| |
Baudoin: Het leven is een wandeling
Edmond Baudoin (1943) is een buitenbeentje in de stripwereld. Hij trekt zich niets aan van de commerciële regels van het uitgeversbedrijf. Zelf vergelijkt hij zijn werk met de hedendaagse dans. Ritme, tegenstellingen en abstractie zijn in zijn strips sleutelbegrippen. Zijn albums zijn beslist geen verkoopskanonnen, zeker niet in Vlaanderen en Nederland waar slechts een fractie van ’s mans snel groeiende oeuvre is vertaald. Jammer, want zijn ingetogen, introspectieve en trage vertellingen boren zelden in het stripmedium aangeboorde thema’s aan: liefde, samenleven en de onmogelijkheid om een ander mens écht te leren kennen. Zopas verscheen Het model. Daarin haalt een oud schilder herinneringen op aan de vrouwen aan zijn leven tegenover de jonge vrouw die voor hem poseert. Reden om een kop koffie met Baudoin drinken, die in december op doortocht was in de Lage Landen. Het is een gesprek met meer afgebroken zinnen en zinswendingen dan volzinnen, onderstreept met heel wat gebaren…
door Roel Daenen
Het model doet erg denken aan uw eerdere strips Het portret en De ogen in de muur. Wilde u die boeken opnieuw maken?
„Nee, Het portret gaat het over iemand die een portret van het model wil maken, en daardoor het leven in haar wil tekenen. Toch lukt dat hem niet. Niemand kan dat volgens mij. De ogen in de muur ging over de poging een jonge vrouw te begrijpen, en een ander soort portret te maken. In Het model daarentegen wil de kunstenaar niets liever dan een ‘gewoon’ portret maken. Ook hier gaat het dus eveneens over de beeltenis van iemand anders, een onbekende. Als die onbekende ook nog eens een jonge vrouw is, en de kunstenaar een man – een hele oude bovendien – geeft dat extra lading aan het verhaal. Hij zegt die jonge vrouw wat hij van het leven denkt. Op het einde van het verhaal draait ze echter de rollen om en stelt ze: ‘Nu is het mijn beurt. Nu ga ik praten.’ Het gaat dus over de relatie tussen een kunstenaar en zijn model. Maar er is een dubbele opzet. Het model evolueert namelijk. De man heeft kennis en ervaring, door zijn leeftijd. De jonge danseres komt uit een compleet verschillende leefwereld, is niet zo oud maar heeft toch – misschien – evenveel ervaring. (glimlacht) Want zeg nu zelf: wat betekent ervaring? Wat is dat? Ik beken: ik weet het niet.” (lacht hartelijk)
Voor dit album maakt u gebruik van levendige aquarelkleuren. Dat staat wat haaks op uw voorliefde voor zwart-wit, waarin u het merendeel van uw werk tot hiertoe hebt gemaakt. Waarom?
„Het leven neemt soms opmerkelijke wendingen. Op een bepaald moment vraagt Joann Sfar (maker van onder andere Donjon en De kat van de rabbijn, red.) verantwoordelijk voor deze collectie bij de Franse uitgever Gallimard, of ik geen boek voor hem wil maken. Hij heeft me vervolgens letterlijk bij de hand genomen en me naar een schilderswinkel gebracht. Daar kocht hij aquarelverf, penselen en kladboeken voor me. Et voilà, het was beslist. Soms beslis je zélf, maar soms beslist er iemand anders voor je. Joann verplichtte me dus zijn werkwijze eigen te maken. A priori werk ik inderdaad niet vanzelf met kleur. Maar ik moet zeggen dat het me enorm bevallen is. Ik beheers het ook niet zo goed – ik heb een paar keer de tekeningen moeten corrigeren met een laagje erbovenop. Want ik werkte in boekjes. Mijn andere boeken maakte ik op aparte pagina’s. Nu kon ik een pagina dus niet zo maar weg gooien als die niet beviel, maar moest ik hem aanpassen. Bij aquarel is veel geluk gemoeid. Je neemt het penseel en voor je het goed en wel beseft, loopt de kleur verder, maak je vlekken en mengt de verf zich met wat je daarvoor al gemaakt hebt. Dat onverwachte, die toevalsfactor, ik hou daar enorm van. Ik ben dol om ergens mee naartoe genomen te worden. In januari verschijnt er overigens bij Gallimard nog een ander album van mij, Peau d’âne (letterlijk: Ezelsvel, red.). Dat is een in Frankrijk relatief bekend sprookje van Charles Perrault dat ik in beelden heb gegoten. Het is een verhaal over incest. De vader van Peau d’âne is koning. Zij is een knap, jong meisje. Hij wil trouwen met zijn eigen dochter, wat zorgt voor flink wat beroering. Ik heb er een persoonlijke lezing van gemaakt, net zoals sprookjes vroeger ook werden aangepast en opnieuw werden ingevuld. En ook dit boek heb ik in aquarel gemaakt.”
Uw verhalen gaan opvallend vaak over de relatie tussen een oude man en een jong meisje.
„Dat is gewoon waar. Ik ben geen jongeman meer. Maar ik geneer me daar niet voor. Ik ben best tevreden met mijn leeftijd. En ik houd enorm veel van deze periode in mijn leven. Elke fase van het leven is belangrijk en betekenisvol. Voor mezelf is het een blijvende bron van verwondering te zien hoe ik naar de wereld kijk, in relatie tot hoe jonge mensen die zelfde wereld ervaren. Let wel, dat betekent niet vanzelf ‘in tegenstelling tot...’, als wel als open vraag. Ik wens aan iedereen toe dat men in dit besef kan beleven. Elk moment van het leven is immers de moeite waard! Bon. Het bevalt me uitstekend om jonge vrouwen in mijn verhalen te tonen. Ik hou van de verstandhouding met vrouwen. Vanzelfsprekend niet alleen op seksueel vlak, maar ook wat het verstand betreft. Ik droom van een wereld waarin mannen veel meer de ‘vriend’ van vrouwen zouden zijn dan vandaag de dag het geval is. Ik heb het niet zozeer over de liefde, of gelijkheid, maar over een ruimere invulling van het begrip vriendschap. Verschil zorgt echter ook voor dynamiek, voor ontwikkeling. En dat werkt des te meer als de vrouw in het verhaal jong is. Daarbij komt dat, door het beroep dat ik uitoefen, ik heel vaak in contact kom met jonge mensen. Zoals op festivals, of zelfs bij L’Association (de uitgeverij waar Baudoin het merendeel van zijn albums heeft uitgegeven, red.) zijn de meesten flink jonger dan ik.”
In Het portret laat u de schilder mijmeren: ‘Ik zou graag het leven tekenen... De onmogelijke droom.’ Zou u dat als uw levensmotto omschrijven?
„Ja, het is het leven dat me interesseert, overal en altijd. Eens zei een schilder me: ‘Kunst, dat is wat het leven belang geeft.’ Kunst geeft zin om van het leven te proeven en het ten volle te beleven. Wanneer ik werken zie van Breughel of Rubens, geeft dat me zin om te leven! Je verlaat het museum en je zegt ‘waauw!’ Je hebt zin om te rennen, om te springen, om lief te hebben! (lacht) Dat is voor mij de voornaamste reden van kunst. Nog een voorbeeld. Later dit jaar ga ik naar Mexico. Ik heb een beurs gekregen om naar Ciudad Juárez te reizen, de beruchte grensstad, de plek met het grootste aantal moorden ter wereld. Ik ga er niet naartoe om er schetsen te maken over de dood. Ik wil de stad intrekken om er mensen te ontmoeten. Wanneer de mensen me daar op straat zien schetsen, hoop ik dat ze me zullen aanspreken. Dan wil ik hun de vraag stellen: ‘Waarvan droom je in dit leven?’ Ik wil een ode aan het leven maken in de stad waarin de dood alomtegenwoordig is. De dood is niet het probleem, die doet zijn ding. Het probleem is het leven en hoe je dat invult. Je zou mijn werk inderdaad kunnen lezen als een eerbetoon en een lofzang op het leven. Of het nu gaat over bomen, of een wandeling, of... Het leven is een wandeling. Er is geen echt doel, of een bestemming. Ik bedoel: we kennen onze bestemming in zekere zin wel. Het belangrijkste is de weg die we afleggen.”
Auteurs vertellen in zekere zin telkens hetzelfde verhaal, maar op een andere manier. Wat is uw verhaal?
„Ik kom uit het dorpje Villers-sur-Var, in de buurt van Nice. Ik houd ervan te spreken over mensen die helemaal niks zijn, die geen schijnwerpers op zich hebben gericht. Dat alledaagse en gewone, dat houdt me sterk bezig. Verhalen over vaders, moeders, grootouders… Compleet onbekende mensen uit mijn dorp. Ze zijn voor mij allemaal even belangrijk. Ik geloof niet dat de ene mens belangrijker is dan de andere. In een van mijn albums heb ik het over de bet-over-achter-achter-grootmoeder van Nelson Mandela. Een onbekende en schijnbaar onbetekenende vrouw die op twaalfjarige leeftijd is gestorven. Maar als zij er niet was geweest, hadden we Mandela ook niet gekend. Je kunt dus nooit zeggen wie belangrijk is, en wie zogezegd niet.”
Die liefde voor de gewone man spreekt ook duidelijk uit Abbé Pierre, uw strip over de stichter van de Emmaus-beweging.
„Ja, maar dat was een boek in opdracht. De kerk had me gevraagd dit boek te maken. Ikzelf ben niet gelovig, maar toch stelde de kerk mijn werk op prijs. Voor Abbé Pierre maakte het weinig uit of ik gelovig was of niet – dat was precies het zelfde, zo zei hij. Alors, misschien ben ik wel gelovig! Maar hij was een man die bergen heeft verzet, vanuit zijn eigen tekortkomingen. Ik zeg het vaak genoeg aan mijn studenten en toehoorders. We slagen er nooit echt in om met anderen te communiceren. We zijn állemaal op de een of andere manier timide. Je moet geen schrik hebben voor je tekortkomingen. Het is niet met spieren dat je overwint. Nee, het is met je zachte kanten. In die zin zijn we allemaal kinderen.” (lacht)
Een van uw bekendste werken is De reis. Hoe autobiografisch is dit?
„Er zijn momenten dat het leven in een andere richting omslaat. Zo heb ik op een bepaald moment gekozen om mijn leven helemaal om te gooien. Ik ben opgehouden met mijn beroep. Ik was al járen boekhouder, maar wilde tekenaar worden. Ik heb toen een reis gemaakt, ja. Maar zonder me echt te verplaatsen. Ik ging nergens naartoe. Er is niemand die je aan gene kant opwacht, in het onbekende. Je kunt niet aan je deur een bordje hangen, voilà, ik ben kunstenaar! Dat werkt niet. Het is een heel lange weg voordat je werk gepubliceerd wordt, in een tijdschrift of een krant. Maar in dit verhaal was het interessanter om het personage echt te laten reizen door een landschap als in een road movie. Zo kan het best boeiend zijn om het leven van iemand als Fernando Pessoa (Portugals bekendste, modernistische dichter, die zelden een voet buiten de deur zette, red.) te verwerken in een album. Te tonen hoe hij van zijn bed naar het balkon loopt, en dan naar zijn tafel, en weer terug.”
In het Nederlands verschijnt maar een klein deel van alle strips die u maakt. Het lijkt wel alsof u enorme haast heeft te publiceren.
„Ha, je hebt me door! Het is een beetje vreemd... Maar toch, tegelijkertijd ook heel schoon. Ik voel dat ik tijd tekort kom om alles te doen wat ik nog wil in mijn leven. Ik heb dat gevoel al een lange tijd en de laatste jaren is dat steeds sterker geworden. Wanneer ik nu met jou aan het praten ben, heb ik zo’n enorme zin om je van alles te vertellen, en dat vindt dan zijn weg naar de lezers van dit tijdschrift. Ik word in zowat de hele wereld gevraagd om lezingen te geven en conferenties bij te wonen. En dat bevalt me enorm. Want ik ben in mijn volle kracht, als een boom die nog steeds erg veel vruchten geeft. Maar ik weet: dit gaat niet blijven duren. Maar dat is normaal, hè! De tijd die me nog rest om alles te geven, wil ik dan ook ten volle gebruiken. Wat ik in mijn leven heb geleerd, stelt eigenlijk niet zoveel voor. Maar toch. Er zijn zaken die ik in dit boek (wijst naar Het portret) wil meegeven. Mijn idee over de liefde. Nu het nog kan, wil ik alles geven... in de hoop dat iemand er iets aan heeft, dat het ergens toe bijdraagt!”
Selectieve bibliografie:
Het oeuvre van Baudoin is te uitputtend om in zijn geheel te behandelen. Voor wie geïnteresseerd is geraakt in zijn werk, hier een beknopte bibliografie ter introductie.
Piero
(Sherpa – Oog&Blik, 1998) Sprookjesachtige, autobiografie over de kinderen Momo en Piero, twee broertjes die in een Franse dorpje vlakbij Nice opgroeien. Het zijn Baudoin en zijn broer. Tekenen is hun leven. Op achttienjarige leeftijd gaat Piero naar kunstacademie in Parijs. Momo wordt daarentegen, net als vaderlief, boekhouder. Won meerdere prijzen.
De reis
(Sherpa, 1996) De kwintessens van alle Baudoin-verhalen. De auteur neemt ruim zijn tijd om het verhaal van monsieur Simon te ontplooien. Op een dag, onderweg naar zijn kantoor, besluit Simon te breken met zijn routineuze leven en vertrekt op reis. De reis is een metafoor voor de zoektocht naar zichzelf, vriendschap en de waarheid. In 1997 bekroond met de Alph’Art voor het beste scenario op het festival van Angoulême.
Salade Niçoise
(Sherpa – Oog&Blik, 2001) Caleidoscopische verhalenbundel over Baudoins twintigjarige alter ego Manu. Zijn geboortestad Nice is het toneel van een aantal korte verhalen, over o.a. een knap, seropositief meisje, een uitgerangeerde zangeres en een verloren weddenschap.
Het portret
(Sherpa – Oog&Blik, 2001) Oude schilder-met-baard geeft levenlessen aan zijn jonge model. Goedbedoeld, maar ook lichtjes verwaand denkt de oude man de waarheid in pacht te hebben. Tot het meisje hem van repliek dient.
Véro
(Sherpa – Oog&Blik, 2001) Portret van het uitzichtloze bestaan van jongeren in de Franse voorsteden.
Les sentiers cimentés
(L’Association, Frans) Mooie bundel op groot formaat met Baudoins vroege werk, uitgegeven tussen 1981 en 1996 bij de uitgeverijen Futuropolis en Z. Het boek toont het grafisch parcours dat Baudoin sinds zijn debuut (‘Les sentiers cimentés’) uit 1981 heeft afgelegd.
Zie ook www.zozolala.com/ZL91_Baudoin
|
|