Europese stripcultuur enorm veranderd in twintig jaar tijd
Het stripmuseum in Brussel bestond in oktober 2009 twintig jaar. Reden voor het museum om aan de hand van een tentoonstelling stil te staan bij de ontwikkeling die het beeldverhaal de afgelopen twee decennia heeft doorgemaakt.
door Seline Borking
Toen het BSC in 1989 zijn deuren opende, vermoedde niemand dat er grote veranderingen op komst waren. De Europese stripwereld is anno 2009 op veel fronten niet meer te vergelijken met die van eind jaren ’80. Neem alleen al de productie. Die is in twintig jaar tijd explosief toegenomen. In 2009 verschenen er alleen al in België tien keer meer strips dan in 1989. In totaal kwamen er de afgelopen twee decennia meer dan 30.000 striptitels op de markt, zo blijkt uit een inventarisatie van het stripmuseum (of Belgisch Stripcentrum, BSC, zoals het officieel heet). Vanaf 2000 tot nu is de stripproductie in Frankrijk (nog altijd de grootste stripmarkt van Europa) verdrievoudigd: van 1500 tot 4700 titels per jaar. Een groot deel daarvan bestaat uit Japanse strips (manga’s) die de afgelopen twintig jaar van groeiende invloed waren op het Europese striplandschap. Deze stripvorm werd voor het eerst in het Frans vertaald in 1989 en is nu verantwoordelijk voor eenderde van alle stripverkopen in Europa. Door het gigantische aanbod wordt het voor zowel lezer als stripwinkel steeds moeilijker het kaf van het koren te scheiden, want lang niet alle strips die verschijnen, zijn van goede kwaliteit.
Geen beperkingen
De spectaculaire groei van het aantal publicaties is niet de enige verandering op stripgebied de afgelopen twintig jaar. Ook de diversiteit aan strips is toegenomen. De genres en stijlen lopen sterk uiteen. Eén universele stripstijl bestaat niet. Van de ‘klare lijn’ tot meer expressionistische stijlen, van rauw tot sierlijk, zwart-wit of kleur, alles is mogelijk. Dat geldt ook voor het formaat. Het klassieke formaat van ongeveer een A4’tje (dat in Europa al sinds 1900 in zwang is), heeft niet meer het alleenrecht. Onder druk van de reguliere boekhandel verschijnen steeds meer strips op kleiner formaat. Hetzelfde geldt voor het aantal pagina’s per album. Dat stond al sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw vrijwel standaard op 48 bladzijdes. Vandaag de dag is dat aantal volledig losgelaten. Sommige strips halen met gemak 150 of 200 pagina’s, andere beperken zich tot slechts een vijfde daarvan. Qua onderwerpen is er sprake van een al even grote verscheidenheid. Voerde decennialang de klassieke avonturenstrip de boventoon, al dan niet met een humoristische inslag, tegenwoordig is er ruim aandacht voor autobiografische, literaire, historische en filosofische thema’s. Vooral het dagelijks leven is een populair motief. Het lijkt wel alsof er geen beperkingen meer zijn voor het medium.
Van kind naar volwassenen
Wat verklaart deze grote veranderingen? Om daar een antwoord op te vinden, moeten we terug in de tijd. Jarenlang verschenen Europese strips (vrijwel allemaal van Frans-Belgische makelij) eerst in kranten en na de Tweede Wereldoorlog ook in striptijdschriften. Alleen de populairste reeksen kwamen uit in boekvorm. De strips die gepubliceerd werden, waren vooral bedoeld voor kinderen, of liever gezegd: jongens. Van oudsher was dit de doelgroep waar het Europese beeldverhaal zich op richtte. Eind jaren ’60 kwam daar verandering in en begonnen striptekenaars meer volwassen thema’s aan te snijden. Nieuwe striptijdschriften kwamen op die zich richtten op artistieke expressiviteit en serieuzere onderwerpen (realisme en politiek). De nadruk kwam meer te liggen op de striptekenaar als kunstenaar en strips begonnen zich in toenemende mate als een volwaardig artistiek medium te manifesteren.
Maar mede door de economische crisis in de jaren ’80 kwam er een abrupt einde aan de tijdschriftcultuur. Lezers hadden geen interesse meer in verhalen in feuilletonvorm en verlegden hun aandacht naar strips die rechtstreeks als album uitkwamen. Hierdoor legden veel toonaangevende stripbladen het loodje. Daarnaast durfden de grote uitgeverijen het niet meer aan te experimenteren. Vernieuwende striptekenaars werden financieel als te riskant gezien. In plaats daarvan koos men voor ‘veilige’ uitgaven van beststellers. Het gevolg was een verschraling van het aanbod. Vooral auteurs die alleen al vanwege hun naam garant stonden voor winst beheersten de stripwereld. Een voorbeeld van zo’n verkoopkanon is Jean van Hamme (scenarist van o.a. Thorgal, XIII en Largo Winch), die in de uitgeverijwereld ‘Monsieur 10%’ wordt genoemd, omdat zijn traditionele avonturenstrips elk jaar verantwoordelijk zijn voor tien procent van de totale stripverkoop.
Vernieuwing
In de jaren ’90 kwam in Frankrijk een beweging op van jonge striptekenaars die van deze hegemonie afwilden. Aangezien debutanten nergens meer terecht konden, richtten zij zelf kleine uitgeverijtjes op om onafhankelijke strips te maken. De meest invloedrijke kleine uitgeverij in dit decennium was L’Association. Opgericht in 1990 door een stel jonge Franse striptekenaars (waaronder Lewis Trondheim, Joann Sfar, Christophe Blain en Blutch), wilde deze uitgeverij avant-gardistische strips maken en onafhankelijk van de markt opereren. Net als de makers van undergroundcomix in de jaren ’70, keerde de groep zich tegen de dominante tradities van de stripindustrie. Niet de vraag van de markt maar de artistieke expressie stond voorop. Persoonlijke verhalen en een individuele stijl waren het belangrijkst. In 1997 wist L’Association voor het eerst met winst te draaien.
Alhoewel de verkoopcijfers van dit soort kleine uitgeverijen in het niet vielen in vergelijking met die van de grote concerns, waren hun uitgaven van grote invloed op de Europese stripwereld. Het bleek dat er wel degelijk vraag was naar dit soort experimentele strips. Het succesvolste voorbeeld van een stripreeks die L’Association uitgaf, was Marjane Satrapi’s Persepolis. Daarvan werden zowel in Europa als de VS honderdduizenden exemplaren verkocht. Aan het begin van de 21e eeuw gingen grote literaire uitgeverijen daarom ook over tot publicatie van dit soort ‘afwijkende’ strips die in de jaren ’80 nog als te risicovol zouden zijn bestempeld. Het gevolg was dat er binnen het Europese stripverhaal steeds meer ruimte kwam voor artisticiteit. Dat neemt niet weg dat de best verkochte Europese strips nog altijd de ‘traditionele’ reeksen zijn, zoals Blake en Mortimer, Lucky Luke, Largo Winch en Asterix.
Toekomst
De terugblik in het Brusselse stripmuseum maakt niet alleen duidelijk hoe enorm de Europese stripcultuur in relatief korte tijd is veranderd, het maakt ook nieuwsgierig naar toekomstige ontwikkelingen. Afgezien van de diversiteit aan stripverhalen en –vormen, verandert het Europese beeldverhaal ook op een ander gebied. Het internet neemt een steeds belangrijkere rol in als het aankomt op verkoop van en informatie over strips. Het aantal websites dat gewijd is aan het beeldverhaal groeit. Uitgevers zoeken zo rechtstreeks contact met hun publiek.
Strips zijn ook steeds makkelijker te bestellen via internet, zonder tussenkomst van de traditionele stripwinkel. De vraag is wat de digitale revolutie voor gevolgen zal hebben voor de evolutie van het beeldverhaal. Bestaat de specialistische stripzaak, waar de ZozoLala gratis is af te halen, over twintig jaar nog? Of leven we dan in een volledig gedigitaliseerde wereld, waarin we al onze producten bestellen via internet, sterker nog: onze stripboeken downloaden op onze e-reader of Kindle? Strips in digitale vorm? Het is op dit moment nog moeilijk voor te stellen. Wat we wel kunnen concluderen is dat het Europese beeldverhaal vandaag de dag levendiger en boeiender is dan ooit. Zeker: door de overvloed aan publicaties komen er veel hap-slik-wegstrips op de markt. Toch blijven er genoeg delicatessen over die ervoor zorgen dat de waardering voor het stripverhaal als legitieme kunstuiting verder toeneemt. Het bestaan van stripmusea en striptentoonstellingen, zoals in het BSC en zelfs in het Museum voor Schone Kunsten in Brussel afgelopen jaar, draagt daar verder toe bij. Genoeg reden dus om reikhalzend uit te kijken naar de komende twintig jaar.

KADER:
In de tentoonstelling Het stripverhaal… 20 jaar later is nog te zien tot 28 maart in het Brusselse stripmuseum (of Belgisch stripcentrum zoals het nu officieel heet). Op de expositie passeren 21 stripalbums uit de laatste twee decennia de revue (één voor elk jaar). De samenstellers van de tentoonstelling (journalist Daniel Couvreur van de Belgische krant Le Soir en stripconnaisseur Lucas Reynaert) moesten zich bij hun keuzes aan twee voorwaarden houden: de strips moesten in België verkocht zijn en moesten de evolutie van het beeldverhaal in de afgelopen twintig jaar schetsen, een monnikenklus als je je realiseert dat er in die twee decennia meer dan 30.000 strips in België verschenen! Bij een dergelijke selectie kan dan ook geen sprake zijn van enige objectiviteit. Iedere stripliefhebber heeft zelf zo zijn voorkeuren en kan een top twintig samenstellen met albums die op de tentoonstelling ontbraken. De bedoeling was dan ook vooral om met de geselecteerde albums aan te tonen hoe veelzijdig het beeldverhaal vandaag de dag is. Het resultaat was een bonte aaneenschakeling van zeer uiteenlopende albums:
1989    David Lloyd / Scenario: Alan Moore, V voor Vendetta
1990    Philippe Francq / Scenario: Jean Van Hamme, Largo Winch 1: De erfgenaam
1991    Jeff Smith, Bone 1: Weg uit Boneville
1992    Frank Miller, Sin City: Een wreed vaarwel
1993    Zep, Titeuf 1: Vrijen is vies
1994    Didier Tarquin / Scenario: Christophe Arleston, Lanfeust van Troy 1: Het ivoor    van Magohamoth
1995    Naoki Urasawa, Monster 1: Herr Doktor Tenma
1996    Midam, Kid Paddle 1: Spelbrekers
1997    Philippe Delaby / Scenario: Jean Dufaux, Murena 1, Purper en goud
1998    Lewis Trondheim / Scenario: Joann Sfarr, Donjon Zenit : Eendenhart
1999    Posy Simmonds, Gemma Bovery
2000    Marjane Satrapi, Persepolis
2001    Béhé (Joseph Griesmar) / Scenario: Frank Giroud, Tien geboden 1: Het          manuscript
2002    Joann Sfar, De kat van de rabbijn 1: Het bar-mitswa
2003    Emmanuel Guibert / Scenario en foto’s: Didier Lefèvre, De fotograaf
2004    Takeshi Obata / Scenario: Tsugumi Ohba, Death note 1
2005    Charles Burns, Zwart gat
2006    Olivier Schrauwen, My Boy (niet in het Nederlands vertaald)
2007    Catel (Muller) / Scenario: José-Louis Bocquet, Kiki van Montparnasse
2008    Émile Bravo, Robbedoes en Kwabbernoot: Het dagboek van een Fantast
2009    Li Kunwu / Scenario: P. Ôtié, Une vie chinoise (niet in het Nederlands vertaald)


 
 

meer in ZozoLala 170