Grijs realisme: over de ernst van strips

In zijn essaybundel Regen geen bezwaar uit 2008 schreef Joost Pollmann over wat hij ook wel omschreef als ‘grijs realisme’ in de strip. Wat hij daar precies mee bedoelde, legt hij uit aan de hand van het deze zomer verschenen Terug naar Johan van Michiel van de Pol.

door Joost Pollmann

Grijs realisme, daar houd ik van. In de kunst. Ik heb mezelf lange tijd positief mediterraan getraumatiseerd genoemd vanwege mijn eeuwige hunkering naar de rotsen, pijnbomen, tempels en diepblauwe zeeën van zuidelijk Europa. Ik kan dus mee treuren met het gedicht November van J.C. Bloem, waarin hij het heeft over de eeuwige regen en het ‘ongekleurde namiddaglicht’ in ‘de troosteloze straten’. Prachtig dat hij de weerzin jegens ons kikkerklimaat weet te verheffen tot dit klassieke gedicht met zijn ongekleurde licht.
Regen is welkom, niet in de alledaagse werkelijkheid, wel in strips. In Flood van Eric Drooker, in Ansichten der Speicherstadt van Martin Tom Dieck, in Dwaallicht van Dick Matena, of in De onschuldigen van Gipi. Vier tekenaars uit vier landen die ‘slecht weer’ gebruiken om hun boek een meerwaarde te geven. Waarom bevindt Hollywood zich in Californië? Omdat het daar altijd zonnig is. Waarom is dat gunstig? Omdat Hollywood escapisme verkoopt en geen bewolking kan gebruiken, want wolken zijn metaforen voor: tegenslag. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, maar Singing in the rain is een optimistische, romantische film en de zure regen van Bladerunner valt in een verre, verre toekomst.
De meerwaarde van het slechte weer in bovengenoemde stripboeken zit ‘m juist in het niet kunnen wegvluchten naar zonnige oorden en starry nights. De lezer zit gevangen en kan zich niet onttrekken aan het (door de stripmaker bedachte) noodlot.

Reiniging
Eén van de criteria die je zou kunnen gebruiken om onderscheid te maken tussen ‘strip’ en ‘grafische roman’ is dat de laatste meer wil bieden dan verstrooiing, om een ouderwets woord te gebruiken. Want wie verstrooid is, is er met zijn hoofd niet bij. Auteurs van grafische romans willen dat je er met je hoofd wel bij bent! In De onschuldigen van Gipi (pseudoniem van Gian Alfonso Pacinnotti) volgen we een groepje voormalig jeugddelinquenten die naar de Italiaanse kust gaan om met zichzelf in het reine te komen. We krijgen geen palmen, vrolijke ijsventers en strandstoelen te zien, want het is winter en de zee is koud, de wolken zijn grauw, de boulevards verlaten en natgeregend. Het weer is hier veel meer dan decor of weerspiegeling van een stemming en symboliseert de onmogelijkheid om nog langer ontwijkgedrag te vertonen. De personages moeten de deprimerende feiten onder ogen zien: zij hebben hun jonge levens verwoest. In de Griekse tragedie heet dat het moment van katharsis: de morele reiniging die niet alleen de hoofdrolspelers ondergaan maar ook de toeschouwers die hebben meegeleefd en meegeleden.

In de klassieke strip veert de held altijd weer op, hoeveel klappen hij ook moet incasseren. Gooi hem van een flatgebouw naar beneden en hij landt ongedeerd op het trottoir, afgezien van wat schrammen waarop tijdens de daling al pleisters zijn geplakt. Popeye is onverwoestbaar, zolang er spinazie voorhanden is. Icarus daarentegen valt te pletter op zee, nadat de was van zijn vleugels is gesmolten: zo komt de hoogmoed van zijn vader Daedalus voor de val. Je zou de klassieke strip Popeyaans kunnen noemen, en de grafische roman Icarisch. Het verschil tussen die twee wordt heel mooi beschreven in Terug naar Johan van Michiel van de Pol, volgens de flaptekst ‘zijn eerste graphic novel’.

(lees verder in de papieren ZozoLala)

 
 

meer in ZozoLala 175