Het is groen en het is grappig
Cyril Pedrosa lacht om de ongemakkelijke waarheid

Een van de meest indrukwekkende albums van het afgelopen jaar was Drie schimmen van de Fransman Cyril Pedrosa. Die strip sleepte tijdens het stripfestival van Angoulême in 2008 een van de vijf ‘Essentiels’– zeg maar de zilveren medaille van een van de belangrijkste Europese stripfestivals – in de wacht. Een ontroerend en hartverwarmend verhaal in virtuoze penseelvoering op papier gezet. Drie schimmen betekende Pedrosa’s doorbraak naar het grote publiek. En nu komt Autobio, de jongste telg van het nieuwe Glad IJs-fonds (zie ook de vorige ZozoLala). Autobio is, zoals de titel al doet vermoeden, autobiografisch en biedt een komisch inkijkje in het leven van Pedrosa en de zijnen, die proberen hun ecologische voetafdruk zo ‘licht mogelijk te houden’. De protagonisten eten bij voorkeur voedsel van biologische afkomst, rijden overal en ongeacht de weersomstandigheden heen met de fiets en zijn nooit te beroerd om hun groene standpunt met hand en tand te verdedigen. Of toch niet? Een ongemakkelijke waarheid met een fijne speelse knipoog.

door Roel Daenen

Waarom een humorstrip over mensen die ecologisch proberen te leven?
„In de allereerste plaats omdat het boek grotendeels overeenkomt met mijn eigen leven, al heb ik heel wat zaken sterk in de verf gezet en wat aangedikt. Je moet weten dat ik verschillende jaren nogal actief ben geweest in de milieubeweging. Ik was een soort militant. Momenteel staat mijn strijdlust op een laag pitje, maar ik koester nog steeds een sterke verbondenheid met de ideeën van de groene beweging. Het is echter niet zo eenvoudig om de ‘groene boodschap’ op een niet-stereotiepe manier in beeld te brengen. Zeker nu, anno 2009. We beleven immers woelige tijden: het is crisis, onze maatschappij is aan sterke veranderingen onderhevig en we worden haast verplicht om ingrijpende keuzes te maken. Maar juist door die spanningen ontstaan heel wat situaties die erg grappig zijn. Ik doe daar als stripmaker nog een extra schepje bovenop, door mensen als ikzelf op te voeren, ecolo’s dus, met het gedrag dat hen en mij eigen is. Het is goed om een beetje afstand te nemen van dat alles. Ik ga met dit boek geen zieltjes winnen voor de groene zaak, hoor. Je kunt het gedrag van mensen maar moeilijk beïnvloeden en zeker niet met een boek als Autobio. Het zou al niet slecht zijn als mensen hierdoor wat verstrooiing en amusement vinden. En dat ze aanvoelen dat er, ondanks de grappen en grollen, toch een belangrijke boodschap in zit. Want het boek is grappig én behandelt tegelijk een belangrijk thema. We zijn immers goed bezig met het vernietigen van de planeet én onszelf… Die bekeringsdrift is een restant van mijn tijd als milieuactivist. (lacht) Opnieuw, het is niet altijd eenvoudig om de boodschap te brengen. Hoe begin je iemand te overtuigen? Je hebt dan verschillende opties. Ofwel begin je met een heel serieus verhaal, ofwel ga je overdrijven en uitvergroten om toch wat aandacht te krijgen. Ik vind dat je je als ecolo creatief moet opstellen. In het boek stel ik de groenen voor als idioten, koppige types, of volslagen klunzen… Ik doe dat omdat ze ook daadwerkelijk koddig zijn in hun gedrag. Als militant had ik dit boek echter niet kunnen maken. Nu, als ex-militant, kan ik dat weer wel. Juist omdat ik dat wereldje zo goed ken.”

In hoeverre is Autobio autobiografisch?
Het zijn wij ten voeten uit! Je maakt kennis met mij, mijn vrouw, onze kinderen en vrienden. Maar vergis je niet: ik neem telkens een echte situatie als uitgangspunt, om er dan een aantal zaken aan toe te voegen of te vermengen met de gangbare clichés. En ik sta mezelf ook toe om te liegen! Het moet grappig zijn, dus ik vergroot soms wel het een en ander uit. (lacht) Ik heb na het verschijnen heel wat reacties gekregen, vooral van vrienden en kennissen. Heel wat lezers hebben zich er in herkend, dat wel. Ook mensen uit de groene beweging. Die appreciëren de milde toon van het boek. Maar ik kreeg ook wel bizarre reacties, van mensen die vinden dat je niet mag lachen om het groene ideaal. Allez, het gaat hier over mijn eigen ervaringen en besognes. Ik begrijp niet dat ze dit opvatten als iets serieus. Bizar. We nemen onszelf toch niet al te serieus, hoop ik?”

De laatste jaren wordt het publiek overspoeld met autobiografische strips. Waar moet een goede autobiografische strip voor jou aan voldoen?
„Ah, dat is een moeilijke vraag. Er zijn inderdaad veel autobiografische strips. Erg veel zelfs, wat het moeilijk kiezen maakt. Maar ik denk aan het werk van Fabrice Neaud, die indrukwekkende albums maakt (niet in het Nederlands vertaald, red.). Of de strips van Etienne Davodeau. Hij registreert wat hij ziet en geeft zichzelf en zijn eigen invalshoeken een eigen plaats. Hij houdt de lezers een spiegel voor. Hoogst intrigerend vind ik dat. En ik ben ook een grote fan van het werk van Joann Sfar. Net zoals de man zelf, zijn zijn los getekende dagboekstrips heel inventief en gepassioneerd.”

Je probeert altijd vanuit een waargebeurd of ‘echt’ gegeven te vertrekken. Je succesboek Drie schimmen ontstond naar aanleiding van de dood van het zoontje van vrienden, niet?
„Ja, dat klopt. Maar dat boek heeft mede daardoor een toon die erg verschilt van Autobio. In tegenstelling tot de vader heeft de moeder het boek wel gelezen en me verteld dat ze het er heel erg moeilijk door had. Het reed wonden open. Toch heeft het album weinig met de realiteit van doen. Het verhaal speelt zich af in een verre, verleden tijd, in een gefantaseerde setting. Het heeft dus weinig te maken met hetgeen specifiek die ouders hebben meegemaakt. Het is een lang verhaal over een fundamenteel onderwerp: de angst die iedere ouder heeft om zijn kind te verliezen. Ik had al erg lang zin om dit boek te maken. Maar ik zag er ook erg tegen op om eraan te beginnen. Omwille van de complexiteit en de gevoeligheid van het verhaal. Dat heeft me lang tegengehouden. Uiteindelijk was het Lewis Trondheim die me heeft aangeraden het toch te doen. Dat was echt een enorme opluchting. Het klinkt misschien gek, maar het voelde haast alsof hij me bij voorbaat absolutie verleende om het te doen.”

Je hebt een poosje in de animatiestudio’s van Disney gewerkt. Hoe ben daar eigenlijk terechtgekomen?
„Goh,dat is intussen al zo lang geleden. Ik was toen nog piepjong, begin twintig. En ik had de kans in de animatiefilmstudio’s te beginnen. Ik was echt enorm onder de indruk van de omgeving en de mensen die er werkten. Ik werd omringd door briljante tekenaars die schitterend werk leverden. Maar na een poosje begon ik te beseffen dat ik niet helemaal gelukkig was. Begrijp me niet verkeerd, ik werkte er als animator en het was een fantastische baan, dat kan ik je verzekeren! Maar het vroeg ook erg veel energie, moeite, passie en tijd. En als je niet helemaal overtuigd bent van je ding, dan is het moeilijk om dat vol te houden. Ik was niet volledig gelukkig met mijn rol. Je moet weten dat je daar deel bent van de grote machinerie. Je bent maar een heel klein radertje. Ik ben wel blij met de kansen die daar heb gekregen, ik heb er ook enorm veel opgestoken. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de specifieke beeldtaal in de animatiefilms van Disney. Het is moeilijk dat uit te leggen. Het is zo dat je als animator zaken toevoegt, heel voorzichtig, tot je een fraai, dynamisch én leesbaar resultaat krijgt. Maar wat ik vermoedelijk het meest heb overgehouden aan die periode, is mijn aandacht voor de lichaamstaal van de personages. Die voel ik aan als heel bijzonder en expressief. Dat probeer ik nog steeds over te brengen. Dat is eigenlijk ook iets waarmee ik al tijdens mijn studie als animator bezig was, maar pas echt onder de knie heb gekregen bij Disney. Je gaat steeds uit van de expressieve mogelijkheden van het personage.”

Mis je het filmmaken niet?
„Nee, helemaal niet. Om te beginnen, het was een erg korte ervaring in mijn leven. Intussen zijn we ruim tien jaar verder. Hoe meer ik er over denk, hoe meer zin ik krijg om strips te blijven maken. Maar af en toe werk ik nog steeds mee aan tekenfilms hoor. Niet meer als animator, wel als ‘onderzoeker’. Ik probeer dan bepaalde zaken uit voor de look and feel van de film, het design, grafische dingen en zo. Het echte animatiewerk, neen, dat mis ik niet. Ik blijf echter wel geloven in de expressiviteit van het medium. Als ik meer tijd, middelen en de vaardigheden zou hebben, zou ik best nog wel wat willen werken aan de realisatie van tekenfilms. Maar dan niet meer als animator, wel als art-director of producer. Maar goed, ik kan dat niet, het is mijn beroep niet, dus daarvan is voorlopig geen sprake. En op dit moment ben ik dolgelukkig als striptekenaar.”

Welke auteurs hebben je beïnvloed?
„Oh la la… Dat is moeilijk te zeggen, want dat zijn er erg veel. Ik beperk me gemakshalve tot de hedendaagse tekenaars. Ik hou erg veel van het werk van Blutch. Hij is wellicht degene die me het meest heeft beïnvloed. Maar ik denk ook aan David Prudhomme en Pascal Rabaté. Ik ben dol op wat zij doen. Of Nicolas de Crécy, dat is ook echt een ongelofelijke tekenaar. In Autobio duikt er ook een tekening van hem op, als affiche op een van de muren bij ons thuis. Ik heb van De Crécy een kleine reproductie in zwart-wit en een mooie tekening uit New York-sur-Loire. Ik heb die al erg lang, uit de tijd dat hij zijn eerste boek uitbracht. Ik zou erg graag net zo virtuoos zijn als Nicolas… Echt waar, zijn werk is zeer indrukwekkend.”

Waar trek je de grens in je autobiografische strips tussen hetgeen je wilt vertellen en wat je liever verzwijgt?
 „Voor Autobio kamp ik niet zo met dat probleem. Omdat… (twijfelt) ik mezelf heb toegelaten om te liegen, zoveel als nodig was voor het verhaal. En het doel was grappig zijn! Het ging dus niet louter over de uitdrukkingskracht van het verhaal, maar wel over iets dat grappig moest zijn. Grappig en toch belangrijk. En ik maak mezelf graag wat belachelijk, of ik verzin graag maffe dialogen in functie van het verhaal. Dingen die in het echte leven natuurlijk niet gebeuren. (lacht) Andersom is het iets gecompliceerder. Als je aan een album werkt, en je wilt net iets meer dan het verhaal brengen, en zeg maar het louter verstrooiende karakter van je werk overstijgen, dan wordt het echt veel moeilijker. En ik spreek uit ervaring. Momenteel ben ik aan het werk aan een boek over Portugal. Een migrantenverhaal waarvoor ik uit mijn persoonlijke geschiedenis put. Je moet weten dat mijn grootouders uit Portugal kwamen en ik dus ook nog wat van dat land en die cultuur in me heb. Die roots hebben mijn leven op zekere manier beïnvloed, dat is iets wat me al lange tijd bezighoudt. Ik heb zin om daarover te vertellen in een nieuw album, maar zonder mezelf al te veel in beeld te brengen. Ik vind dat best moeilijk, want het een fictief verhaal met niet-bestaande personages. Tegelijk ligt het toch ook dicht bij de ware geschiedenis van mijn grootouders.”

 

KADER
Cyril Pedrosa werd in 1972 in Poitiers geboren. Na zijn studie animatietechnieken ging hij aan de slag bij de Disney-studio’s, waar hij onder meer meewerkte aan de tekenfilms De klokkenluider van de Notre Dame en Hercules. Zijn eerste stripproject stamt uit eind jaren ’90 toen hij samen met scenarist David Chauval het hier niet vertaalde Ring Circus maakte voor uitgeverij Delcourt. In het Nederlands verscheen wel zijn kinderstrip De spookbrigade bij uitgeverij Dupuis. Ook verschenen er vorig jaar een verhaal van zijn hand in de erotische stripbundel Eerste keer en de striproman Drie schimmen, beide bij uitgeverij Silvester.


 
 

meer in ZozoLala 164