| |
De Nieuwe Vlaamse Golf
Lezers van ZozoLala dachten vroeger misschien dat de Acacialaan een straatje in een grote Belgische stad was. Veel striptalent dat in die rubriek in het zonnetje werd gezet, was afkomstig uit Vlaanderen. Dat is niet toevallig, zo blijkt de laatste jaren steeds duidelijker. Het succes van veel jonge Vlaamse striptekenaars is, naast het enthousiasme van mensen achter de schermen en getalenteerde tekenaars, het gevolg van een duidelijke cultuurpolitiek met een lange adem. Een ontwikkeling waar door Nederlanders soms met jaloezie naar wordt gekeken. ‘Hoe doen die Belgen dat toch?’ hoor je mensen wel eens verzuchten.
door Gerard Zeegers
Het voorlopige hoogtepunt van de Vlaamse cultuurpolitiek was de tentoonstelling ‘Ceci n’est pas la BD flamande’tijdens het afgelopen stripfestival in het Franse Angoulême. Deze etalage van de Vlaamse strip is na Angoulême begonnen aan een rondreis door Europa en was onlangs ook in Leuven te zien. Door die tentoonstelling wordt opeens duidelijk dat het aanbod van nieuwe, eigenzinnige Vlaamse auteurs behoorlijk massief is. Moeiteloos werden er twintig auteurs geselecteerd, die allemaal fraai werk hebben gepubliceerd en in de startblokken staan om nog veel meer daaraan toe te voegen. De één is al wat langer bezig dan de ander. De één maakt korte humorstrips, de ander lange, bijna onbegrijpelijke verhalen; maar ze zijn allemaal Vlaams, werken in een klein taalgebied en zijn enthousiast op zoek naar die ene Franse uitgever die zijn of haar werk wil vertalen, als dat onlangs nog niet is gebeurd. Hoe rijk de huidige Vlaamse stripwereld is, blijkt alleen al uit het feit dat je moeiteloos een lange lijst namen zou kunnen verzinnen die niet hadden misstaan op die expositie. Maar wat is nu het geheim van die Vlaamse Golf, hoe is ze ontstaan en is er iets typisch Vlaams aan het fenomeen? Een aantal mensen werkt achter de schermen keihard aan de ontwikkeling van de nieuwe Vlaamse strip. Hen werd gevraagd om eens uit te leggen hoe dat nu zit met die ‘Nieuwe Vlaamse Golf’.
Geen nietjes meer
Bijna iedereen is het er wel over eens dat deze trend ongeveer tien jaar geleden is ingezet. De situatie op dat moment was niet florissant. Een paar goed verkopende, traditioneel-Vlaamse auteurs als Merho, Nys en Vandersteen domineerden de stripmarkt en als een jonge auteur zijn beroep wilde maken van striptekenen, was hij bijna gedoemd om zich eerst aan te sluiten bij een studio. In die verstikkende situatie was het enige alternatief de small press-beweging, die enige jaren eerder opkwam. Jonge auteurs als Bart Schoofs die ‘hun eigen ding’ wilden doen, publiceerden in dat tijdperk, waarin internet nog geen gemeengoed was, goedkoop geproduceerde tijdschriften in kleine oplages. Hoe knullig die blaadjes af en toe ook oogden, er zaten altijd wel een paar tekenaars tussen waarvan je kon zien dat ze talent hadden. Een selectie uit die publicaties werd in 1995 vereeuwigd in de dikke bloemlezing Formaline. Dat is geen staalkaart van de Vlaamse tekenaars van dat moment, maar een verzameling werk van auteurs uit diverse landen. De small press was een nadrukkelijk internationale beweging van beginnende of alternatieve auteurs die elkaars werk ruilden en lazen, dus vind je daarin werk van Britten, Nederlanders, Vlamingen èn Walen. De uitgave werd ondersteund door de Bronzen Adhemar Stichting, een eerste aanwijzing dat er met enige hulp van bovenaf mooie boeken konden worden uitgegeven met relatief onbekend talent. Formaline wordt regelmatig genoemd als begin van de huidige trend dat minder toegankelijk werk toch een redelijk groot publiek kan vinden. De betekenis van dit boek moet echter niet worden overschat. Het is een eenmalige uitgave van auteurs die soms wel, maar vaak ook niet verder zijn gegaan met striptekenen. Opvallend ook is dat er dan nog weinig Vlaamse hemelbestormers actief lijken.
Dat verandert met de komst van het veel belangrijker tijdschrift Ink. Dat stripblad bevatte vooral werk van studenten die striptekenen leerden aan de kunstacademie St. Lukas in Brussel. Al vanaf de eerste editie in 2000 was de kwaliteit van het werk in dit tijdschrift van verbluffend hoog niveau. Bovendien zagen de boekjes er vanaf het begin verzorgd uit en werden de strips zelfs in kleur uitgegeven. Na de zwart-witblaadjes waar steevast een nietje doorheen werd geslagen, werd Ink vooral met ongeloof ontvangen. Hoe kon zo’n luxueus ogend blad (dik, gelijmd, kleur) nu bestaan? En waar kwamen al die tekenaars opeens vandaan? Guido Devadder, Conz, Kim Duchateau, Ilah, Olivier Schrauwen, Stijn Gisquière en vele anderen kwamen zo onder de aandacht van een groot publiek.
Drijvende kracht achter Ink was Johan Stuyck, docent grafische vormgeving aan het St. Lukas in Brussel. Stuyck: „Eind jaren ‘90 begonnen we bij nul. Er waren weinig auteurs, die de grote namen uit de Vlaamse stripwereld konden opvolgen. Nieuwe tekenaars trokken zich weinig aan van commercie en maakten auteurstrips. Het grote voorbeeld voor veel talenten was L’Association in Frankrijk. Daardoor besefte men dat het hier misschien ook kon. L’Association met hun tijdschrift Lapin was dan ook zeker een voorbeeld voor Ink.”
„Het eerste jaar werkten we zonder subsidie, daarna werden we wel ondersteund. Ik ben nog steeds fier op Ink, omdat het beschouwd wordt als magazine dat de boel in gang heeft gezet. De huidige opvolger van Ink heet Plots. Die krijgen direct al meer subsidie dan wij. Maar ik klaag niet, want veel talent heeft door ons een kans gekregen en tot nu toe heb ik nog geen magazine gezien van dat niveau. Na vier jaar werd het steeds moeilijker omdat iedereen gratis meewerkte aan het blad en stopten we ermee.”
Ink was een eenmansinitiatief van Stuyck, die er zelf geld in stopte en er veel vrije tijd aan spendeerde. Naast zijn werk als docent, zette hij uitgeverij Oogachtend op. Deze uitgeverij is nu verantwoordelijk voor werk van jonge auteurs (ongeveer tien boeken per jaar) en wint regelmatig prijzen met de bijzonder verzorgde uitgaven.
De tweede relatief kleine, maar niet minder belangrijke uitgever van veel Vlaamse auteurs is Bries van Ria Schulpen. Schulpen kwam pas laat in contact met stripboeken, maar was ‘direct verkocht’. Ze richtte in de jaren ‘80 in Antwerpen een Stripbibliotheek op omdat er in de openbare bibliotheek geen strips werden uitgeleend. Al snel raakte ze betrokken bij de uitgave van het tijdschrift Verdomd Goed Tijdschrift met onder andere werk van Mark Horemans. Dat smaakte naar meer en met het geld dat ze verdiende aan de verkoop van de inboedel van de bibliotheek gaf ze boeken uit. Dat resulteerde uiteindelijk in uitgeverij Bries. Het opvallende aan deze uitgeverij is dat de uitgaven bijna allemaal in het Engels zijn. Echte eyecatchers van Bries zijn de twee Hic sunt Leones-boeken. Dat zijn lekker dikke bundels vol werk van eigenzinnige auteurs, uitgegeven op een manier waarvoor het Canadese Drawn&Quarterly zich niet zou schamen. Schulpen begrijpt dat de Nederlandstalige markt te klein is. Ook Bries produceert ongeveer tien boeken per jaar, maar dat zijn niet allemaal Vlaamse auteurs. Samen met Oogachtend vormt Bries een belangrijke schakel in de keten die verantwoordelijk is voor het huidige Vlaamse stripsucces. Hoe goed het werk ook is dat tekenaars met veel liefde produceren, als het niet in boekvorm verschijnt, zullen weinig lezers er kennis van kunnen nemen.
Autodynamiek
Striptekenaars komen niet zomaar uit de lucht vallen en groeien ook niet aan de boom. Vroeger was het gebruikelijk dat tekenaars jarenlang eenzaam op zolderkamers hun stijl ontwikkelden, maar sinds tien jaar kent de Brusselse kunstacademie St. Lukas een Nederlandstalige stripopleiding. Vanaf 1968 was er al een Franse afdeling, die een tijdlang onder leiding stond van Eddy Paape. De Vlaamse afdeling blijkt een rijke kweekvijver te zijn, aangezien veel tekenaars daar, samen met collega-studenten en onder leiding van docenten leerden tekenen of hun stijl perfectioneerden. Vrijwel iedereen die voor dit artikel om commentaar is gevraagd, noemt die opleiding als een van de belangrijkste factoren voor de huidige trend. Bart Pinceel, stripverspreider in Vlaanderen en Wallonië en eigenaar van de Leuvense stripwinkel Het Besloten Land schat in dat de opleiding ‘jaarlijks vier of vijf talenten opleverde, die er anders niet zouden zijn’.
Tekenaar Nix (Marnix Verduyn) gaf tien jaar les op het St. Lukas en heeft van dichtbij meegemaakt hoe de huidige generatie zich ontwikkelde. Tegelijkertijd maakte hij deel uit van de groep die in Angoulême werd gepresenteerd. „Ik woon op de juiste locatie, ik teken en ben niet zo gek veel ouder, of zelfs jonger dan anderen, dus ik denk wel dat ik erbij hoor.” Nix was vanaf het eerste uur betrokken bij de opleiding en werd, samen met Johan de Moor, gevraagd om les te geven. „Ik maakte nog niet zo lang strips, dus was erg verrast dat ze mij vroegen. ‘Waarom ik?’ dacht ik toen. Ik had tenslotte geen kunstopleiding genoten, maar had braaf voor ingenieur geleerd, zoals mijn ouders wilden. Het bleek dat ze een autodidact zochten, omdat je dan zelf oplossingen hebt gezocht voor veel problemen uit de praktijk. Ik was 29 toen ik bij het St. Lukas begon en de oudste leerling was toen 24 jaar.”
Volgens Nix is België altijd al rijke grond geweest voor striptekenaars, omdat kinderen van jongs af aan worden ondergedompeld in strips. „Ze groeien op met Suske en Wiske, Nero, maar soms ook ander werk. Laatst was ik op een stripbeurs in Korea en verbaasde me over de oubolligheid van de humor van cartoonisten uit Kenia en Maleisië. Op hun beurt snapten ze niets van onze grappen, die gebaseerd zijn op jarenlange consumptie van humor in kranten en tijdschriften.”
Het is volgens Nix van groot belang dat ouders geloven dat een carrière als striptekenaar een mogelijkheid is voor hun kind. „Door de huidige aandacht voor de jonge Vlaamse striptekenaars denken ouders misschien dat het toch kan. Ik moest een opleiding volgen waar ik ‘iets aan zou hebben’ en heb aanvankelijk strips getekend naast mijn werk als ingenieur. Ik merkte het ook aan de studenten; ze kregen één kans en als ze die verprutsten, moesten ze maar wat nuttigs gaan studeren. Een mogelijk gevolg van alle aandacht is dat er een soort autodynamiek ontstaat. Net als bij muziek kan het succes van een Belgische band inspiratie zijn voor jongeren om dit ook te doen, zoals bij dEUS het geval was.”
Tweetalig
Als iemand iets zou kunnen zeggen over de gemeenschappelijke kenmerken van het werk van de nieuwe tekenaars, dan zou Nix het wel moeten zijn. Jarenlang doceerde en beoordeelde hij de studenten. Maar volgens hem is er eigenlijk geen gezamenlijke noemer voor de tekenaars, behalve het feit dat ze volstrekt verschillend en eigenzinnig werk maken. „De reden daarvoor is de hoeveelheid strips die men van jongs af aan leest. België ligt op het kruispunt van de Germaanse en Latijnse cultuur in Europa en men leest dus ook Franse strips, ik tenminste wel. Door die verschillende invloeden krijg je later divers en eigenzinnig werk. Een ander voordeel is dat je door de tweetaligheid ook voor de Franse markt kunt werken.”
Nix maakt nu strips voor de Franstalige Spirou en is een van de weinigen die direct in het Frans werkt. Dat is vrij uniek, want tussen Vlaanderen en Wallonië lijkt bijna een muur te staan. Men leest elkaars strips niet als het niet is vertaald, vertelt distributeur Pinceel: „Ik bedien zowel winkels in Vlaanderen als in Wallonië en weet dus precies was ze bestellen. Het komt niet voor dat een winkel tweetalig is en dus zowel Franse als Nederlandse strips verkoopt.” Ook andere geïnterviewden zijn duidelijk over de taalbarrière. Zo meldt de directeur van het Vlaamse Fonds voor de Letteren, Carlo van Baelen dat ‘er meer culturele samenwerking is met alle andere landen in Europa, dan met Wallonië’.
Toch zou volgens Nix tweetaligheid veel auteurs helpen om vooruit te komen. “Niet alleen moet je in het Frans werken, maar ook als het werk vertaald wordt en je de oplagen dus kunt verdrievoudigen, moet je toch de taal beheersen. Je moet onderhandelen met uitgevers en promotie verrichten. Als je Frans spreekt is dat een groot voordeel.”
Illustraties
Nix en ook Johan de Moor zijn dit jaar gestopt als docenten aan het St. Lukas. „De opleiding wordt gereorganiseerd en de afdeling Stripmaken is samengevoegd met Illustratie. Daar heb ik mijn vraagtekens bij, omdat dat twee verschillende disciplines zijn. Het is al moeilijk genoeg om één daarvan onder de knie te krijgen. Anderzijds is het misschien ook wel noodzakelijk, omdat er aan het einde niet zoveel studenten meer waren. Dat is vreemd, want in Frankrijk heb je al vijf stripopleidingen die allemaal veel studenten trekken. Het was ook jammer dat we nooit studenten uit Nederland kregen. Daar is geen specifieke opleiding en ze waren bij ons welkom.”
Johan Stuyck is nog steeds docent aan het St. Lukas. Hij reorganiseert de stripopleiding en is verantwoordelijk voor de samenvoeging met de Illustratie-afdeling. Hij is kritisch over de erfenis die Nix en De Moor achterlaten. „In het begin was het perfect, maar vorig jaar kregen we geen studenten meer. Nix en De Moor pasten niet meer binnen de opleiding. Zij waren klassieke tekenaars, die volhardden in een hokjesmentaliteit. Na uitvoerige discussies kunnen studenten nu afstuderen in Illustratie en Beeldverhaal en zijn er alweer twaalf nieuwe studenten.” Stuyck denkt dat het van groot belang is dat studenten meer leren dan alleen het tekenen van strips. Ondanks het feit dat er beurzen worden toegekend aan jonge auteurs, moeten velen ernaast ook ander werk maken, zoals illustraties. „Dat levert sneller geld op en men kan toch in de eigen stijl werken. De huur moet tenslotte ook worden betaald en niet iedereen kan leven van het tekenen van strips.”
Ook Stuyck onderkent het belang van vertalingen naar de Franse markt. „Kim en Ilah zijn de best verkopende auteurs van Oogachtend en dan praten we over oplages van tussen twee- en drieduizend stuks. Dan ben je net uit de kosten. Casterman vertaalde Slaapkoppen van Randall C en drukt er dan direct achtduizend. Dan wordt het voor een auteur interessant. De Nederlandse markt is voor veel Belgen toch ook buitenland en we verkopen daar maar heel weinig boeken. Misschien moeten Vlaamse en Nederlandse uitgeverijen meer toenadering tot elkaar zoeken.”
Synergie
Dat veel Vlaamse auteurs zich dit jaar konden presenteren in Angoulême met ‘Ceci n’est pas la BD flamande’ is vrijwel uitsluitend te danken aan het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL). Dit voert vanaf 2002 een actief beleid om strips uit het verdomhoekje te krijgen. Onder leiding van directeur Carlo van Baelen heeft het VFL een traject uitgestippeld, waarvan het voorlopige hoogtepunt de tentoonstelling in Angoulême is. In 2001 gaf minister Bert Anciaux volgens Van Baelen een impuls door het Fonds meer zelfstandigheid te geven en los te maken van het ministerie. „Voor die tijd werd er gepingpongd met strips. Was het nu kunst of literatuur? Uiteindelijk heeft men de literaire dimensie van strips erkent en is men actief de Vlaamse strips gaan promoten.”
De eerste wapenfeiten van het Fonds waren in 2003 de toekenningen van beurzen aan jonge auteurs. Normaal gesproken kreeg een auteur pas na twee boeken steun, maar na analyse van de markt ontdekte Van Baelen dat dit één van de problemen was. „Voordat een auteur twee boeken kan publiceren, kan er veel tijd verstrijken. Je hoeft niet met nul te beginnen en iedereen een beurs toe te kennen, maar we hebben wel de eisen flink omlaag geschroefd, zodat jonge auteurs ook een kans kregen. De nieuwe drempel was dat een auteur in totaal tien platen moest hebben gepubliceerd in minstens twee verschillende media. Daarnaast hebben we uitgevers ondersteund, die werk publiceerden van de jonge auteurs en ons actief bemoeid met manifestaties rondom strips, zoals debatten en exposities. Het heeft niet zoveel zin om maar één deelaspect, zoals de auteurs, te ondersteunen. Het gaat erom dat er synergie ontstaat tussen meerdere ontwikkelingen.”
Het Fonds kent elk jaar ongeveer vijftien tot twintig beurzen toe aan auteurs. Een beurs bestaat uit ‘eenheden’ van € 2250,-. Een auteur krijgt voor een project meerdere eenheden, maar Van Baelen erkent dat het lastig is om rond te komen van alleen een beurs. „Een beurs geeft, naast de financiële rust en tijd die een auteur krijgt, ook psychologische steun. Een auteur is in staat om kritischer te staan ten opzichte van andere losse opdrachten. Beurzen zijn ook geen engagement voor het leven. Telkens onderzoeken we of er vorderingen gemaakt zijn en of de auteur geen echte mainstream-strips maakt. We werken corrigerend vanuit de markt.”
Over het beurzensysteem is veel lof te horen, maar hier en daar ook een kritische noot. Zo denkt Ria Schulpen dat de beurzen te laag zijn om van te leven. „De beurzen zijn lager dan in Nederland. Je kunt andere opdrachten niet afslaan, omdat je na de periode van de beurs weer een vaste opdrachtgever nodig hebt. Niets is zo vervelend voor een auteur om tijdens het werk aan een boek te stoppen voor een opdracht.” Schulpen is nuchter over het belang van de beurzen: „Als je een echte drive hebt om een debuutalbum te maken, kun je dat ook doen naast een baantje waarmee je de huur betaalt.”
Angoulême
Toch heeft de ondersteuning van auteurs door het Fonds inmiddels al veel fraaie boeken opgeleverd, die er anders niet waren geweest. Vooral de terugkeer van lange, persoonlijke verhalen (zoals van Randall C en Judith Vanistendael) die bijna leken uitgestorven, is toe te juichen. Er zijn in België veel voorpublicatiemogelijkheden voor auteurs in kranten en tijdschriften, maar dan gaat het vooral om humorstrips en cartoons. Om een afgerond verhaal te produceren heb je een lange adem nodig. Dat het Fonds meer doet dan alleen beurzen uitdelen aan jong talent, blijkt uit het project dat de tentoonstelling in Angoulême was. Van Baelen: „We hebben twee jaar gelobbyd in Angoulême om het van de grond te krijgen. We hebben in 2007 al contact gezocht, de plannen uitgelegd over de soort van expositie en het begeleidende ‘Concert de dessin’ van Arno en Nix/De Moor, gezorgd dat we een locatie kregen in de buurt van de uitgeverstent. Het was een film die we een paar jaar hebben voorbereid en waar we nu de vruchten van kunnen plukken.”
„Tijdens het festival voelde je dat auteurs meer zelfvertrouwen kregen omdat ze welkom waren bij uitgevers, die geïnteresseerd waren geraakt door de expositie. Uiteindelijk moeten de tekenaars het toch zelf doen, hun eigen drive vinden. We zullen de komende drie jaar nog zeker aanwezig zijn op de beurs met een stand waarin we Vlaanderen presenteren. Ook andere beurzen hebben interesse getoond voor de tentoonstelling en die zal de komende tijd door Europa trekken. Misschien naar Bologna, de Buchmesse in Frankfurt, Salon du Livre in Parijs en er is ook interesse getoond door Haarlem.”
Wat heeft het Fonds nu concreet bereikt met al dit werk? Is het de moeite waard geweest?
Van Baelen: „Dit jaar was het doel om een voet tussen de deur bij grote Franse uitgevers te krijgen. Voor een auteur is het van groot belang om vertaald te worden naar het grotere, Franse taalgebied. Met de expositie wisten we uitgevers te interesseren, die vervolgens direct kennis konden maken met de auteurs en uitgevers in de tent ernaast. Het is niet zo dat er dan direct grote contracten worden getekend, al zal het werk van een paar auteurs vertaald worden. De komende jaren zullen wij blijven investeren in de Vlaamse stripwereld. We hebben nog genoeg plannen voor nieuwe projecten.”
Acceptatie
Alle geïnterviewden zijn vol lof over de actieve rol die het VFL de afgelopen jaren heeft gespeeld. Samen met de stripopleiding, de uitgeverijen en natuurlijk de tekenaars zelf is daardoor een emancipatie van de Vlaamse strip op gang gekomen. Waar de Vlaamse strip voorheen vaak gezien werd als ‘volks’, is er nu ook een stroming waarin auteurs ‘hun eigen ding kunnen doen’. De eigenwijze verhalen van auteurs als Randall C, Maarten Vande Wiele, Brecht Evens en vele anderen, voegen duidelijk een culturele dimensie toe aan het Vlaamse stripaanbod.
Een volgende horde die moet worden genomen is de interesse van het grote publiek. Bart Pinceel: „Door alle media-aandacht merk ik dat langzaam maar zeker de acceptatie groeit van auteurstrips. In Vlaanderen werd het toch altijd een beetje raar gevonden dat je strips las. Maar zoiets als wat men in Vlaanderen heeft gedaan, zou je in Nederland ook prima kunnen organiseren met auteurs als Erik Kriek, Maaike Hartjes, Typex enz. Bij jullie zijn er de afgelopen jaren ook voldoende nieuwe auteurs opgestaan. De laatste tijd is het wat rustiger, dat geef ik toe.”
Johan Stuyck denkt dat nu echt het moment is aangebroken dat strips ook in reguliere Vlaamse boekwinkels moeten worden verkocht: „Daar ligt toch de toekomst, omdat je zo een echt groot publiek kunt bereiken. De grote boekhandels moeten worden overtuigd dat de Vlaamse strip een volwaardig cultureel product kan zijn. Volgens mij begint men langzamerhand wel te begrijpen dat er meer is dan Suske en Wiske.”
Meer info over de expositie Ceci n’est pas la BD flamande: www.beeldbeeld.be/flamande en www.fondsvoordeletteren.be
Naar aanleiding van dit Vlaamse offensief in Angoulême schreef Geert de Weyer het boek Loslopend Wild, waarvoor hij 14 Vlaamse auteurs interviewde. Bij het boek zit ook een dvd met een documentaire De strip hertekend. Uitg. Oogachtend, € 34,- |
|