Een knalrode lompe boer in grijstinten
 
Vergeet de glitter, glamour en het goudlamé uit de verfilming van regisseur Guillermo del Torro. Sluit de ogen en verbeeld je een omgeving vol verzakte en vergane glorie, bedekt met het patina van schimmelgroen, grafsteengrijs en modderbruin. Welkom in de wereld van Mike Mignola's Hellboy.

door Jef Nieuwenhuis

Eindelijk is er een begin gemaakt met de Nederlandstalige uitgaves van de avonturen van de bloedrode vreemdeling uit een ander universum. Striptekenaar Mike Mignola maakte al in 1993 het eerste verhaal Seed of Destruction (Kiem van het kwaad) waarin hij zijn curieuze hoofdpersoon introduceerde. Op dat moment timmerde hij al een decennium met toenemend succes als tekenaar en inkter aan de weg in het stripwereldje. Maar op een gegeven moment vond hij het wel welletjes. Het keurslijf van de comicsfabrieken Marvel en DC knelde hem te veel. Bij Dark Horse Comics behield hij de rechten over zijn eigen creaties en kreeg hij de mogelijkheid zich creatief te ontplooien. Ontketend liet hij zijn fantasie de vrije loop, schiep Hellboy en zag dat het goed was.
Hellboy is een demon (zijn echte naam blijkt later Anung an Rama te zijn) die in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog door nazi-occultisten naar de aarde wordt gehaald. De jonge, tomaatrode demon valt echter in handen van de geallieerden, die hem laten opvoeden door het Amerikaane Bureau for Paranormal Research and Defense (BPRD). Zijn rechterhand is van een soort steen. Eenmaal volwassen onderzoekt de oersterke Hellboy voor de BPRD allerlei bovennatuurlijke meldingen.
In een interview voor IGN Comics, zei Mignola het volgende over de ontstaansgeschiedenis van de reeks: „Zo lang als ik me kan herinneren, ben ik gefascineerd door het bovennatuurlijke. Als kind al. Alles wat daar over geschreven werd, las ik. De eerste tien jaar van mijn leven als stripmaker, tekende ik hoofdzakelijk superhelden. Maar op een gegeven moment wilde ik iets maken wat me werkelijk kon boeien. Aanvankelijk dacht ik aan een normaal mens dat paranormale gebeurtenissen onderzoekt. Ik besefte dat ik me echter snel zou gaan vervelen als de reeks een succes werd. Toen bedacht ik me dat ik uiteindelijk het liefst altijd monsters tekende. Daar kwam het eigenlijk op neer: ik wilde mijn brood verdienen met het tekenen van monsters.”
De nuchtere houding van Mignola weerspiegelt zich in de lompe directheid van zijn belangrijkste personage. Met een sigaret in de mondhoek, breng Hellboy elke gruwel uit de hel en ieder wereldschokkende fenomeen terug tot hanteerbare proporties. Hellboy gedraagt zich als een paranormale loodgieter die het zoveelste lek moet dichten. Mignola heeft duidelijk plezier in zijn getekende held.

De intuïtieve wijze van werken die tot de creatie van Hellboy leidde, beperkt zich niet tot het tekenen en creëren van personages alleen. In een ander interview zegt hij daarover: „In het begin waren mijn verhalen heel eenvoudig. Ik liet Hellboy wat doen, iemand reageerde daarop, ze raakten in gevecht met elkaar en uiteindelijk won Hellboy. Vlugge halen, snel thuis. Ik liet veel onopgelost of onuitgesproken. Tegenwoordig denk ik er meer over na. Als Hellboy weer eens tegen een monster vecht, vraag ik me af of ze grommen, hoe hun onderlinge relatie is. Mijn personages gaan daardoor meer en meer een eigen leven leiden. Soms vind ik het griezelig worden. Zij zegt wat, hij zegt wat terug en plotseling wordt er iets opgemerkt dat me verrast. Vanaf zo’n moment gaat de bal rollen. Gewoonlijk schrijf ik 90 procent van het verhaal tijdens het tekenen. Soms zitten daar dialogen tussen waar ik op dat moment niets mee kan doen. Die bewaar ik dan. Tijdens het douchen overkomt het me ook wel eens dat ik op bruikbare teksten kom. Ik voer onder de douche hele gesprekken met mezelf.”
Door deze intuïtieve, bijna achteloze manier van werken zit er bijna een natuurlijke ontwikkeling in het personage Hellboy.

De schrijver praat alsof zijn geesteskind Hellboy geheel buiten zijn macht functioneert. In het eerste deel van de reeks wordt de rode sloophamer te voorschijn geroepen door Raspoetin. Deze doet dat op verzoek van Hitler, die - het is 1944 - deerlijk om een wonder verlegen zit om de oorlog nog te kunnen winnen. Het wonder blijkt een vuurrood saterachtig ventje, wat Raspoetin net belet verontrustend tevreden te zijn. Drie bladzijden verder is Hellboy al de lompe, en toch sympathieke reus die Mike Mignola voor ogen stond. Aanvankelijk blijven Raspoetin en de nazi's nadrukkelijk een rol spelen in de verhalen. Later verdwijnen ze naar de achtergrond.
Mignola: „Ik had het gevoel dat ik met dat gegeven wel alles had gedaan. Bovendien kreeg ik de indruk dat de lezers de nazi een beetje zat waren.” Hij schrijft sterk op zijn gevoel. In het vijfde deel van de verhalenreeks laat hij Hellboy het bedrijf verlaten waarvoor hij werkt en waar hij is opgegroeid. Het betekent tevens de start van de spin-off serie BPRD. Gewoonlijk is zoiets een manoeuvre om het succes zo veel mogelijk te benutten. Maar bij Mignola lijkt een logische ontwikkeling: „Voor mijn gevoel is Hellboy het bureau ontgroeid. Hij is wel kwaad op ze omdat ze een vriend van hem in gevaar hebben gebracht, maar dat is de reden niet. Ik denk gewoon dat hij een aantal zaken op een rijtje wil zetten.”
BPRD wordt een zelfstandige reeks waarvoor andere stripmakers het tekenwerk verzorgen. Mike Mignola keert terug naar zijn voornaamste geesteskind.
 
Het succes en de kwaliteit van de reeks steunt op drie pijlers: de intuïtieve werkwijze van Hellboy's maker, diens specifieke onderkoelde humor die de verhalen een extra dimensie geven, en als derde de sfeertekening. In de avonturen van de rode demonen bestrijder is de inkleuring even belangrijk als het plot en de tekeningen. Hoewel Hellboy sinds 1944 in onze wereld rondbanjert, oogt zijn omgeving als de achtergrond bij de avonturen van Dracula. De inkleuring kent felle tinten, maar wordt gedomineerd door donkere tinten rood, bruin en blauw. Zoals gebruikelijk, zeker in de Verenigde Staten, is de inkleuring van de strip uitbesteed. Maar de sturende hand van de meester is nadrukkelijk aanwezig.
Die sfeer van de late negentiende eeuw roept nadrukkelijk associaties met de vroege horrorfilms, zoals Frankenstein’s monster met Boris Karloff uit 1931. Hellboy is op een plek waar hij niet om gevraagd heeft, en hij moet zich maar zien te redden. Anders dan het Monster van Frankenstein voelt Hellboy zich echter volledig op zijn gemak. Letterlijk en figuurlijk onaantastbaar maakt hij een wereld, die niet de zijne is, tot zijn eigendom, zijn achtertuin. De knalrode monsterdoder is in deze doffe en donkergekleurde wereld nadrukkelijk aanwezig. In die context misstaan ook de duistere toespelingen van zijn tegenstanders niet. Allen weten meer van hem dan Hellboy zelf. Dat hij toch wel eens worstelt met zijn identiteit van ‘slechte demon’, blijkt onder andere uit het feit at hij zijn horens afvijlt tot stompjes.
De door Mignola als een lompe kolenboer geportretteerde vechtjas is de voorbode van de Apocalyps. Iedereen weet het en Hellboy doet alsof het hem worst is. Mignola's tegendraadse humor weet met zulke dubbele bodems en de bijpassende ironie de reeks levend en boeiend te houden. Een simpel gegeven vormt op die manier het hechte raamwerk voor een reeks even vermakelijke als verslavende verhalen.

Hellboy wordt uitgegeven door uitgeverij De Vliegende Hollander. Inmiddels zijn twee delen vertaald: Kiem van het kwaad en De duivel ontwaakt.

 
 

meer in ZozoLala 171