| |
Schwantz: ‘Ik kan al mijn woede kwijt in Beestjes’
Zelf kan Schwantz zelden hardop lachen om een strip. „Maar ik kan wel erg genieten van een goed opgebouwde grap,” vertelt de maker van de dagstrip Beestjes. „Daar besteed ik dan ook veel aandacht aan. Ik maak geen hoogstaande kunst. Hopelijk wel iets wat mensen opbeurt wanneer ze de krant pakken.”
Schwantz (pseudoniem van Hans Klaver, 1974) heeft een atelier in een oud fabrieksgebouw aan de rand van de Haarlemse binnenstad. Een kleine kunstenaarskolonie. Ook Gerrie Hondius heeft daar haar werkruimte en ooit deelde Schwantz zijn atelier met cartoonist Trik (Raymond Hendriks), ‘totdat we gingen scheiden omdat we ons te veel aan elkaar ergerden’. Elke ochtend om negen uur schuift de tekenaar hier aan achter zijn bureau. „Ik ben geen stereotiepe kunstenaar,” vertelt hij. „Ik kom hier om negen uur en ga ’s middags om vijf uur weer naar huis. Dan is mijn werk af en de rest van de dag ben ik vrij. Thuis krijg ik wel eens een ingeving voor een grap, maar de meeste strips bedenk ik toch hier achter mijn bureau. Ik heb niet de behoefte thuis nog artistiek te doen en plaats te nemen achter een schildersezel of zo. Ik houd werk en privé liever gescheiden. Ik heb wel een periode gehad dat ik me ’s avonds thuis op de bank zó ergerde aan al die stompzinnige televisieprogramma’s, dat ik wat uit de losse pols ging tekenen. Eigenlijk leverde dat best verrassende resultaten op, maar toch ben ik ermee gestopt toen ik een Playstation kocht. Die is nu stuk, dus er is weer hoop. Of wacht, toch niet. Ik word vader eind september, daar gaat mijn tijd.”
Waar haal je je inspiratie hier binnen dan vandaan?
„Ik lever elke dag een strookje Beestjes aan voor dagblad Sp!ts. Het voordeel van mijn strip is dat die overal over kan gaan. Maar meestal draait de grap over de personages die elkaar flink irriteren, zoals de hond en de rokende vogel. Hoewel ze samenwonen, zitten ze elkaar de hele dag dwars. Iedereen kent die dagelijkse irritaties wel, ik dus ook. Ik kan al mijn woede kwijt in Beestjes. Als ik ’s ochtends op de fiets hierheen kom en het regent, dan erger ik me rot en heb ik vaak al meteen een grap te pakken. Of ik zie een vetbol in een tuin hangen voor de hongerige vogels in de winter en denk: dat kan ook een lokaas zijn voor een jagende kat. Weer een grap. En als ik nog niks heb als ik binnenkom, begin ik gewoon maar wat te tekenen. Een gek beestje met een hoedje of zo. Dan komt er in de loop van de dag vanzelf wel een grapje uit. Of ik doe iets met poep, dat is ook al snel grappig.”
Naast Beestjes maak je ook andere strips. Je tekenstijl verschilt sterk per project.
„Ja, dat is zo gegroeid. Maar de stijl die ik hanteer voor Beestjes, benadert het meest mijn eigen handschrift. Die gaat me althans het vlotst af. Ik houd van die soepele lijnen. Mr. Mack bijvoorbeeld, dat ik maak voor Zone 5300, is wat gedetailleerder. Daar kan ik echt op zitten zwoegen. Misschien heb ik meerdere stijlen, omdat er zoveel verschillend werk van tekenaars is dat me inspireert. De undergroundstrips van Rick Griffin bijvoorbeeld, die werkte net als ik met een fineliner. Maar ook tekenfilms. Je ziet in mijn tekeningen vaak Tex Avery-achtige dingetjes, en invloeden uit Ren and Stimpy en The Simpsons. Kijk maar naar mijn ronde oogballen met de wegdraaiende pupillen. En ten slotte Benito Jacovitti natuurlijk, dat is ook wel duidelijk terug te zien. Maar hij was een inspiratiebron voor een hele rits tekenaars, kijk maar naar Luuk Bode, Marcel Ruijters en Windig en De Jong.”
Beestjes lijkt ook Windig en De Jongs krantenstrip Heinz.
„Nou ja, hun grappen draaiden ook om de interactie tussen dieren die zich aan elkaar ergeren. Maar ik ben niet opgegroeid met Heinz. Bij ons stond het niet in de krant. Ik ontdekte de strip pas toen ik al op de kunstacademie zat. En ja, ook die invloed zie je terug. Ik gebruik het zelfde fronsje boven de ogen als zij. Maar juist omdat iedereen al zo snel roept dat ik hen nadoe, probeer ik er zo weinig mogelijk naar te kijken. Maar dat lukt natuurlijk niet, te leuk!”
Waarom ging je naar de kunstacademie?
„Als kind wilde ik het liefst striptekenaar worden. Ik knutselde met vrienden allerlei blaadjes in elkaar. Maar ik kreeg altijd te horen dat er met strips geen droog brood te verdienen was. Dus besloot ik dat ik illustrator wilde worden. Niet dat daar nu wel zo veel geld mee te verdienen is. (lacht) Ik ging naar de kunstacademie in Kampen. Ik zat daar onder anderen met de jongens van Lamelos. In die jaren heb ik eigenlijk niets aan strips gedaan. Ik kreeg wat vaste opdrachtgevers waar ik illustraties aan kwijt kon. Maar ik kreeg ook opdrachtjes voor kleine stripjes. En na een expositie hier in Haarlem, kon ik Mr. Mack gaan maken voor Zone 5300. Na verloop van tijd dacht ik: nu ben ik toch al bijna striptekenaar. Inmiddels illustreer ik steeds minder. Er komt minder werk op mijn pad. Gelukkig dat ik nu dagelijks een strip voor Sp!ts maak.”
Je had je droom opgegeven om striptekenaar te worden, maar deed toch mee aan de stripwedstrijd die een krant organiseerde?
„Mijn belangrijkste opdrachtgevers vielen weg. Ik was vakkenvuller bij Ikea en verdiende wat bij met in het elkaar zetten van meubels. Ik had al eens eerder meegedaan aan een stripwedstrijd van Het Parool, maar mijn inzending was zo slecht dat ik gelukkig niet door de voorronde kwam. Ik schaamde me kapot voor die strip toen ik hem later weer terug zag. Toen Sp!ts in de zomer van 2007 een soortgelijke wedstrijd uitschreef, heb ik eerst goed nagedacht: stel dat ik win, dan moet ik wel iets hebben waar ik elke dag een grap uit kan persen. Dus geen strip met een vast personage, want dan vergroot je de kans dat je een keer vastloopt. Zo ontstond Beestjes: meerdere personages waar je alle kanten mee uit kunt. En ik koos voor dieren, omdat het tekenen van dieren me soepeler afging. Dat ik uiteindelijk won, had volgens de jury vooral daarmee te maken. Ze hadden er vertrouwen in dat ik langere tijd een dagstrip zou kunnen afleveren.”
Kun je inmiddels wel leven van je tekenwerk?
„Van wat ik verdien met Beestjes, kan ik alleen mijn vaste lasten betalen. Ik moet er dus wel illustratiewerk naast doen, maar dat is niet erg. Het is mij eigenlijk erg voor de wind gegaan. Het is niet gemakkelijk om aan de slag te komen als striptekenaar. Er zijn geen betaalde podia meer waar je je als stripmaker kunt ontwikkelen. Je moet geluk hebben dat je iemand kent in het wereldje die je tipt over een potentiële opdrachtgever. Ik bleef betrokken bij de strip via Zone 5300. Maar dat is ook geen podium voor beginners, je moet echt al wat kunnen om daar in te komen. Het enige alternatief is dus zelf blaadjes maken. Of een internetstrip beginnen. Dat heb ik destijds ook wel geprobeerd, maar dat hield ik niet lang vol. Mijn webcomic begon na drie dagen al zeer onregelmatig te verschijnen. Eigenlijk zijn die stripwedstrijden van de kranten een van de weinige overgebleven podia voor beginnelingen. Het resultaat is dus dat er nu vooral veel strookjesstrips worden gemaakt.”
Hoe bepaal je dat een grap leuk genoeg is?
„Ik ben mijn eigen klankbord. Ik ben lang niet altijd tevreden over het resultaat, maar meestal kan het er wel mee door. Eigenlijk weet ik nooit of iets grappig is. Maar ik weet wel heel goed wanneer iets niet grappig is. Bijvoorbeeld als het te veel doet denken aan iets wat je al eerder gelezen hebt. Of als je te veel moet uitleggen. Dat is een fout die vaak gemaakt wordt: de grap uitleggen, terwijl die juist voor zich zou moeten spreken. Humor is natuurlijk altijd een kwestie van smaak. Zelf heb ik nooit kunnen lachen om strips als Eppo of De generaal. Ik heb niks met seksgrappen. Die hebben al heel snel een Rooie oortjes-gehalte. Ik wil ook niet choqueren met harde humor. Dat wordt al snel te geforceerd: kijk mij eens even lekker alle taboes doorbreken. Ik wil juist zo ongecompliceerd mogelijke grappen maken.”
Waar kun je dan wel om lachen?
„Ik moet zelden hardop lachen om een strip, wel gniffelen. Soms lach ik wel om die van mezelf, maar dan moet de grap dom genoeg zijn en de figuurtjes op de juiste manier acteren. Mark Retera is geweldig. Ook hij maakt ongecompliceerde grappen. Maar ze zitten altijd goed in elkaar: met een opbouw en een onverwachte wending. Onnozele humor, maar wel intelligent geconstrueerd. Windig en De Jong konden dat ook, vooral met Dick Bosch. En Peter de Wit natuurlijk, die levert altijd constante kwaliteit.”
Tot begin mei loopt er nog een overzichtstentoonstelling van je werk in het Groningse stripmuseum. Is dat niet wat snel?
„Mijn tentoonstelling is gepland tussen die van Hans G. Kresse en die van Peter de Wit. Daar hang ik dan, als beginneling. Dat is wel grappig. Dit najaar verschijnt pas mijn tweede album van Beestjes. Ik ben er nog lang niet, besef ik. Ik wil leren losser te tekenen. Ik vind mijn werk nu nog vaak te statisch, te krampachtig. En ik wil meer schilderen. Al kan ik dat helemaal niet. (lacht) Weet je, ik houd van pulp. Ik ben dol op Hot Wheels-autootjes, op low brow-art, op popcultuur. Ik ambieer het niet iets te maken voor de eeuwigheid. Ik maak een strip voor de krant. Die lees je één keer en gooi je dan weg. Zelf gooi ik ook veel weg. Ik bewaar mijn originelen ook niet allemaal. Het was nog lastig genoeg om voldoende materiaal te vinden voor de expositie.” |
|