| |
Kuifje in Louvain-la-Neuve
Het heeft meer dan twintig jaar geduurd, maar nu is er dan eindelijk een museum gewijd aan Hergé, de geestelijk vader van Kuifje. Niet in Brussel waar Georges Remi (1907-1983) zijn leven lang woonde en werkte, maar in Louvain-la-Neuve, een universiteitsstad zo’n twintig kilometer ten zuidoosten van de Belgische hoofdstad. Fanny Rodwell, de weduwe van Hergé, is de initiatiefneemster van het project. Het resultaat lijkt vooral bedoeld om de wereld te tonen hoe goed haar overleden echtgenoot wel niet was.
door Seline Borking
Het ontwerp van het Hergé-museum is van de hand van de Franse architect Christian de Portzamparc. Hij besloot het gebouw door middel van een loopbrug met het stadscentrum te verbinden. Daarmee moet het lijken op een aangemeerd schip, een illusie die wordt versterkt doordat het museum op pilaren steunt waardoor het als het ware zweeft te midden van het geaccidenteerde landschap. Als je over deze brug het gebouw nadert, sta je oog in oog met een metershoge afbeelding op een van de buitenmuren, afkomstig uit het album De krab met de gulden scharen. Met zijn rug naar de toeschouwer staart Kuifje vanaf de kade de lucht in, een klein deel van de Karaboudjan, het schip waar hij straks aan boord zal gaan, is nog net zichtbaar op de achtergrond. De muurschildering nodigt je uit om net als de jonge reporter een nieuw avontuur te beleven.
Binnen in de imposante centrale hal overheersen pasteltinten. Het interieur is opgedeeld in vijf verschillende ruimtes die ook weer via loopbruggen met elkaar zijn verbonden. De architect wilde in het museum een droomachtige sfeer creëren waar een verhaal wordt verteld, net zoals in de albums van Kuifje. De grote asymmetrische ramen in de zijwanden van het gebouw, die binnen voor een lichte sfeer zorgen, bootsen de vakjes van een beeldverhaal na. Midden in de open ruimte staat een zwart-wit geblokte vierkante pilaar die de liftkoker verhult. De vormgeving ervan roept associaties op met de fameuze raket waarmee Kuifje twintig jaar eerder dan Neil Armstrong de maan bereikte.
Met de lift kom je op de bovenste verdieping waar de ontdekkingstocht begint. Net als de Kuifje-albums streeft het museum ernaar een breed publiek ‘van 7 tot 77 jaar’ aan te spreken en daar zit meteen een probleem: hoe zo’n grote doelgroep te behagen? Jonge kinderen zullen waarschijnlijk een speelse opzet waarderen (waar bijvoorbeeld het Belgisch Centrum voor het Beeldverhaal in Brussel voor heeft gekozen) terwijl volwassenen (die vermoedelijk al enige kennis over Kuifje bezitten) meer de diepte in willen, op zoek naar achtergrondfeiten, weetjes en verrassende onthullingen. Door voor een gulden middenweg te kiezen, slaagt het museum er niet in aan de wensen van beide groepen te voldoen.
De acht zalen – stijlvol en ingetogen vormgegeven – die over drie verdiepingen zijn verdeeld, zijn vooral gevuld met originele platen en belichten verschillende thema’s waaronder ‘het leven van de kunstenaar’, ‘reizen en dromen’ en ‘de roem van Hergé’. Striptekenaar en grafisch ontwerper Joost Swarte tekende voor de inrichting. Zo licht en luchtig als de centrale hal is, zo donker is het in deze ruimtes. Om de tekeningen niet te beschadigen is het licht gedempt, wat bijdraagt aan een bijna sacrale sfeer. In Zaal 1 zijn enkele fotoboeken met kiekjes van Hergé en zijn familie uitgestald, een schoolrapport en nog wat andere persoonlijke voorwerpen. Veel uitleg is er in de zalen niet te vinden, daarvoor is de bezoeker aangewezen op de audiogids. Zo leren we dat Hergé uit een doorsneegezin kwam en een kleurloze jeugd had; de kinderjaren leveren verder weinig wetenswaardigheden op over de persoon Hergé. In 1928 begon hij met zijn eerste creatie, Totor, voor het tijdschrift Le Boyscout Belge. Qua uiterlijk had Totor al iets weg van zijn illustere opvolger. Een jaar later zag Kuifje het levenslicht in het katholieke en nationalistische Le Vingtième Siècle. Doordat Hergé bij dit dagblad werkte, zat hij met zijn neus bovenop het nieuws. De berichtgeving diende als inspiratie voor Kuifjes avonturen. De rotatiepersen waren er verantwoordelijk voor dat Hergé een strakke, duidelijke manier van tekenen ging hanteren zodat de afbeeldingen goed leesbaar bleven en de tekeningen niet te snel zouden dichtlopen. De ‘klare lijn’ was geboren, een tekenstijl waarvan hij de rest van zijn leven niet meer zou afwijken.
Vanaf het begin is Bobbie een volwaardig personage. Hergé koos voor een foxterriër, omdat dit hondenras in de jaren ’20 van de vorige eeuw erg in de mode was. In de eerste albums is Bobbie een cynische knorrepot, die tegenwicht moet bieden aan de immer optimistische held Kuifje. Vanaf De krab met de gulden scharen neemt de grofgebekte maar goedaardige kapitein Haddock deze rol met verve van hem over. Jansen en Janssen (in het Frans Dupond et Dupont) baseerde Hergé op zijn vader en diens tweelingbroer. De twee detectives zijn echter geen tweeling, maar dubbelgangers. Ze zijn uit elkaar te houden door hun snor: de ene heeft de vorm van een kwart gedraaide hoofdletter D, de andere van een omgekeerde T. Zo worden er in de loop der jaren steeds meer markante bijfiguren ten tonele gevoerd, waaronder de verstrooide en hardhorende professor Zonnebloem en operazangeres Bianca Castafiore. Die laatste is als vrouw een vreemde entiteit, zoals in het klassieke Europese stripverhaal meestal het geval is. Hergé vond dat vrouwen zich er niet voor leenden om belachelijk te worden gemaakt, dat verklaarde hun afwezigheid in zijn strips. „Als een man op straat struikelt, lacht iedereen; als een vrouw dat doet, lacht niemand,” vond Hergé.
Vanaf De blauwe lotus gaat Hergé zijn verhalen beter documenteren en worden de albums serieuzer van toon. Hij komt dan in contact met de jonge Chinese kunstenaar Tchang Tchong Jen die hem op bepaalde details wijst. Ondanks Kuifjes omzwervingen over de hele wereld, was Hergé erg honkvast. Pas aan het eind van zijn leven ging hij meer reizen. Zijn vooronderzoek daarentegen was altijd zeer grondig en gedetailleerd. Tot de jaren ‘50 werkte Hergé in z’n eentje aan alle nieuwe avonturen, met uitputtingsverschijnselen tot gevolg. In 1946 werd namelijk het weekblad Kuifje gelanceerd. Daarin verschenen elke week twee nieuwe pagina’s van een album dat in de maak was. De oprichting van de Studio’s Hergé in 1950 zorgde voor de nodige verlichting. Vanaf dat moment werd Hergé bijgestaan door de striptekenaars Jacques Martin, Bob de Moor en Roger Leloup en een stel inkleurders, onder wie Hergés tweede echtgenote Fanny Vlamynck (nu Rodwell).
Over de crisis die deze ontmoeting in het leven van de getrouwde Hergé teweeg bracht, zwijgt het museum in alle toonaarden. Voor de katholieke striptekenaar was het een zware emotionele opgave om van zijn eerste vrouw te scheiden. Hij werd in die tijd geplaagd door nachtmerries, waarin alles om hem heen wit was. Het is niet verbazingwekkend dat zijn volgende album, Kuifje in Tibet, zich afspeelt in de sneeuw. Hergé wist uiteindelijk uit dit diepe emotionele dal omhoog te krabbelen om nog drieënhalf album te creëren voordat hij in 1983 overleed.
Waar in het museum ook met geen woord over wordt gerept, zijn Hergés vermeende racistische sentimenten en zijn dubieuze opstelling in de Tweede Wereldoorlog. In een documentaire over Hergé die in een van de zalen wordt getoond, horen we alleen dat er ‘goede en slechte mensen’ in de oorlog waren. Van dit soort platitudes wordt de toeschouwer niet veel wijzer. Hergé laat zich er in dezelfde documentaire verder niet over uit. Het enige dat hij over deze periode opmerkt is dat Koning Leopold, na de Duitse bezetting, het volk had opgeroepen weer rustig aan het werk te gaan. Dat was dus wat de plichtsgetrouwe striptekenaar deed, een beslissing die hem na de oorlog duur kwam te staan: twee jaar lang mocht Hergé niet werken omdat hij tijdens de bezetting voor een krant werkzaam was geweest die collaboreerde met de nazi’s. Hoe fout hij echt was, blijft vaag. Wel weten we dat hij na de oorlog diverse antisemitische passages uit zijn oorspronkelijke verhalen hertekende.
Uiteindelijk lijkt die schimmige periode zijn reputatie geen blijvende schade te hebben toegebracht. In de laatste zaal passeren allerlei beroemde wereldburgers de revue: filosofen, kunstenaars, zelfs politici zoals generaal De Gaulle geven toe allemaal op een bepaalde manier door het werk van Hergé geraakt te zijn. Het museum wil de bezoeker ervan overtuigen dat Hergé een groot kunstenaar was, die overduidelijk tot de high art behoort, in tegenstelling tot de low art waar het stripverhaal te vaak onder wordt geschaard. Alhoewel het een nobel streven is om de artisticiteit van Hergés oeuvre en daarmee ook van het Europese beeldverhaal meer onder de aandacht te brengen bij het grote publiek, gaat het museum te veel voorbij aan het feit dat zijn strips juist voor miljoenen mensen in de wereld een vermakelijke rol vervullen en uitblinken in hun universele gevoel voor humor. De stripreeks Kuifje is vooral zo briljant vanwege het komische gehalte dat na al die jaren nog niets aan kracht heeft ingeboet. Vanwege het serieuze karakter van het museum, valt er voor de bezoeker echter weinig te lachen.
Het is natuurlijk moeilijk om als museum aan elk aspect van Hergés oeuvre (dat inmiddels tot op het bot door allerlei ‘tintinologen’ is geanalyseerd) aandacht te besteden, maar de opzet had soms best wat uitbundiger en verrassender mogen zijn. De tentoongestelde originele platen (die vanwege hun kwetsbaarheid elke vier maanden vervangen worden) zijn zeer zeker een bezichtiging waard, maar de achtergrondinformatie blijft beperkt. Deze aanpak lijkt vooral geschikt voor toeristen die niet of nauwelijks bekend zijn met Hergés creaties. De stripliefhebber met enige voorkennis blijft na afloop echter een hongerig gevoel houden. Misschien dat er daarom een heus restaurant in het museum is ondergebracht. Met menukaarten in de vorm van een stripboek.
Hergé museum
Rue du Labrador 26
Louvain-la-Neuve, België
openingstijden: dagelijks van 10.00 tot 18.00 uur behalve maandag en 1 januari, 1 mei, 1 en 11 november en 25 december
website: www.hergemuseum.com
KADER:
De erven Hergé: Fanny en Nick Rodwell
„Ik maak van mijn vrouw Fanny mijn enige erfgename.” Dat schreef Hergé in zijn testament, enkele maanden vóór zijn dood in maart 1983. Verder was er niets geregeld over de nalatenschap van de geestelijk vader van Kuifje. En dus wordt Hergés tweede echtgenote in één klap opgezadeld met een erfenis waar zij vanaf het begin niet veel animo voor kan opbrengen. Liever verdiept ze zich in oosterse meditatie en spirituele ontwikkeling. Het beheer van de nalatenschap laat zij al snel aan anderen over.
Het toeval wil dat later dat jaar een jonge Brit genaamd Nick Rodwell contact opneemt met uitgeverij Lombard met het aanbod om Kuifje in Groot-Brittannië te promoten. Op dat moment is het werk van Hergé zo goed als onbekend in de Engelstalige wereld. Met zijn charismatische uitstraling en aanstekelijke enthousiasme weet Rodwell al gauw door te dringen tot de inner circle van het Kuifje-imperium. Bovendien blijkt hij een begenadigd onderhandelaar. Binnen de kortste keren wordt hij betrokken bij het algehele marketingbeleid. Zijn intenties schuift hij niet onder stoelen of banken: om de kwaliteit van de Kuifje-producten te waarborgen, wil hij de merchandising centraal regelen en niet via verschillende naamloze vennootschappen zoals op dat moment het geval is.
Met zijn charmes weet Rodwell niet alleen zakenlieden voor zich te winnen. Als Fanny, nog steeds met haar hoofd in hogere sferen, in 1988 plannen heeft voor een reis naar een goeroe in India, biedt Nick onverwacht aan haar op die bedevaart te vergezellen. Uit niets blijkt dat de Britse businessman haar voorliefde voor oosterse spiritualiteit en meditatie deelt. Desalniettemin bloeit er in India iets moois op tussen Fanny en de achttien jaar jongere Nick. Niet lang na terugkomst trekt Nick bij Fanny in. Enkele jaren later trouwt het koppel.
De weg is nu vrij voor Rodwell om steeds meer zeggenschap te krijgen over de Kuifje-erfenis. Begin jaren ‘90 weet hij zijn aanstaande echtgenote ervan te overtuigen de huidige directeur van de Stichting Hergé, na het begaan van enkele blunders, uit zijn functie te zetten. De stichting wordt vervolgens omgedoopt tot het vennootschap Moulinsart met aan het hoofd (je raadt het al): Nick Rodwell. Officieel is Fanny nog steeds de enige erfgename, maar achter de schermen heeft Rodwell de touwtjes stevig in handen. Hij stelt alles in het werk om de versnipperde rechten op het oeuvre van Hergé terug te kopen met als doel er een absolute controle over uit te oefenen. Ook begint hij zich steeds vijandiger op te stellen tegenover de talrijke tintinofielen die het werk van de striptekenaar middels boeken of documentaires willen uitdiepen. Steeds vaker krijgen deze Kuifje-kenners nul op het rekest wanneer zij gebruik willen maken van citaten of afbeeldingen uit de albums. Wee een ieder die zonder Rodwells toestemming toch tot publicatie overgaat. Een fikse schadeclaim is dan onafwendbaar. Daarbij worden zelfs middelbare scholieren die in amateuristische boekjes plaatjes van Kuifje opnemen niet ontzien.
In 1997 leidt het strenge bewind van Moulinsart tot openlijk verzet van een vijftal tintinologen, onder wie stripscenarist Benoît Peeters (bekend van De duistere steden). Zij spreken zich gezamenlijk uit tegen de censuur die Rodwell cum suis hanteren en beweren dat zijn machtsmisbruik hen in hun bewegingsvrijheid beperkt. Bovendien beschuldigen ze de erfgenamen ervan alleen geïnteresseerd te zijn in winstbejag. Terwijl Fanny zich van alle commotie distantieert en zich terugtrekt in haar chalet in Zwitserland, lijkt Rodwell zich weinig van de beschuldigingen aan te trekken. Integendeel, hij haalt de teugels alleen maar strakker aan en gaat onverstoorbaar door met zijn heksenjacht. Ook de pers kan rekenen op een diepgewortelde argwaan. Zo mochten er tijdens de opening van het Hergé-museum afgelopen juni geen beelden van het interieur worden vastgelegd, wat tot woedende reacties leidde van menig fotograaf en cameraman.
Onderhuids lijkt alle kritiek Rodwell echter wel degelijk te raken, zo bleek onlangs uit zijn persoonlijke weblog. Daarin schroomde hij niet enkele critici op een zeer kwetsende manier aan te vallen. Een van de personen die het moest ontgelden is de RTBF-reporter Hugues Dayez. Hij publiceerde in 1999 het boek Tintin et les héritiers (Kuifje en de erfgenamen) dat een kritische kijk biedt op het beleid van Rodwell. Daarnaast onthulde Dayez twee jaar geleden dat de Brit een zwarte lijst bijhoudt van kritische Hergé-kenners die hij het zwijgen wil opleggen. In zijn weblog beweert Rodwell dat Dayez’ autistische zoon debet is aan zijn ‘frustraties’. Een andere Franse journalist krijgt hetzelfde verwijt naar het hoofd geslingerd. Een journaliste die een negatief artikel schreef over het Hergé-museum, wordt verweten dat zij in haar jeugd ‘waarschijnlijk een seksueel probleem had’. De blog is inmiddels van de website verwijderd, maar de schade die Rodwell met zijn rancuneuze actie heeft aangericht, ook aan het imago van Kuifje – dat hij juist zo hartstochtelijk van nadelige invloeden probeert te vrijwaren – kan niet meer worden teruggedraaid. Hoog tijd voor een lesje oosterse meditatie van je echtgenote, Nick?
|
|