kan dat een man haar heeft verlaten en zichzelf wijsmaakt dat hij is omgekomen bij een aanslag.”

Vermist is het verhaal van twee jonge mensen: de taxichauffeur Eddie Franco en Numi, een jonge vrouw die beweert dat Eddies vader is omgekomen bij een bomaanslag in Hadera. Samen gaan zij op zoek naar de waarheid over Eddies vader in een land waar maatschappelijke ellende en menselijke relaties vaak ongemakkelijk met elkaar verweven zijn. Gaandeweg komt Eddie meer te weten over het vreemde leven van zijn vader en komen Eddie en Numi dichter tot elkaar. Het is Rutu Modans Nederlandse debuut, maar in eigen land is zij al geruime tijd bezig met het maken van stripverhalen.

Rutu Modan maakt deel uit van het stripmakerscollectief Actus tragicus dat sinds een jaar of tien regelmatig gezamenlijke uitgaven op de markt brengt. De laatste paar jaar was het vrij stil rond Actus tragicus. De laatstverschenen uitgave was Dead herrings uit 2004.
„Actus tragicus bestaat nog steeds hoor,” zegt ze. „We hebben zelfs net een nieuw boek uitgegeven. How to love heet het. Dat het een tijdje stil geweest is, heeft onder andere te maken met Vermist, waar ik twee jaar aan gewerkt heb. In de zelfde periode schreef collega Yirmi Pinkus een roman, die inmiddels ook af is. Toen we begonnen, was het de bedoeling om elke twee jaar iets uit te geven of vaker. Als we samen aan een project werken, zien we elkaar om de paar weken en bespreken we elkaars bijdragen. Strips maken is een heel eenzame bezigheid en ik vind het iets unieks dat er een groep mensen is die me tijdens het scheppingsproces helpt met kritiek en me aanmoedigt. Ook nu ik tijdelijk in Engeland woon, weet ik dat ik de anderen altijd kan bellen of mailen en zij mij.”

Wat was in 1995 de reden om Actus tragicus op te richten?
„We zijn met Actus tragicus begonnen, omdat we onze strips wilden publiceren. We maakten langere verhalen en die konden we niet kwijt bij kranten of tijdschriften. Daarom zijn we ze zelf uit gaan geven. Er worden nog altijd nauwelijks strips uitgegeven in Israël.
Ik heb wel Amerikaanse strips gelezen als kind en dat heeft ongetwijfeld mijn interesse gewekt, maar het was toch vooral iets voor jongens. Later maakte ik kennis met Raw en op de kunstacademie had ik een docent, een Belgische immigrant, die me in contact bracht met het Europese stripverhaal. Strips waren vrijwel een onbekend verschijnsel in Israël en deze docent gaf als eerste en cursus striptekenen aan een Israëlische kunstacademie. Dat was ongeveer vijf jaar voordat we begonnen met Actus. Ik had het geluk dat ik al tijdens mijn studie kon beginnen met het publiceren van strips. Een vriend van me was een weekblad begonnen en wilde er ook een stripverhaal in. Aangezien er voor de Israëliërs geen onderscheid bestond tussen mainstream en alternatieve strips – het stripverhaal was sowieso iets vreemds – kon ik naar hartelust experimenteren en doen wat ik wilde. Toen ik twee jaar later afstudeerde had ik zodoende al een zekere bekendheid als stripmaker.
In 1994 werden Yirmi Pinkus – een klasgenoot van mij en ook striptekenaar – en ik benaderd door een uitgever die een Israëlische versie van Mad wilde gaan uitbrengen en vroeg of wij de redactie wilden doen. De bedoeling was dat het maandblad voor 75 procent zou bestaan uit vertaalde Amerikaanse strips en voor de rest uit eigen lokaal materiaal. We deden het meer voor de lol dan voor het geld. We hoefden geen actueel materiaal te selecteren dus we konden allerlei mooi materiaal uit de jaren vijftig en zestig plaatsen. En we leerden heel veel, want we moesten alles zelf doen: de redactie, het drukken, de marketing. We hielden allebei van alternatieve strips dus voor de 25 procent eigen bijdragen maakten we zelf werk en benaderden we andere alternatieve Israëlische stripmakers en illustratoren. Het was niet zo’n gelukkige combinatie. De mensen die van de oude Mad-strips hielden, hielden niet van de alternatieve strips en andersom. We waren niet echt slim bezig. Niemand kocht het blad en na een nummer of tien hield het op te bestaan. We hadden opnieuw geen mogelijkheid om ons werk te publiceren en mede daarom besloten we om onze strips maar zelf uit te gaan geven, ook al zou ons dat waarschijnlijk alleen maar geld gaan kosten. Vanaf het begin hebben we de uitgaven van Actus Tragicus in het Engels gemaakt, omdat we een groot publiek wilden bereiken. Alleen in het Hebreeuws publiceren was niet haalbaar. En we brachten ons werk onder de aandacht door veel te reizen en aanwezig te zijn op Internationale stripfestivals (Zo had Actus een expositie in Nederland tijdens de Stripdagen Haarlem in 2002, red.).”

Met hoevelen zijn jullie?
„Actus tragicus bestaat uit vijf personen. Yirmi Pinkus was een klasgenoot van me, Batia Kolton was een van mijn eigen studenten. Ik vond haar werk erg goed en wilde graag dat ze met ons mee zou doen. Mira Friedman en Itzak Rennert waren al bekende en succesvolle illustratoren. We hadden geen vastomlijnd plan en wisten niet precies wat we zouden gaan doen, maar we wilden samen iets maken. Ondanks onze onderlinge verschillen hadden we een zelfde houding ten opzichte van strips. Vanaf het begin was het vertellen van verhalen belangrijk voor ons. Batia Kolton begon heel experimenteel, maar ontwikkelde zich ook steeds meer tot een verhalenverteller. Ik vind dat stripverhalen net zo betekenisvol kunnen zijn als literatuur. Er zijn genoeg mensen die mooie plaatjes tekenen, maar het gaat bij een stripverhaal om de inhoud, het verhaal. Ik heb een paar keer samengewerkt met de Israëlische schrijver Etgar Keret. Van hem heb ik veel geleerd. Maar ik schrijf nu mijn eigen verhalen.
Vermist is mijn eerste eigen graphic novel, maar net als bij een project van Actus hebben de anderen me wel feedback gegeven bij het proces. De manier van werken was het zelfde. Actus is meer dan eens in de paar jaar een gezamenlijk dingetje doen; ook bij onze soloprojecten stimuleren we elkaar. Zelfs bij de roman waar Yirmi Pinkus de afgelopen jaren werkte, waren de anderen betrokken. We lazen gedeelten er uit en gaven commentaar.”

Wat waren jouw inspiratiebronnen?

„Raw was een belangrijke invloed voor ons in die tijd, Art Spiegelman, Daniel Clowes, Charles Burns, maar ook Hergé, Windsor MacKay en andere stripmakers uit de begintijd. Bijna allemaal Amerikaanse striptekenaars. Er was maar één Israëlische striptekenaar waarvan je kunt zeggen dat hij mij heeft beïnvloed heeft: Dudu Geva, maar hij was dan ook vrijwel de enig in Israël die strips tekende. Behalve door kunstenaars ben ik ook beïnvloed door schrijvers. Ik maak strips omdat ik verhalen wil vertellen. Een schrijfster die mij erg heeft beïnvloed, is Natalia Ginzburg. Zij heeft het talent om heel emotionele verhalen op een heel rustige manier te vertellen. Ik probeer dat ook te doen. Ik beschrijf zelden gevoelens, niemand in mijn verhalen uit zich emotioneel. Ik probeer hun gevoelens te tonen in heel kleine dingen die ze zeggen en doen. Vermist is geen verhaal over een bomaanslag, maar over hoe het leven van mensen door een bomaanslag is beïnvloed. Ik vind niet dat ik sombere verhalen maak. Ik wil het leven laten zien zoals het is. Ik houd niet van verhalen waarin mensen voortdurend zeggen hoe veel ze van elkaar houden, zo zit de echte wereld niet in elkaar. Ik heb er nooit aan getwijfeld dat mijn ouders van mij houden, hoewel ze dat nooit in die woorden tegen me hebben gezegd.”

Je zou Vermist kunnen omschrijven als een liefdesverhaal over twee gewone mensen in ongewone omstandigheden.
„Het is een verhaal over mensen en mensen zijn overal hetzelfde. Natuurlijk zijn er elementen in het verhaal die typisch Israëlisch zijn, maar het gaat niet alleen om het feit dat er een bomaanslag plaatsvindt. Het draait om menselijke relaties, om hoe mensen  zich gedragen. Als het zelfde verhaal zich zou afspelen in Amerika, zou je bijvoorbeeld nooit geloven dat mensen elkaar zou gemakkelijk weten te vinden. Maar in Israël kan dat. Iedereen kent elkaar. Mensen die elkaar net kennen, vertellen elkaar hun hele levensverhaal. Familie is ook iets heel belangrijks in Israël. Dat een jongen zijn vader twee jaar niet heeft gezien, is voor een Israëliër onvoorstelbaar, zelfs al zijn zij het met elkaar oneens.”

Gaan mensen in Israël dan ander met elkaar om dan in andere landen?
„Neem Tel Aviv. Het is de meest levendige en moderne stad van Israël. Het is een kleine stad maar er is altijd veel te doen en er is een druk cultureel leven. Maar tegelijkertijd houdt het ook de sfeer van een kleine gemeenschap waar iedereen elkaar kent.”

Werk je direct in het Engels?

„Nee. Ik schrijf het script van mijn verhalen in het Hebreeuws. Daarna laat ik de tekst vertalen in het Engels en begin ik met het tekenen van de pagina’s. Bij de vertaling gaat altijd iets van de oorspronkelijke tekst verloren. Ik ben van huis uit niet Engelstalig. Ik denk in het Hebreeuws, ik schrijf in het Hebreeuws. Daarom heb ik mijn Nederlandse uitgever gevraagd om de tekst uit het Hebreeuws te laten vertalen. Het oorspronkelijke script is dus gebruikt voor de Nederlandse vertaling, want er bestaat nog geen Israëlische versie van het boek. Zoals je weet, wordt het Hebreeuws van rechts naar links gelezen en daar had ik geen rekening mee gehouden toen ik bedacht dat de hoofdpersoon taxichauffeur is. Ik heb alle tekeningen waarop de taxi te zien is opnieuw moeten tekenen.”

Alweer bezig met nieuwe projecten?
„Ik werk op het moment aan een verhaal voor de New York Times van 17 pagina’s waarvan er wekelijks een wordt gepubliceerd. Het is een heel leuke opdracht, want ik heb nooit eerder een strip gemaakt die met een ritme van een pagina per week verschijnt.
Dankzij Vermist kan ik voor het eerst leven van het tekenen van stripverhalen, hoewel dat nooit mijn doel is geweest. Ik zie mezelf niet zo zeer als een stripmaker. Het is een van de dingen die ik doe. Maar bijvoorbeeld lesgeven vind ik net zo boeiend en belangrijk.”

 

 

 
 

meer in ZozoLala 161