Het bandjesgevoel van Mezzo en Pirus
‘Als de lezer zich onprettig voelt bij onze strips, dan zijn we geslaagd’

De twee ontmoetten elkaar eind jaren ’80 op een feestje: de Fransen Pascal Mesemberg (1960) en Michel Pirus (1962). Sindsdien gaan ze door het leven als het duo Mezzo & Pirus. Met hun album De vliegenkoning gooiden ze internationaal hoge ogen. Onlangs verscheen bij uitgeverij Sherpa de remake van hun debuutalbum Hold-up. „We zijn net een bandje,” vertelt Mezzo. „Samen zijn we als stripmakers meer waard dan solo.”

Door Hans van Soest

Toen Pascal Mesemberg en Michel Pirus elkaar voor het eerst spraken, was er niet meteen een klik. Volgens Pirus was er weinig romantisch aan. „Het was een ontmoeting zoals je die wel vaker hebt op een avondje met gemeenschappelijke vrienden. Pas toen we elkaar wat vaker spraken, groeide het idee om samen iets te gaan doen. Pascal werd door Frank Margerin gevraagd een korte volwassenenstrip te maken voor zijn collectie Frank Margerin Présente bij Les Humanoïdes Associés, en Pascal vroeg mij hem te helpen.” „We delen de zelfde culturele achtergrond,” vertelt Mesemberg (Mezzo). „We houden van het zelfde soort verhalen, de zelfde boeken, de zelfde films, van lachen, van seks. Tegelijk hebben we beiden geen rooskleurig beeld van de wereld. Het is lastig om niet pessimistisch te worden als je om je heen kijkt.”
Pirus haast zich te zeggen dat hij ook eigenlijk geen typische stripscenarist is: „In Frankrijk hebben de meeste scenaristen zeven, acht reeksen lopen met verschillende tekenaars. Ik kan dat niet. Ik werk heel lang aan een verhaal, soms wel een paar jaar. Als ik alleen maar scenario’s schreef, kwam ik nooit meer uit mijn schemerige kamer. Het is veel te eenzaam. Ik wil me dan ook met meer bezig houden dan met scenario’s: met illustratiewerk en animatie bijvoorbeeld.”
„Voor mij geldt hetzelfde,” zegt Mezzo. „Ik moet er niet aan denken om alleen met strips bezig te zijn. We zouden er trouwens ook niet van kunnen leven. (lacht) En om nou met allemaal andere scenaristen strips te gaan maken, dat zie ik ook niet zitten. Tussen ons klikt het. Muzikanten gaan ook in een bandje zitten omdat ze samen iets maken wat ze allemaal de moeite waard vinden. Je gaat niet met allerlei verschillende bandjes meespelen, tenzij je een gewone sessiemuzikant bent die het niet zo veel uitmaakt.”
Mezzo was nog niet bezig met strips voordat hij Pirus ontmoette. Hij verdiende zijn brood als illustrator, iets wat hij nog steeds doet. Pirus – de scenarist van het duo – tekende zelf ook. Zo tekende hij op het moment van hun kennismaking op scenario van Jean-Pierre Dionnet het album Rose profond en later zou hij voor uitgeverij Delcourt nog de kinderstrip Plip la planète rectangle maken. De verhalen die ze samen maakten voor Frank Margerin zijn later gebundeld in het niet vertaalde Un monde étrange. Hun eerste grotere, gezamenlijke project Hold-up verscheen in 1991, aanvankelijk nog in twee losse delen onder de naam : Les désarmés. Het is het verhaal van twee broers die samen met hun moeder de plannen van een gangsterbende om een plaatselijke bank te overvallen dwarsbomen met de bedoeling er zelf met de buit tussenuit te knijpen. Het verhaal wordt bevolkt door sukkelaars die dromen van een beter leven, maar dat nooit zullen leiden.
Hold-up doet erg denken aan films als Resevoir dogs en andere films uit het nouvelle violence-genre, waarin nietsontziende  moordenaars niet worden geportretteerd als schurken maar als aandoenlijke sukkelaars met hun alledaagse, soms komische sores. Hetzelfde geldt voor hun latere boeken Twee killers en Mickey Mickey, die al een paar jaar geleden door uitgeverij Sherpa werden vertaald.

Was de nouvelle violence een inspiratiebron voor jullie?
Mezzo: „Wij hadden nog nooit van Quentin Tarantino gehoord toen we aan de strip begonnen. Het eerste deel stamt uit 1991, Resevoir dogs kwam pas een jaar later uit. Maar ik denk wel dat we de zelfde inspiratiebronnen delen met Tarantino. Veel Amerikaanse film-noir uit de jaren ’50, hardboiled detectives en pulpverhalen. Geweld tonen in al zijn rauwheid was in die dagen nog niet zo normaal. Tardi deed het al wel, maar verder was Hold-up misschien wel wat te vroeg voor zijn tijd.”
Pirus: „Ik kijk minder en minder films. Ik ben wel beïnvloed door de grote cinematografische klassiekers, maar tegenwoordig kijk ik vaker naar tv-series als Mad Men of Six Feet Under. Ik ben altijd meer geïnteresseerd in het verhaal dan in de manier waarop een regisseur iets in beeld brengt.”

Waardoor bent u grafisch beïnvloed?
Mezzo: „Ik ben altijd een cinefiel geweest. De clair-obscur uit oude zwart-wit films heeft me zeker beïnvloed. Ik heb altijd jaloers gekeken naar Amerikaanse illustratoren en stripmakers als Daniel Clowes, Charles Burns en Chris Ware. Maar ook Amerikanen van langer geleden, zoals Dick Tracey-tekenaar Chester Gould. En Europese kunstenaars, zoals de Nederlandse illustratrice Femke Hiemstra. De manier waarop zij gebruiksvoorwerpen tot leven wekt, is erg goed.”

Jullie albums ogen heel Amerikaans.
Pirus: „Ha, en dat terwijl De vliegenkoning zich toch echt in Europa afspeelt!”
Mezzo: „Ik houd ook meer van de Amerikaanse school dan van de Franse en de Belgische. Als kind las ik eerder Amerikaanse strips dan bijvoorbeeld Kuifje of Asterix. Robert Crumb had grote invloed op mij. Amerikaanse strips zijn altijd wat somberder, wat rauwer. De zwart-wit overgangen zijn harder. Ik ben niettemin dol op het grafische werk van Yves Chaland, Joost Swarte of Hergé, maar de sfeer in Europese strips is gewoon anders.”
Pirus: „Raar eigenlijk, want de clair-obscur (een techniek in de schilderkunst of fotografie waarbij de licht-donkercontrasten sterker worden uitgebeeld dan ze in werkelijkheid zijn, red.) is toch echt in Europa ontstaan. Rembrandt was er een meester in. De scheiding tussen de Amerikaanse school en de Europese is niet makkelijk te definiëren. Chris Ware is eigenlijk een heel Europese tekenaar met zijn klare-lijnstijl. Maar toch voel je het verschil wel als je de strips naast elkaar legt. Europese strips zijn vaak lichter van toon; tekenaars gebruiken vaker ronde neuzen. Ik kan me er niet mee amuseren. Het merendeel van de strips die in Frankrijk worden gemaakt, zijn humor- of kinderstrips.”
Mezzo: „De best verkochte strips zijn nog steeds Asterix en Guust Flater.”

Maar het voordeel van Frankrijk is dat ook makers van afwijkende strips, zoals jullie, er hun albums kunnen maken.
Pirus: „Dat is waar. De Franstalige markt is groot. Maar wij verkopen relatief weinig albums, een paar duizend. De Vliegenkoning heeft redelijk verkocht, omdat het genomineerd was voor de albumprijs op het festival van Angoulême. Als je wint, zet je minimaal 15.000 albums af.”
Mezzo: „Het rare is dat Amerikaanse auteurs bij ons meer albums verkopen dan in de Verenigde Staten zelf. Jaarlijks komen er zo’n 4000 titels uit in Frankrijk. Tegelijk is dat ook een extra drempel voor stripmakers. Er komt zoveel uit, dat winkels er nauwelijks plaats voor hebben. Uitgevers zijn daarom vooral geïnteresseerd in doorsnee keurenalbums van 44 pagina’s, die bewezen hebben makkelijk te kunnen worden afgezet. Alles wat afwijkt, heeft het ook in Frankrijk moeilijk. Er zijn er van die 4000 titels maar heel weinig met literaire pretenties.”
Pirus: „Vergeleken met Nederlandse auteurs hebben wij het makkelijker, omdat er meer potentiële kopers zijn voor je werk. Maar vergis je niet. Er is nauwelijks aandacht voor in de reguliere media, in tegenstelling tot bijvoorbeeld nieuwe films die uitkomen. Geen enkele krant heeft een vaste striprubriek. Als cultuuruiting is strip ook in Frankrijk minder groot dan jullie vaak denken.”

Kunnen jullie leven van jullie strips?
Pirus: „Ik verdien mijn geld met vertalingen en ik werk mee aan filmscenario’s. Maar als artiest ben je altijd op zoek naar baantjes om te kunnen doen wat je het liefst wil. Ik ben erg geïnteresseerd in fotografie en ik vind het leuk om scenario’s te maken voor Pascal. Maar ik wil geen fulltime stripmaker zijn die altijd hetzelfde doet. Ik wil ook niet altijd moeten werken. Geld interesseert me niet zo, zolang ik er maar genoeg van heb om te kunnen doen wat ik wil.”
Mezzo: „Zo zit ik ook in elkaar. Ik maak veel illustraties, onder andere voor Libération. Als ik van mijn strips moest leven, zou ik iets aan mijn werkwijze moeten doen. Nu doe ik vijf, zes dagen over een pagina. Andere striptekenaars maken soms wel een pagina per dag. Ik heb een kind te onderhouden. Voor het geld maak ik af en toe een tekening. Het is goed zo. Ik kan leven met weinig.”

Soms lijkt het wel of de esthetiek van de tekeningen voor jullie belangrijker is dan het verhaal.
Mezzo: „Ik besteed veel aandacht aan mijn werk, ja. Maar de grafiek hoort wel altijd het verhaal te ondersteunen. Ik denk heel goed na hoe ik Michels verhalen het best in beeld kan brengen. Zijn scenario’s vragen om een realistische tekenstijl. Ik wil wel dat elk plaatje er mooi uitziet. De typografie van de onomatopeeën moet een geheel vormen met de tekening, bijvoorbeeld. Voor De vliegenkoning heb ik er meer dan bijvoorbeeld voor Hold-up voor gekozen om theater op papier te tekenen. Alles is van verdere afstand getekend om de juiste sfeer op te roepen van Michels verhaal. De personages bewegen ook houteriger, als marionetten. Het doet bewust unheimisch aan.”

Hoeveel delen komen er nog van De vliegenkoning?
Pirus: „Het tweede deel is nu afgrond. Dat zal waarschijnlijk nog dit jaar in het Frans verschijnen. Pascal is inmiddels bezig met het derde deel. Daarna is het afgelopen. Ik houd het einde van het verhaal wel open, zodat er misschien ooit nog een vierde deel kan verschijnen, maar dat is niet wat ik nu in mijn hoofd heb. Op dit moment is het goed zo.”

Vanwaar die voorliefde voor zwaarmoedige verhalen met alleen maar verknipte personages?
Mezzo: „We worden nog al snel nihilistisch genoemd, maar dat is echt te makkelijk. We zijn echt geen depressieve mannen of zo. We kunnen heus wel genieten van het leven. Ik heb geen vrolijk beeld van de wereld om me heen en waar het allemaal naartoe gaat, maar dat is eerder realistisch dan nihilistisch.”
Pirus: „Je moet onze albums ook niet te veel vereenzelvigen met onze psychische gesteldheid. Verhalen over slechteriken zijn gewoon interessanter om te maken en om te lezen. Hoeveel goede literatuur ken je over liefde of over vrolijkheid? Je kunt natuurlijk wel leuke strips maken vol grapjes en waar je als lezer een goed gevoel aan overhoudt, dat is wat anders en daar is ook niets mis mee. Maar dat is niet wat wij nastreven. Wij willen dat de lezer het verhaal nog lang met zich meedraagt. Daarvoor moet je de lezer schokken, moet je zware woorden gebruiken. In De vliegenkoning komt ook liefde voor en humor, we zijn er ook niet vies van. Maar een goed boek biedt meer: teleurstelling, angst, woede. Ik ben dol op de boeken van Louis-Ferdinand Céline bijvoorbeeld. Al besef ik me nu ineens dat hij wel een enorme nihilist was…”
Mezzo: „We proberen ook afstandelijkheid te creëren in onze strips. In De vliegenkoning werk ik bewust weinig met close-ups. Je kijkt als het ware naar het wrede tafereel dat zich voor je afspeelt. Door de blikken van de personages die je vaak aanstaren, betrek je de lezer er toch bij. Je maakt hem als het ware een voyeur van dingen die hij eigenlijk niet wil zien en zo creëer je een ongemakkelijk gevoel bij het lezen.”
Pirus: „Als de lezer zich onprettig voelt bij onze strips, dan zijn we geslaagd.”

Waarom hebben jullie Hold-up deels opnieuw gemaakt voor de heruitgave?
Pirus: „Door het succes van De vliegenkoning wilde onze Franse uitgever ons debuut opnieuw uitgeven, maar dan als één bundel. Inmiddels zijn we als stripmaker een stuk verder in onze ontwikkeling en wilden we Hold-up wat oppoetsen. Ik heb wat veranderingen aangebracht in de dialogen, Pascal heeft de nodige scènes hertekend, vooral gezichtsuitdrukkingen. Maar het belangrijkste verschil is de inkleuring die we hebben ‘opgefrist’. Daardoor krijgt het geheel een dreigender sfeer.”

U tekent zelf ook, zou u uw scenario’s niet zelf willen uitwerken?
Pirus: „Oh nee, dat lijkt me niks. Ik houd er niet van om alleen aan een project te werken. In het verleden heb ik kleinere dingen wel zelf gedaan, maar tekenen heb ik nooit echt leuk gevonden. Ik ben te lang bezig met het uitwerken van een idee dat in mijn hoofd zit. Fotografie vind ik veel fascinerender. Wat je in je hoofd hebt, kun je meteen vastleggen. En het resultaat kan je nog verrassen ook. Dat heeft voor mij iets magisch. Bij tekenen heb ik dat niet. Het resultaat verrast niet, omdat je bewuster aan het uitwerken bent wat je van tevoren al in je hoofd had. Ik vind het lastig uit te leggen.”
Mezzo: „Ik snap hem wel, maar gelukkig heb ik dat gevoel wel bij tekenen. Ik vind het heerlijk om een idee in beelden om te zetten. Iets te zien ontstaan onder je handen. Zeker als het om het idee van een ander gaat. Ik zou niet de energie hebben om een album als De vliegenkoning helemaal in mijn eentje te moeten maken.”
Pirus: „Het is net als met dat bandje waar we het eerder over hadden. Waarom gaat een muzikant in een bandje zitten? Omdat ze het niet alleen willen en niet alleen kunnen.”
Mezzo: „Ik zou het ook niet met een andere scenarist kunnen. Michels complexe verhalen geven me enorm veel energie bij het uitwerken ervan en het construeren van een volgorde in de beelden van alles wat hij wil overbrengen. Van heel veel andere verhalen zou ik, vrees ik, doodmoe worden om ze in beeld te moeten brengen.”

 
 

meer in ZozoLala 173