Reinhard Kleist: Johnny Cash was een verhalenverteller

Cash - I see a darkness is de langverwachte Nederlandse vertaling van de veelgeprezen biografie in stripvorm van countryzanger Johnny Cash. De man achter die fraaie uitgave is de Duitser Reinhard Kleist. Cash is inmiddels in vele talen verkrijgbaar en bezorgde Reinhard Kleist wereldwijde bekendheid. In eigen land geldt hij al geruime tijd als een van de belangrijkste stripmakers van het moment.

Reinhard Kleist (39) debuteerde in 1994 met Lovecraft, een verhaal dat ontstond tijdens zijn opleiding grafische kunst en vormgeving in Münster. Het leverde hem de Max und Moritz-Preis op voor het beste Duitstalige stripalbum op het festival van Erlangen in 1996. Het zou niet de laatste keer zijn dat zijn werk hem een prijs opleverde. Lovecraft is een griezelig verhaal over de Amerikaanse horrorauteur Howard Phillips. Een stripmaker gaat hierin op zoek naar sporen van Lovecraft die hij wil gebruiken voor een biografie. Hij raakt betrokken bij bovennatuurlijke gebeurtenissen en komt er achter dat Lovecrafts leven nog duisterder was dan zijn werk.

Wat spreekt u zo aan in het werk van H.P. Lovecraft?

„Wat mij bij Lovecraft altijd heeft gefascineerd, is de verbondenheid van zijn leven met zijn werk, hoewel je je dat in eerste instantie niet kunt voorstellen. Maar Lovecraft heeft echt een zeer vreemd leven gehad. Verder is er natuurlijk de ongelofelijk poëtische sfeer van zijn verhalen die zich makkelijk laat omzetten in beelden. Bij het lezen van zijn verhalen ontstaan er buitengewoon sterke beelden in je geest.”

Hebt u altijd al stripmaker willen worden?

„Nee. Ik heb weliswaar als kind strips getekend, maar ik wilde veel liever filmmaker worden. Maar ik kwam er achter dat ik daarvoor te veel een individualist ben. Dat staat je bij het maken van films in de weg. Strips maken is dan een goed alternatief. Het maken van een strip is zoiets als het maken van een film op papier, waarbij je in je eentje het hele filmproductieteam bent .”

Welke andere kunstenaars hadden in die tijd invloed op uw werk?
„Toen ik begon met strips tekenen, waren dat vooral Engelse en Amerikaanse stripmakers zoals Dave McKean, Kent Williams en Bill Sienkiewicz. Daarna ben ik meer geïnspireerd geraakt door undergroundstrips en ben ik met allerlei stijlen, vooral in zwart-wit, gaan experimenteren. Ik geloof dat ik nu op een punt ben aangekomen dat ik mijn eigen handschrift heb ontwikkeld.”

Reinhard Kleist heeft inderdaad een eigen stijl ontwikkeld die nu in zowel zijn werk in kleur als in zwart-wit herkenbaar is als de zijne. Heeft hij een voorkeur voor het maken van traditionele stripalbums in kleur, zoals Berlinoir, of maakt hij liever een grafische roman in zwart-wit, zoals Cash?
„Op het moment heb ik absoluut een voorkeur voor de zwart-wit roman. Ik houd er van om lange verhalen te vertellen. De omvang van het traditionele stripboek van 48 pagina’s legt me te veel beperkingen op. Ook het werken in kleur is beperkend, het kost immers veel meer tijd om een pagina in kleur te maken. Niettemin werk ik ook graag in kleur, zoals in mijn recente reisverslag over Havanna.”

Het oeuvre van Reinhard Kleist bestaat uit stripalbums in kleur, zwart-witwerk van afwisselende lengte en reisverslagen. Vaak gebruikt hij bestaande personen of hun werk als uitgangspunt voor zijn werk waar horror als een soort rode draad doorheen loopt.
Na Lovecraft maakte Kleist in 1996 Dorian, waarin hij Oscar Wildes The picture of Dorian Gray combineerde met Human remains van horrorschrijver Clive Barker. „Wat mij bij Clive Barker aanspreekt, is de psychologische kwaliteit van zijn verhalen. In Human remains, dat ik gebruikt heb als uitgangspunt voor Dorian beschrijft hij bijvoorbeeld haarscherp hoe de hoofdpersoon ten onder gaat en steeds meer van zijn menselijkheid verliest.”

Hebben de verhalen van Barker en Lovecraft niet alleen als inspiratiebron voor uw eigen verhalen gediend, maar hebben ze ook uw tekenstijl beïnvloed?
„Natuurlijk, bij Lovecraft zijn het de heftige beelden die hij beschrijft die invloed hadden op hoe het boek er uit kwam te zien. Hij wisselt heel precieze beschrijvingen af met beschrijvingen die veel ruimte overlaten voor interpretatie en af en toe laat hij het helemaal aan de lezer over. Voor een illustrator is dat natuurlijk heel prettig. Voor Barker hebben we gekozen, omdat hij ons een prachtig uitgangspunt gaf voor een interpretatie van Doran Gray. Daarbij is Dorians portret niet iets dat aan de muur hangt, maar een zelfstandig handelende figuur.”

In 2002 keerde Reinhard Kleist terug naar Lovecraft en maakte Das Grauen im Gemäuer, waarin hij experimenteert met kleur en zwart-wit om vijf verhalen van Lovecraft in beeld te brengen. In 2003 begon hij met Tobias O. Meisner aan Berlinoir, een driedelige serie, een soort dystopie die zich afspeelt in een toekomstig Berlijn, waar een bloeddorstige groep vampiers aan de macht is en de bevolking letterlijk uitzuigt. Slechts een handjevol rebellen verzet zich tegen hen. Het is een grimmig verhaal in donkere tinten over een niet bepaald vrolijk stemmende toekomst. In de manier waarop Kleist de stad in beeld brengt verwijst hij naar een aantal klassieke films zoals Metropolis, Das Cabinet des Dr. Caligari, The Third Man en Blade Runner. Ook wordt verwezen naar het nazisme en het DDR-verleden van Berlijn, waardoor Berlinoir meer wordt dan zomaar een horrorthriller. Het is ook een verhaal geworden over gebeurtenissen uit heden en verleden van Berlijn.

Hebt u in Berlinoir horror gebruikt als metafoor om maatschappijkritiek te leveren?
„Niet alleen. Wat ik boeiend vond aan Berlinoir, was het grote aantal personages waar ik mee kon spelen. Het basisidee dat vampiers een stad regeren en het bloed uit de inwoners zuigen, is natuurlijk een leuke metafoor voor het uitoefenen van macht. De geschiedenis van Berlijn biedt voor een dergelijk verhaal wellicht meer materiaal dan welke andere stad ook.”

Ondanks bijval van de kritiek en een groeiend aantal prijzen op zijn naam brak Kleist pas echt goed door in 2006 met Cash - I see a darkness. Heeft het succes van deze strip hem verrast?
„Absoluut, geen mens had dat verwacht. Het succes van de film Walk the line heeft zeker een handje geholpen, maar in Duitsland is Johnny Cash altijd een grootheid geweest. In Frankrijk echter kwam eerst de film uit en pas daarna mijn boek.”

Cash – I see a darkness is het verhaal van Johnny Cash, (1932-2003) een man die zich opwerkte van zoon van een katoenboer tot een van de belangrijkste country- en westernzangers van zijn generatie, die veel invloed heeft gehad op meerdere generaties popmuzikanten. Tot zijn grootste bewonderaars horen artiesten zoals Bono, Nick Cave en Bob Dylan. Cash – I see a darkness leest als een trein. Kleist vertelt het levensverhaal van de zanger met vaart, de biografische gedeeltes wisselt hij af met pagina’s die refereren aan songs van Cash. Zonder een woord uit de liedtekst te gebruiken, is duidelijk dat de eerste pagina’s van het boek verwijzen naar Folsom Prison blues als een soort videoclip met Cash in de hoofdrol. Dit wordt nog een paar keer in het boek herhaald. In deze fragmenten experimenteert Kleist met verschillende tekenstijlen zonder afbreuk te doen aan de continuïteit van het verhaal. Net als de eerste zijn ook de laatste pagina’s ijzersterk: de acht pagina’s waarin de oude man zijn dood tegemoet gaat, behoren tot de mooiste strippagina’s die ooit zijn gemaakt. Maar tussen de eerste en de laatste pagina’s gebeurt gelukkig ook heel veel wat van Cash -I see a darkness een absolute aanrader maakt.

Waar komt uw interesse voor Johnny Cash vandaan?
„In eerste instantie wilde ik niet iets over Cash in het bijzonder maken. Ik wilde iets met muziek doen in een stripverhaal, muziek laten ervaren in stripvorm. Via een vriend kwam ik in aanraking met de Johnny Cash-biografie van Franz Dobler. Aanvankelijk begon ik die met enige scepsis te lezen, ik betwijfelde of het leven van een countryzanger wel iets interessants kon opleveren, maar ik raakte er volledig van overtuigd dat dit precies was wat ik zocht. Wat mij zo boeit bij Johnny Cash, is zijn vermogen om zo overtuigend verhalen te vertellen in zijn songs dat het klinkt alsof hij alles zelf heeft meegemaakt. Voor mij als stripmaker was dat een geweldige uitdaging.”

 

KADER:
Johnny Cash maakte zijn eerste opname Hey Porter/cry cry cry voor het legendarische Sun-label van Sam Phillips, waar ook Elvis Presley, Carl Perkins en Jerry Lee Lewis voor werkten. Een jaar later brak hij definitief door met I walk the line en Folsom Prison blues. Zijn enorme succes en het zware tourschema (Cash trad tot 300 keer per jaar op!) kreeg al spoedig een keerzijde: hij verwaarloosde zijn eerste vrouw en kinderen en raakte verslaafd aan drank en amfetaminen. Dankzij zijn geloof in God en de liefde van zangeres June Carter wist hij zijn verslaving te overwinnen. Eenmaal van zijn verslavingen af, maakte hij een comeback met optredens in gevangenissen. Het leverde een van de beste live-albums aller tijden op: Johnny Cash live at Folsom prison. Dit concert speelt een centrale rol in Cash - I see a darkness. Het verhaal wordt verteld door Glen Sherley, een van de bewoners van de gevangenis. Cash nam een nummer van hem op en na zijn vrijlating zou Sherley enige tijd deel uitmaken van het gevolg van Johnny Cash.
In 1968 trouwde Johnny Cash voor de tweede keer, nu met June Carter, die hem nu niet langer alleen op het podium terzijde stond. In de jaren ‘70 keerde hij zich steeds meer af van de gladde commerciële country & westernscene van Nashville en deed regelmatig politieke uitspraken. Met zijn donkere kledij en uitgesproken meningen inspireerde Cash een nieuwe generatie artiesten. Met drie andere outlaws (Willie Nelson, Waylon Jenings, Kris Kristoffersen) vormde hij in de jaren ’80 The Highwayman, maar daarna raakte hij in de vergetelheid. Vanaf 1993 leerde het publiek een heel andere Johnny Cash kennen dankzij producer Rick Rubin die met hem de American recordings maakte: vijf albums die een man laten horen die een ruig leven achter de rug heeft en niets liever doet dan met zijn gerijpte stem en spaarzame begeleiding verhalen vertellen over God, misdaad, de liefde en het leven.

 
 

meer in ZozoLala 165