| |
Marvano: Nooit verlegen om een mening
Tien jaar oud was Mark van Oppen (1953), beter bekend als Marvano, toen in zijn geboorteplaats Zolder een racecircuit werd geopend. „De groten van die tijd kwamen bij wijze van spreken in onze achtertuin racen.” Het zou lang duren alvorens Marvano iets met zijn oude fascinatie deed. Eind jaren ’80 maakte hij op scenario van Joe Haldeman het SF-epos De eeuwige oorlog, een verhaal dat filmregisseur Ridley Scott momenteel inblikt en in 2013 in de bioscoop te zien zal zijn. Daarna volgde onder andere het bekroonde, historische drieluik Berlijn. Maar in juni dit jaar verscheen dan toch het eerste deel van zijn jongste trilogie: Grand Prix, over de Mercedes-stal uit de jaren ‘30, die grote successen boekte onder de vlag van het Derde Rijk.
Al laten Marvano’s verhalen zich probleemloos als ontspannende en meeslepende fictie lezen, je krijgt gelijk een eigenzinnige kijk op de wereld mee. Hij steekt zijn mening duidelijk niet onder stoelen of banken. Van de link tussen ideologie en autosport, en van ‘useful idiots’ tot de stripsubsidies in Vlaanderen: Marvano spreekt.
door Roel Daenen
Als ondertitel van Renaissance, het eerste deel van de trilogie Grand Prix, lezen we: Een waar verhaal dat nooit gebeurd is. Leg dat eens uit.
„Grand Prix is een fictief verhaal dat zich afspeelt in een historische context. Ook al zijn de bronnen uit die tijd niet altijd betrouwbaar en zijn ze geregeld met elkaar in tegenspraak (zo is er bijvoorbeeld veel herschreven na 1945), toch beschrijft Grand Prix vrij accuraat een tijd en een wereld die al te snel uit het collectieve geheugen zijn gewist.
Ook het fictieve gedeelte heb ik deels gebaseerd op historische bronnen. Bepaalde onderdelen – ik laat het voorlopig aan de lezer over om, als hij of zij dat wil, zelf uit te keveren wat historisch is en wat niet – hadden elk afzonderlijk kúnnen gebeuren, ook al kun je aanvoeren dat het weinig waarschijnlijk zou zijn geweest, maar goed. Ik heb een verband gelegd tussen losstaande feiten, heb dingen laten gebeuren die historisch net niet gebeurd zijn en heb er een verhaal rond gebouwd.
Ik had ook al snel door dat ik tenminste één geheel fictief personage nodig had. Je kunt een beetje spelen met historische personages, maar niet te veel. Ik kan een historisch personage niet iets laten doen wat hij of zij in werkelijkheid in de verste verte nooit gedaan heeft. Zo is het personage van Leslie Toliver ontstaan, de Brit die voor Mercedes gaat rijden. Maar zelfs Leslie is niet helemaal uit de lucht gegrepen. Hij is, heel losjes, gebaseerd op de Britse coureur Dick Seaman. Laat ik het zo zeggen: de ingrediënten van Grand Prix zijn historisch, het gerecht is fictief.”
Wat was de aanleiding om deze trilogie te maken?
„Ik wou al een tijd iets maken over de jaren ‘30. Mensen hebben de neiging te doen alsof iedereen toen al wist, dat er in 1939 een oorlog zou uitbreken die de wereld op de rand van de afgrond bracht en die in 1945 eindigde met de zege van de geallieerden. Verrassing: dat is niet zo. In de jaren ’30 hadden de mensen geen weet van wat er te gebeuren stond. Hitler was een populair politicus en niet enkel in Duitsland; de Hitlergroet en het hakenkruis hadden nog niet de connotaties die ze nu hebben; Oświęcim was een rustig Pools garnizoensstadje dat pas later macabere bekendheid zou verwerven onder de Duitse naam Auschwitz. Net zo min als wij dat nu weten, wisten de mensen van de jaren ’30 evenmin wat de toekomst in petto had. Ze werden geconfronteerd met een nieuwe werkelijkheid en moesten daar maar het beste van zien te maken.
Een verhaal dat speelt in het interbellum dus, maar wel met een originele invalshoek. Ik wou niet werken met de gebruikelijke hoofdpersonen, zoals een journalist die dan, in soortgelijke verhalen, meestal over profetische gaven lijkt te beschikken of een vakbondsmilitant. Ik wou iets frissers, iets ongewoners. Bij toeval vond ik in een tweedehands boekwinkeltje de biografie van Rudolf Caracciola, de meest succesrijke autocoureur van de jaren ’20 en ’30. Caracciola was, anders dan zijn naam doet vermoeden, een Duitser.”
Vanwaar die interesse voor de racesport?
„Ik ben geboren en opgegroeid in Zolder. Ik was tien jaar oud toen het racecircuit daar officieel werd geopend. De groten van die tijd – Jim Clark, Graham Hill, John Surtees, Chris Amon, Pedro Rodriguez, Jacky Ickx – kwamen bij wijze van spreken in onze achtertuin racen. De autoracerij was me dus wel bekend, maar toen ik las over de racerij in de jaren ’30 viel mijn mond open. Ik kende vagelijk de geschiedenis van de Zilveren Pijlen, de teams van Mercedes en Auto Union die door het naziregime werden gesponsord, maar eens te meer bleek de werkelijkheid de verbeelding te overtreffen.
De racerij van toen grensde aan de waanzin, tenminste naar de normen van nu. Toen zagen de coureurs de risico’s gewoon als onderdeel van hun job. De racewagens flirtten in het begin van de jaren ’30 met de 300 kilometer per uur en tegen het eind van het decennium met de 400 kilometer per uur. Er werd geracet zonder veiligheidsgordels of helmen en op bandjes die dunner waren dan wat er tegenwoordig onder een gewone personenauto zit. Er werd geracet in alle weersomstandigheden, op circuits met bomen langs de kant, telefoonpalen, grachten, huizen en toeschouwers. Kortom, ik had mijn invalshoek gevonden.
Op een gegeven moment begint zo’n idee, zo’n verhaal, zijn eigen leven te leiden. Zoals Ken Broeders het uitdrukt: het lijkt dan alsof het verhaal jou begint te vinden, in plaats van dat jij ernaar op zoek moet. Dat klopt, al is het werk daarmee natuurlijk niet afgelopen. Meestal komen er nog de nodige slapeloze nachten bij kijken. Het begin van een verhaal verzinnen is niet zo moeilijk. De kunst is er een goed einde aan te breien. Maar Grand Prix stond op de rails.”
|
|