Kristof Spaey gooit alle remmen los

Zopas verscheen Misschien/Nooit, een intrigerend dubbelalbum van Kristof Spaey en Marc Legendre. De laatste is een gelouterde stripauteur. Hij werd vorig jaar met Verder als eerste stripauteur ooit genomineerd voor de Libris Literatuurprijs. De jonge Spaey (1982, Leuven) daarentegen is voor veel lezers nog een grote onbekende. Met dit album komt daar beslist verandering in, want Misschien/Nooit is een van de beste Nederlandstalige albums van het voorbije jaar. Niet alleen de verrassende verteltechniek, maar zeker ook Spaeys realistische, strakke tekenwerk draagt bij aan de beklemmende sfeer van deze urban thriller. ZozoLala greep Kristof Spaey tussen een resem signeersessies door bij zijn lurven in zijn thuisstad Leuven.

door Roel Daenen

Je hebt dezer dagen erg veel signeersessies.
„Het is erg fijn om reacties te zien en te horen van het publiek op je werk. Wanneer ik kom signeren, loopt het altijd wel goed met de verkoop. Het is trouwens nodig om dit soort dingen te doen bij zo’n kleine uitgave. Je hebt niet zo veel andere promotiemogelijkheden en je richt je toch al op zo’n kleine markt… Signeren helpt zeker om mijn werk onder de aandacht te brengen. En je komt ook eens buiten, in plaats van steeds op je kamertje eenzaam te zitten tekenen.”

Je hebt het in je dankwoord over ‘een jongensdroom die in vervulling gaat’.
„Dat slaat op de samenwerking met Marc! Ik was als kind een groot fan van Sam, de reeks die hij samen met Jan Bosschaert maakte. Ik denk dat ik tien, elf jaar was toen ik het las. Ik herinner me nog zeer levendig het moment dat ik, gezeten naast mijn boekenrek en met De Kikkerpoel op schoot, dacht: ‘Goh, stel je voor dat ik later een boek zou kunnen maken met Marc Legendre!’ Intussen zijn we dik vijftien jaar verder en voilà. Het is eigenlijk zeer eenvoudig in zijn werk gegaan. Eén mailtje en een postpakketje met mijn strips naar zijn huis op de Canarische eilanden en het was geregeld.” (lacht)

Hoe verliep die samenwerking op afstand?
„We hebben ongeveer een jaar samen aan het scenario gewerkt. Marc had na mijn mailtje gezegd dat hij wou samenwerken, hoe, dat maakte weinig uit. Hij wilde me begeleiden bij het schrijven, of zelf een verhaal schrijven. Ik zag het niet zitten om alleen een reeds uitgewerkt scenario te tekenen, ik wilde zelf ook wat in de melk te brokkelen hebben. Ik wist in het begin vooral wat ik niet wilde, en minder goed wat ik wél wilde. Ik wist dat ik wilde werken met een voice over, en met een ‘subjectief standpunt’ – iets wat in elk van de drie boeken terugkomt. Elk boek vertelt het zelfde verhaal maar telkens vanuit een ander perspectief. Zo kijk je in Misschien heel de tijd mee met Laura en zie je de gebeurtenissen door haar ogen. In Nooit is dat haar tegenspeler Egon. Objectiviteit bestaat eigenlijk niet – dat besef heeft me altijd sterk gefascineerd. Ik ben zelf nogal introvert en op mezelf. Door op te groeien merk je dan bij andere mensen dat die soms een totaal ander wereldbeeld hebben. Er bestaat niet zoiets als dé realiteit. Iedereen heeft een eigen, subjectieve kijk op de wereld. Door het verhaal vanuit drie standpunten te vertelen in drie afzonderlijke boeken, wordt de lezer daar vanzelf mee geconfronteerd. Die verteltechniek betrekt de lezer veel meer bij het verhaal.
Het is fascinerend hoe je al lezend, wat je leest voor waar aanneemt. Als je eenmaal vijf pagina’s op streek bent in een album, is alles wat daar op je afkomt ‘echt’. In Nooit zetten we alles wat de lezer tot dan toe voor waar aannam volledig, ook letterlijk, op z’n kop. Het is hetzelfde verhaal, maar anders. Op dat moment besef je als lezer dat niets is wat het lijkt en ga je vragen stellen, zaken herlezen en letten op nuances die je eerst niet had opgemerkt.
En het leuke is: in deel drie wordt het nog veel heavier! (lacht) Je denkt als lezer na deel twee dat je weet hoe het verhaal in elkaar zit, maar dat is absoluut niet het geval.”

Je hebt een voorkeur voor complexe, dikwijls vrouwelijke personages.
„Ik heb inderdaad een voorliefde voor psychologische verhalen. En ik gebruik graag vrouwelijke hoofdpersonages, dat is ook waar. Dat is omdat ik qua verhalen een zeer brede smaak heb. Ik kan zowel autobiografische dingen, als sciencefiction en alles daar tussenin goed vinden. Ik zoek naar personages die authentiek overkomen en naar verhalen die iets vertellen over – dat klinkt wat zwaar, maar toch – de wereld. (grijnst) Ik lees bijvoorbeeld niet graag strips over een man die een draak moet verslaan. Maar ik lees dat wel graag als zo’n beeld gebruikt wordt als metafoor voor alledaagse dingen. En vrouwelijke personages, tja, die zijn sowieso veel leuker om te tekenen. Daarnaast stop ik altijd veel van mezelf in mijn hoofdpersonages. Als dat dan een man zou zijn, zou ik er te dicht opzitten. Met vrouwelijke hoofdpersonages creëer ik vanzelf al wat afstand. Vermits ik ook met die psychologische laag werk. Dat wordt meer van een vrouw geaccepteerd dan van een man. Bij een vrouwelijk personage kun je dat veel meer tonen. Mannelijke hoofdpersonages kunnen dat natuurlijk ook voelen, maar zullen allicht geneigd zijn om het veel meer voor zich te houden. Bovendien vind ik dat er al te veel mannelijke personages in strips rondlopen. Er zijn veel te weinig goeie vrouwelijke personages. Strips worden gemaakt door mannen voor mannen. Vrouwen lopen er vaak slechts bij als decor.
Als je zo lang aan een boek werkt, in dit geval zo’n vier jaar, dan leef je écht met je personages mee. Dat worden dan echte mensen. Dat is een heel intense ervaring. Je voelt je echt betrokken bij je personages. En het is dan toch fijn als er minstens één sympathiek, lief meisje bij is.” (lacht)

In Misschien/Nooit refereer je zichtbaar aan Watchmen. Is Alan Moore een van je inspiratoren?
„Watchmen is niet mijn favoriete boek van Alan Moore, het staat zelfs redelijk laag op mijn lijstje. Verhaaltechnisch hangt dat boek aan elkaar van de geweldige vondsten. Maar qua verhaal spreekt het mij minder aan. Het zijn vooral de trucs die hij gebruikt, zoals de beeldovergangen, de tekst die contrasteert met het beeld, het werken met die tekstbijlages, die een ongelooflijk realistisch wereldbeeld oproepen. Ik ben veel meer fan van V voor vendetta, of Promethea. Ik heb altijd meer op gehad met Frank Miller dan met Alan Moore. Bij Moore heb ik altijd het gevoel gehad dat het vanuit het hoofd is gemaakt, en Miller vanuit de onderbuik. In de strips van Moore zit zo veel literaire bagage, dat er vanzelf een afstand ontstaat tussen de lezer en het werk. V for vendetta is Moores meest emotionele boek. De hoofdpersoon is vanzelfsprekend zeer koel, maar het meisje kun je echt meevoelen. Die pijn! Die scène waar ze in die isoleercel opgesloten zit, is echt afschuwelijk. Dat zijn boeken waar je zelf iets bij voelt. Mijn grootste inspirator is Brian Michael Bendis, die op zijn beurt geïnspireerd is door Frank Miller en theater- en filmschrijver David Mamet. Hij staat vooral bekend om zijn uiterst realistische dialogen. Bendis speelt heel veel met verhaalstructuren en verteltechnieken. Mijn allereerste stripje ooit was overigens een eigen versie van Goldfish, een kort verhaal van Bendis. Ik zat toen in het laatste jaar van de middelbare school en ik heb daar toen met toestemming van Bendis een dertien pagina’s tellend strip van gemaakt die laaiend enthousiast onthaald werd in de klas!” (lacht)

Je bedankt in je voorwoord mensen die model hebben gestaan.
„Ik probeer elk boek een eigen stijl mee te geven. Bij Façade werkte ik redelijk veel naar foto’s, en ook bij Misschien/Nooit heb ik dat gedaan. Ik ben niet van plan om dat bij elk project opnieuw te doen. Maar toen we het scenario uitwerkten, merkte ik dat het vroeg om een heel realistische invalshoek en tekenstijl. Ik word ook heel erg geïnspireerd door film. Zelf een film maken interesseert mij niet, omdat daar te veel dingen bij komen kijken die ik minder interessant vind, zoals de muziek of de geluidsband. Alles wat ik apprecieer aan film, kan ik ook doen in strips. Denk aan découpage, camerastandpunten, belichting en acteren. Met modellen kun je precies hetzelfde doen als in een film, zoals de standpunten zoeken. Maar het blijft wel een tekening. Mijn werk bestaat niet uit overgetrokken foto’s. Het is geenszins mijn bedoeling om het er fotografisch te laten uitzien. En elk van de drie delen heeft ook zijn eigen sfeer. In Misschien maak je kennis met Laura, die heel open en wat naïef is. In dat album heb ik daarom veel leeg gelaten, weinig zwart gebruikt, en de prenten zijn ook grotendeels binnen de kaders gehouden. Heel af en toe laat ik eens een kaderrand vallen, wat nog zeer braaf is eigenlijk. Deel 2 vertelt Egons standpunt en da’s een heel harde gast. Daarom heb ik in dat album veel schaduw en zwart gebruikt, ook als achtergrondkleur van de pagina’s –wat de perspectiefwisseling nog versterkt. En ook met de kaders heb ik meer geëxperimenteerd. Al heb ik me nog ingehouden. In deel 3 gaan pas echt alle remmen los.”

Hoe ben je op de titels gekomen?
„Ik heb een voorkeur voor korte titels: Misschien, Nooit, Ooit, Façade, Hoop. De werktitel waarmee Marc kwam aanzetten, luidde De hondenwacht. Maar dat was om tekst te hebben op de titelpagina. Pas toen we met deel 1 klaar waren, is de huidige titel vanzelf gekomen. En die lag eigenlijk wel voor de hand, omdat Laura heel vaak ‘misschien’ als eerste woord gebruikt. Ik vind dat een heel mooi woord, wat ook dat onzekere gevoel goed samenvat. Toen kwamen de twee andere titels eigenlijk vanzelf. Voor een optimaal effect, lees je deel 1 en 2 ook best na elkaar. Het zou minder effect hebben als het twee aparte boeken waren geworden die met een tussenpoos waren uitgegeven. We wilden het onderscheid in vertelperspectief ook visueel benadrukken. Onze uitgever is toen met het idee gekomen om beide albums in één band uit te brengen en het boek ook letterlijk om te draaien voor deel 2.”

Hoe is je carrière eigenlijk begonnen?
„Vanaf mijn achttiende werd ik zeer actief met striptekenen. Mijn werk stuurde ik naar een groepje striptekenaars in binnen- en buitenland: Amerikanen, Belgen en ook Nederlanders. Het voordeel was dat de strips die ik toen maakte, meestal in het Engels waren, zoals Goldfish. Ik kreeg zowel positieve als negatieve dingen te horen over mijn werk. Dat heeft me enorm geholpen. Als er één iemand iets negatiefs zegt, of als verschillende mensen je hetzelfde zeggen, weet je zeker dat het niet goed is. Het omgekeerde is natuurlijk ook waar. Ik stelde mezelf ook altijd ten doel om beetje bij beetje beter te worden. Om een strip te maken, moet je eigenlijk ongelooflijk veel dingen kunnen: je moet kunnen schrijven en tekenen en ook tegelijkertijd cameraman, lichtman, monteur, geluidsman, decorontwerper en noem maar op zijn! Maar je kunt onmogelijk alles meteen vanaf het begin. Bij Goldfish wilde ik nog vooral leren een verhaal visueel duidelijk in beeld te brengen. Anatomie en perspectief, dat was ondergeschikt. Ik wou gewoon dat verhaal goed vertellen. En zo ook voor het volgende verhaal: daar wou ik vooral aandacht hebben voor de anatomie. Perspectief en zo, daar hield ik me niet mee bezig.
Hoop was mijn eerste, grote uitdaging: een tekstloos verhaal vertellen en zo nog scherper focussen op de verhaallijn. Ook wou ik echt werk maken van de decors en werkte ik voor het eerst met grijstinten. Bij Façade ging ik weer een stapje verderen besteedde ik extra aandacht aan de dialogen en probeerde ik ook meer fotografisch te werken. Misschien voelt dan ook als mijn eerste, volwaardige strip. Alles wat ik daarvoor heb gemaakt, was in zekere zin een vingeroefening. Maar ik heb die boekjes nog steeds heel graag, hoor.”

Kun je van je strips leven?
„Nee, dat lukt voorlopig nog niet. Ik ben voltijds grafisch ontwerper en strips doe ik ernaast. Maar het wordt te zwaar om alles te combineren. Afgelopen jaar heb ik al een tijdje vrij genomen om deel 2 af te kunnen ronden en vanaf nu werk ik nog maar halve dagen als ontwerper, anders lukt het niet om mijn werk met strips te combineren. Het laatste deel zal me toch zo’n negen maanden kosten. Het scenario ligt klaar en na de signeersessies voor Misschien/Nooit, eind december, begin januari begin ik eraan. Het is gewoon nodig om er iets naast te doen. Toch zolang ik voor de Nederlandstalige markt werk.”

Je noemt Steven Dupré ‘je mentor’. Leg eens uit.
„Hij heeft me vanaf het begin erg gesteund. Hij was een van die tekenaars naar wie ik mijn werk heb gestuurd. En van de meesten kreeg ik erg weinig commentaar. Soms drie zinnetjes, soms tien. Van Steven heb ik een analyse gekregen van vijf pagina’s, waarin hij prentje voor prentje uitlegde wat hij goed vond, en wat minder goed. Hij heeft me toen in één brief dingen geleerd, waar ik anders vijf jaar over had gedaan. Steven is dat blijven doen en ik heb eigenlijk enorm, enorm veel aan hem te danken. En ik keek ook erg naar hem op vroeger. Sarah en Robin was – naast Sam – een van mijn favoriete reeksen. Het gaf me veel vertrouwen, dat iemand als Steven zich de moeite troostte om mijn werk te lezen en er commentaar op te geven. Hij heeft al die jaren ellenlange brieven geschreven en mails. Onlangs, bij de boekpresentatie van Misschien/Nooit, heb ik hem een exemplaar meegegeven. Ik zei hem dat ik heel benieuwd was wat hij ervan vond. Later kreeg ik een mailtje. Dat kwam er in het kort op neer: ‘Ik ben heel fier op u en die lange analyses, dat zit er nu niet meer in, omdat ik denk dat dit niet meer nodig is.’ Dat was wel erg mooi.”

TOT NU TOE VERSCHENEN :
Hoop: Spaeys debuutalbum maakt hij met David Safier. Het is een tekstloos verhaal in zwart-wit over een stripteasedanseres die verliefd wordt op haar overbuurman, een kunstenaar. Ook nadat ze een ander trouwt, kan ze hem niet vergeten.

Façade: Tweeluik met kortverhalen, waarvan eentje op een scenario van Steven Dupré. Beide gaan over sterke vrouwen die hun leven in eigen handen nemen. Het album ademt de sfeer van een film noir en sleepte – terecht – zeer lovende kritieken in de wacht.

Misschien/Nooit: In Misschien maak je kennis met Laura Dupin, een onzekere maar knappe jongedame die de grote stad intrekt. Algauw komt ze terecht in een web van intriges en leugens. In het tweede deel van deze trilogie, Nooit, wisselt Spaey het perspectief en moet je het boek – letterlijk – omdraaien. Zo ontdek je als lezer dat het prille, amoureuze verhaal – gezien door Laura’s ogen – helemaal niet zo rooskleurig is. Volgend jaar verschijnt Ooit, het derde en laatste deel.

Webstek Kristof Spaey (met trailer van Misschien/Nooit): http://users.telenet.be/kristofspaey


 
 

meer in ZozoLala 169