| |
Waarom de demon dood moest
Olivier Ka en Alfred over hun gelauwerde strip
We scheven er al over in de vorige ZozoLala. Waarom Pierre dood moest is een indrukwekkend relaas over een gevoelig onderwerp. Even het geheugen opfrissen. Pierre is een progressieve priester, een bonk van een kerel, met grote handen en een fikse baard. Hij raakt bevriend met de hippie-ouders van de kleine Olivier Ka (1968). Olivier en Pierre worden, ondanks hun leeftijdsverschil, soulmates. In de zomer gaat de jonge Olivier, net als een heleboel andere kinderen, naar Pierres vakantiekolonie Joyeux Rivière. En daar blaast Pierre de wereld van de jonge Olivier op door zich aan de twaalfjarige knaap te vergrijpen. Jaren later, wanneer hij zelf een dochter van die leeftijd heeft, eist de gebeurtenis zijn tol en blokkeert Ka: „Omdat ik mezelf jarenlang overtuigd heb dat wat me is overkomen niet erg is.” Pas toen durfde hij het aan om zijn boezemvriend en striptekenaar Alfred (pseudoniem voor Lionel Papagelli, 1976) te vertellen. Samen vonden ze een manier om Ka’s duivels te bezweren. Pourquoi j’ai tué Pierre sleepte in 2007 de grote prijs van het festival van Angoulême in de wacht en is nu eindelijk in het Nederlands vertaald.
Door Roel Daenen

Alfred, je hield als jongeman je school voor bekeken om strips te maken. Waarom eigenlijk?
Alfred: „Ik was achttien toen ik met strips begon. Nu ben ik vierendertig, dat maakt dat ik al zo’n vijftien jaar professioneel bezig ben. Maar eigenlijk wist ik als kind al heel zeker dat ik strips wilde gaan maken. Mijn beide ouders zijn acteurs en ik was als kind bijna altijd bij hen in de buurt, in de coulissen of in de theaterzaal. Ik denk dat ik als kind een beetje solitair was, een tikkeltje gereserveerd zelfs. Wat denk je dat ik tijdens die eindeloze repetities en voorstellingen altijd deed, terwijl mijn ouders op de planken stonden? (glimlacht) Ik tekende de hele voorstelling! Ik kreeg de voorliefde voor mooie verhalen dus echt met de paplepel ingegoten. En zonder dat ik het zelf besefte, maakte ik mijn eerste beeldverhalen. Vermoedelijk stamt de aandrang om verhalen te vertellen en te tekenen dus uit die periode. En aangezien ik me prima vermaakte in m’n eentje, was dat een heel geschikte activiteit. Laten we zeggen dat ik een erg gespannen kind was. Tekenen had een kalmerend effect. Dat is nu niet meer het geval. Maar destijds wilde ik zoveel mogelijk tijd vrijmaken om te tekenen. Dat was mijn grootste geluk.”
Had je toen al een idee wat je huidige beroep ging inhouden?
Alfred: „Totaal niet, nee. Ik had geen enkel idee hoe je striptekenaar kon worden, of wat dat precies inhield. Maar omdat mijn beide ouders kunstenaars zijn, had ik wel zo’n vaag vermoeden hoe een ‘kunstenaarsleven’ eruit zag. Maar ik zag mezelf ook niks anders doen! Ik heb alles zelf geleerd, heb geen grafische opleiding gevolgd. Ik ben wat je een autodidact zou kunnen noemen. Natuurlijk keek ik wel goed naar het werk van andere tekenaars. Vooral Fred (auteur van Philemon, red.), die een enorme vrijheid had in zijn tekenen. Zijn strips bevielen me enorm. Ik liep niet bepaald warm voor de ‘klare lijn’, dat was me veel te klinisch en te geconstrueerd. In het begin was het niet gemakkelijk. Op financieel vlak al helemaal niet. Ik moest verschillende, kleinere klussen combineren om de eindjes aan elkaar te knopen. Zo was ik onder meer conciërge in een theater, ging ik babysitten, dat soort dingen. Maar goed, ik tekende mijn eerste contract bij Delcourt toen ik twintig was.”
Hoe heb je Olivier Ka ontmoet?
Alfred: „We zijn elkaar in Bordeaux tegen het lijf gelopen. Dat was de stad waar we destijds woonden. We hebben elkaar ontmoet tijdens een kleine boekenbeurs, de Salon du Livre Jeunesse. Het was liefde op het eerste gezicht. (lacht hartelijk) En sindsdien hebben we heel veel samengewerkt.”
Een van die projecten was Monsieur Rouge. Wat voor een reeks was dat?
Olivier Ka: „Dat was ons allereerste gezamenlijke project. Monsieur Rouge was een reeks voor kinderen, heel anders qua sfeer dan Waarom Pierre dood moest. We gingen uit van een aantal – voor kinderen heel herkenbare – emoties. Daar probeerden we dan iets grappigs mee te doen. En je kunt wel stellen dat dit een enorm succes had. We hebben sinds het eerste album van Monsieur Rouge duizenden kinderen ontmoet, op school en op boekenbeurzen. We hebben er zelfs een ‘show’ van gemaakt, waarmee we in heel Frankrijk zo’n twee jaar rondgetrokken hebben! De opzet was even eenvoudig als effectief. Ik was de animator, de verteller, en Alfred de tekenaar. We filmden wat hij tekende en dat projecteerden we rechtstreeks op een scherm. Ik mengde me tussen het publiek, stelde vragen aan de kinderen en hun ouders, en zo maakten we – letterlijk – samen het verhaal van die voorstelling. Op het einde waren de kinderen echt uitzinnig van plezier! En voor ons was het ook heel leuk.”
Waarom zijn jullie er mee opgehouden?
Alfred: „Na die twee jaar zijn we er inderdaad mee opgehouden. Niet omdat we geen inspiratie meer hadden of zo, wel omdat we voelden dat we in herhaling dreigden te vallen. En ook om een minder prozaïsche reden: we zijn opgestapt bij de uitgever om een aantal redenen. Het is niet zo dat we van de ene dag op de andere dag zeiden: ‘Monsieur Rouge, zand erover!’ Nee, het was een combinatie van verschillende, kleinere redenen.”
Olivier Ka: „En daarnaast is ook Pierre in beeld gekomen. Ik zag Monsieur Rouge eerder als een test om te zien of we konden samenwerken. En het werkte! Dat maakte dat we allebei zeker genoeg waren om iets anders, iets minder luchtigs aan te snijden. Dat werd Waarom Pierre dood moest.”
Olivier, je hebt inmiddels al zo’n dertig boeken op je naam staan. Wat doe je liever: stripscenario’s of boeken schrijven?
Olivier Ka: „Dertig boeken klinkt misschien indrukwekkend, maar het grootste deel daarvan zijn teksten of boeken voor de jeugd. Het zijn dus niet van die dikke turven. (lacht) Er zijn jaren geweest dat ik wel acht publicaties afleverde. Dat zou onmogelijk geweest zijn met romans, of stripscenario’s. Maar ik houd van beide disciplines. Ik ben dol op schrijven, want dat is waar ik goed in ben. Maar als je ’t me op de man af vraagt, beleef ik toch meer plezier aan het schrijven van een roman. In literatuur kunje meer spelen met het ritme van de zinnen, de muziek die de woorden oproepen. En je hebt meer grip op de karakters die je als auteur kunt scheppen. Het maken van een stripscenario is technischer, ik beleef er minder literair plezier aan. Als scenarist moet je op een directe manier aangeven hoe het verhaal zich ontwikkelt, zonder al te veel beschrijvingen of literaire uitweidingen. Ik kan me daarbij jammer genoeg minder laten gaan.”
Hoeveel tijd heeft Waarom Pierre dood moest jullie gekost?
Alfred: „Het tekenen eigenlijk niet zoveel. Tweeënhalve maand. Maar om het verhaal te laten rijpen: dat duurde wat langer. Nadat Olivier klaar was met het scenario, heeft het toch nog zo’n twee jaar geduurd voor het min of meer in mijn hoofd zat. Gedurende die jaren was ik ermee bezig, las ik geregeld het scenario nog eens door, maar kon ik er me om de een of andere reden niet echt toe zetten. Ik had blijkbaar die tijdspanne nodig om het vorm te kunnen geven. Tot ik opeens wist ik dat ik eraan kon beginnen. Daarna is het bijzonder vlug gegaan. Tweeënhalve maand later werkte ik de laatste pagina af. Het was heel intens, ik werkte er dag en nacht aan, letterlijk koortsachtig bijna.”
Toen het boek klaar was, trokken jullie naar de plek waar de sleutelscène van het boek zich afspeelt. Waarom?
Olivier Ka: „We hebben er inderdaad nog enkele pagina’s aan toegevoegd, na dat aanvankelijke einde. In dat tweede deel zijn er vier pagina’s die we gevuld hebben met fragmenten uit een videofilmpje dat ik gemaakt heb, louter voor onszelf, als een soort van aandenken aan die plek. Maar waarom dat tweede deel? Tot hier aan het einde van het eerste deel bevinden we ons in mijn herinneringen. En plotseling zitten we in de tegenwoordige tijd, en beleven Alfred en ik het verhaal samen. Tot daar had hij een beeld van dit verhaal gekregen door mijn woorden, maar opeens ontvouwt het zich levensecht voor zijn, en uiteraard ook mijn ogen. Om die realistische dimensie – een serieuze overgang – te doen slagen, hebben we foto’s geïntroduceerd. En daarmee verlengden we het verhaal. Mijn verhaal was al gestopt. De uitgever kende het scenario en wist waar het eindigde en hoeveel pagina’s het album zou gaan tellen. Het moest dus daar ophouden. Maar we zijn op dat moment werkelijk ingehaald door de realiteit. Meteen na de ontmoeting met Pierre, jaren na dato, hebben we de uitgever gebeld en gezegd, ‘Luister, we hebben iets ongelofelijk meegemaakt. Dat moeten dat vertellen, we hebben beiden het gevoel dat het niet anders kan, we willen meer pagina’s.’ Achttien dagen later was het album helemaal klaar.”
Is alles in het album waar gebeurd?
Olivier Ka: „Alles is precies zo gegaan zoals ik het vertel. Er zijn vanzelfsprekend wel passages waarin er sprake is van interpretatie van de gebeurtenissen, zoals bij heel wat emotioneel geladen momenten, maar dat is dan de verdienste van Alfred. Maar ik heb dit verhaal echt helemaal van me afgeschreven, zonder de minste overdrijving. Dat lag anders bij vroeger werk. Zo heb ik een paar romans en novelles op mijn naam staan die slechts een vleugje autobiografie hebben. In die boeken heb ik ware gebeurtenissen aangepast aan de nood van het verhaal. Dat is in dit boek allerminst het geval. Ik heb àl de herinneringen die ik aan die periode had, verzameld en geordend.”
Waarom wilde je per se dit verhaal vertellen?
Olivier Ka: „Ik wilde in de eerste plaats begrijpen. En daarmee proberen om de vele emoties die ik aan die herinneringen had een plaatsje te geven. Ik wou ze in zekere zin van me afschrijven, in welke vorm dan ook. In het begin dacht ik aan een roman. Uiteindelijk besefte ik dat ik een veel langere aanloop moest nemen om alles goed te duiden. En dat ik het verhaal chronologisch moest afwikkelen. Toen pas had ik mijn invalshoek en heb ik er met Alfred over gesproken. Hij kende dit verhaal helemaal niet, maar uiteindelijk is hij degene die met het voorstel op de proppen kwam er een strip van te maken. Omdat het zo vanzelfsprekend was, had ik niet eens aan gedacht!”
Alfred: „Olivier vertelde me zijn verhaal in een café, zoals hier en nu. Ik vond zijn manier van vertellen van meet af aan heel beeldend. Toen hij me vertelde dat hij er een roman van wilde maken, maar in de knoop zat met de manier waarop hij het verhaal wou brengen, stelde ik voor er een strip van te maken. Mijn advies was heel eenvoudig: Als je je verhaal wilt vertellen, dan moet je het doen op precies dezelfde manier zoals je het zopas aan mij hebt verteld. Met precies dezelfde woorden en dezelfde aandacht voor de vele beelden in het verhaal.”
Olivier Ka: „Schrijven is mijn manier om me te uiten. Als ik niet schreef, was ik zeker ooit bij een psycholoog beland. Het is enigszins te vergelijken met Vallende ziekte van David B. Die gebruikt zijn strip ook als een soort van remedie, om zicht te krijgen op zijn eigen gevoelens. In essentie werkt psychoanalyse precies hetzelfde. Je moet het kwade, de pijn, of hoe je het ook wilt noemen, proberen te benoemen. Door je problemen te benoemen kun je ze afbakenen en vervolgens uit jezelf krijgen. Je kunt er dan over praten met anderen of, zoals ik doe, erover schrijven.”
Hoe waren de eerste reacties op je verhaal?
Olivier Ka: „Waardig. Blijkbaar heeft het boek veel losgemaakt bij andere mensen, die een soortgelijke situatie hebben meegemaakt. Dat heb ik althans van meerdere mensen gehoord. Enorm veel lezers – honderden – hebben me geschreven of aangesproken tijdens stripbeurzen. Ik kan je verzekeren: dat zijn heel bijzondere momenten. Ik ben geen psycholoog, en – op luisteren na – kon ik die mensen niet helpen.
Toen het boek goed bleek te worden ontvangen, kreeg ik het opeens benauwd. Stel je voor dat ik gevraagd werd om als boegbeeld op te treden voor een bepaalde groep slachtoffers! Aanvankelijk weigerde ik – grotendeels uit die vrees – alle uitnodigingen voor conferenties en lezingen over pedofilie. (lange stilte) Maar na een tijdje heb ik er toch een geaccepteerd, en toen nog een, en nog een… Het is telkens goed verlopen. En in weerwil van de tijdsgeest waarin overal schandalen opduiken over seksueel misbruik door priesters – heeft dit boek geen beschuldigend vingertje.”
Ook al klinkt de titel Waarom Pierre dood moest bepaald suggestief?
Olivier Ka: “Daar moet ik toch echt wel de puntjes op de i zetten. In het Frans was de titel Pourquoi j’ai tué Pierre (letterlijk: ‘Waarom ik Pierre heb gedood’, red). Je had de titel van het boek naar het Nederlands kunnen vertalen als ‘Waarom ik op symbolische wijze Pierre heb gedood’, maar dat is allicht een draak van een titel, dat kan ik niet inschatten. (lacht) In het Frans heeft deze titel een eerder ‘reflexieve’ associatie, in tegenstelling tot de Nederlandstalige versie, waarbij ik het gevoel heb dat die eerder een bestraffende connotatie heeft. En dat was geenszins onze bedoeling.”
Pierre komt er in je verhaal ondanks alles tamelijk goed vanaf. In het begin krijg je zelfs sympathie voor de man.
Olivier Ka: „Ja, dat klopt. De realiteit is nu eenmaal niet zwart of wit. Geen enkele slechterik heeft alle kenmerken van de stereotiepe slechterik. Pierre is ook niet alleen maar slecht. Hij heeft een groot deel van mijn kindertijd tot een heerlijke tijd gemaakt. Hij heeft me ook gemaakt tot wie ik ben. Ik herinner me hem als een gids, iemand uit duizenden. Maar hij had een demon in zich, die ik liever niet was tegengekomen.”
Hoe ga je nu om met die ervaringen uit je jeugd?
Oliiver Ka: „Hoe ouder ik word, hoe meer ik de indruk krijg dat die gebeurtenissen nooit echt hebben plaatsgevonden. Dat het iemand anders is overkomen die ik verzonnen heb. Met het verstrijken van de tijd vervagen ook stilaan mijn herinneringen. (stilte) Ik denk dat het een geheugenprobleem is, Altzheimer of zo! (lacht)”
Waarom ben je nu pas met je verhaal naar buiten gekomen?
Olivier Ka: „Omdat ik er eerder niet klaar voor was. Ik heb het natuurlijk wel eens geprobeerd. Op twintigjarige leeftijd heb ik het al eens geprobeerd op te schrijven. Het was mijn allereerste poging naar buiten te komen als ‘schrijver’. Dat is me toen niet gelukt. Ik denk dat ik me te veel focuste op de gebeurtenissen zelf. Ik was bovendien niet volwassen genoeg. Sindsdien kwam dit verhaal met de regelmaat van de klok terug voor mijn geest. Ik wist wel zeker: op zekere dag moet en zal ik het van me afschrijven. Op een bepaald moment was ik daar haast bezeten mee bezig en dacht ik er bijna elke dag aan. Ik moest alleen nog leren schrijven. En dat heeft me wel wat tijd gekost. (grijnst)
Kinderen krijgen was ook heel confronterend. Toen mijn kinderen de leeftijd bereikten die ik had toen het gebeurde, kreeg ik eigenlijk pas echt inzicht in de menselijke geest, in hoe kinderen van die leeftijd denken. En ook de macht die volwassenen over kinderen kunnen uitoefenen. Dat besef had ik daarvoor allerminst. En al die elementen had ik nodig om dit verhaal te kunnen schrijven. Ik maak in het boek ook wel wat sprongen in de tijd. Dat komt omdat al die momenten op de een of andere manier gelieerd zijn aan het evenement zelf. Zoals de scène met het huwelijk: op dat moment kwamen opeens al die herinneringen weer boven die tot dat moment begraven waren.”
Hebben jullie ooit nog contact gehad met Pierre?
Alfred: „Nee, nooit meer. We weten zelfs niet of hij het boek gezien heeft.”
Olivier Ka: „Eerlijk gezegd wil ik het ook niet weten. Dat zou getuigen van een bepaalde rancune. Voor mij is het verhaal nu verteld en afgesloten. Ik voel geen enkele behoefte om nog verder te gaan. We hebben Pierre gesproken, zoals in het boek beschreven staat, en daardoor is hij ‘gestraft’. Het feit dat hij daardoor lijdt, of op zijn minst een vorm van wroeging heeft gekregen, volstaat voor mij. Ik houd niet van het woord ‘straf’, maar ik zie het eerder als een confrontatie met hetgeen hij heeft aangericht.”
|
|