Charles Burns slaat nieuw pad in: Burroughs meets Hergé

De Amerikaanse stripauteur Charles Burns wist zijn cultstatus te ontstijgen en aansluiting te vinden bij een breder publiek met het grimmige Black Hole, dat in 2009 bij Oog & Blik verscheen als Zwart gat. Deze turf in zwart-wit, gesitueerd in het Seattle van de jaren ‘70, verkent thema’s als seks, drugs en vervreemding. Rode draad in dat verhaal is een mysterieuze seksuele aandoening die enkel tieners treft. En nu is er X'ed Out, vertaald als X, het eerste deel van een trilogie. Burns heeft het roer radicaal omgegooid: X verscheen in kleur, niet op comic- maar op groot formaat en bevat 56 pagina's. Op de voorkant prijkt een afbeelding die refereert aan het omslag van De geheimzinnige ster, gemaakt door Hergé, de meester van de klare lijn. Alles ademt de sfeer uit van een Europees album. Burns was onlangs in de Lage Landen en ZozoLala strikte hem voor een gesprek.

door Bart Croonenborghs

Anders dan bij Zwart Gat krijgt de lezer in X veel van jouw leven te zien. Waarom?
„Ik merk dat ik zachtjes aan meer en meer van mezelf in mijn verhalen probeer te leggen. Dat is deels een poging om oprecht te zijn, en deels omdat ik denk dat persoonlijke elementen interessante verhalen opleveren. Zwart Gat was het eerste verhaal waarin ik probeerde me meer op de persoonlijkheid van de karakters toe te spitsen. Ze weerspiegelen mijn persoonlijkheid en die van veel van mijn vrienden. Zwart gat laat veel zien van de omgeving en de sociale context waarin ik ben opgegroeid.”

Net als in Zwart gat zijn in X de hoofdrolspelers adolescenten. Wat is jouw fascinatie voor jeugdcultuur?
„In het oorspronkelijke verhaal wilde ik een onderdeel van mijn eigen jeugd onderzoeken. Met name dat wat ik eind jaren ‘70 heb meegemaakt, toen ik in San Francisco woonde. Het was voor mij een intense, diepzinnige periode waarin erg veel informatie, nieuwe ideeën en sensaties mijn kant uitkwamen. Zoals punk, wat volledig nieuw was en zich sterk afzette tegen de bestaande, burgerlijke, commercieel georiënteerde jeugdcultuur. Ik was helemaal into punk. Naarmate ik langer aan het verhaal werkte, besefte ik dat er ook aspecten in opdoken die mij op dit moment bezighouden. Zoals familie en sterfelijkheid en dergelijke. Belangrijke elementen in dit verhaal zijn bijvoorbeeld de verhouding tussen de hoofdrolspeler en zijn vader, de zoektocht naar de eigen identiteit en het omgaan met ouder worden…”

Is Doug, die op een frisse manier in de wereld staat, het sleutelfiguur van X?
„Doug is een tamelijk naïef personage zonder veel ervaring. Zijn leven vertoont overeenkomsten met dat van mij toen ik jong was. Hij zit bijvoorbeeld op de kunstacademie, net als ik in die tijd. Maar er zijn ook elementen die mijn persoonlijke worstelingen vertolken. De eerste keer dat hij opduikt in X heeft hij zichzelf teruggetrokken in een isolement. Hij neemt drugs en plaatst zichzelf in een soort van cocon. Waarom hij dat doet, komen we nog niet te weten. Dat is één van de mysteries in het eerste deel. Maar het staat in zekere zin symbool voor mijn eigen leven. Ik leef ook op een erg geïsoleerde manier.”

Doug wil erg graag deel uitmaken van de punkscène.
„Dat X aftrapt bij de begindagen van de punk, is geen toeval. In mijn herinnering kwam de punk van de grond in 1977. In dat jaar heb ik de muziek van bands als The Ramones en de Sex Pistols leren kennen. Ik ging in San Francisco wonen en er hing iets in de lucht. Een ruw idee van wat ‘punk’ allemaal was. Heel veel nieuwe ideeën werden omschreven als punk. Het was een tijd waarin er geen grenzen aan de creativiteit leken te bestaan. Met nieuwe tijdschriften en muziek en het idee dat je zelf vorm kon geven aan deze subcultuur. Een heleboel nieuwe bands kwamen zó van de kunstacademies. Dat waren de art kids die altijd met nieuwe dingen bezig waren en nu eindelijk hun kans schoon zagen om hun stem te laten horen. Ze maakten hun eigen muziek en hadden er geen probleem mee om hun rug naar de bestaande cultuur te keren. Iedereen kan wel drie akkoorden op een gitaar spelen. Maar toen men dat ook daadwerkelijk deed, was dat een gebeurtenis van formaat! En op televisie had je van die slechte, opkomende acteurs die dingen uitkraamden als ‘Heeeeeyyy maaaaan!’ en ‘We’re into paaaaaain and we hate everybody!’ Mijn ouders vonden het maar niets, zelfs bijna crimineel. Al die vreemde jongelui!
Ik denk dat die creatieve golf van de punk zo’n drie à vier jaar bestaan heeft. Misschien was punk uiteindelijk wel gewoon een modeterm, maar toen er nog geen hapklare definitie voor bestond, was het voor mij in ieder geval erg interessant. De overtuiging dat iedereen gewoon zijn eigen ding kon doen, was voor mij hét grote idee uit deze periode.”

Je bent een grote fan van de schrijver William S. Burroughs, wiens cut up-techniek, waarbij de tekst wordt verknipt en op louter toevallige wijze wordt herschikt, weerspiegeld wordt in de surrealistische sprongen in je verhaallijnen. In hoeverre ben je beïnvloed door de beatnik-generatie?
„Ik vond Burroughs de meest getalenteerde en interessantste. Ik ben ook wel geïnteresseerd in Allen Ginsberg, Jack Kerouac en andere schrijvers uit die periode, maar het is de intensiteit van Burroughs’ werk die bij mij is blijven hangen. Hij paste ideeën uit de beeldende kunsten toe op zijn teksten. Zoals de cut up, die erg verwant is met de collage. Dat vond ik erg aantrekkelijk. Ik hou niet van alles dat hij heeft geschreven, maar conceptueel is hij erg sterk. De kern van zijn werk zit vermoedelijk in veel van zijn vroege werk, als Naked Lunch.
Er zitten in X expliciete verwijzingen naar Burroughs, zoals wanneer Doug zijn performance opvoert en zegt: ‘My name is Nitnit also known as Johnny 23’. Johnny 23 is de titel van een verhaal van Burroughs. Het was ook de naam van mijn punkband. We waren niet bepaald goed, we moesten werkelijk àlles lenen. Gitaren, tapes, noem maar op.”

Dat experimenteren en zoeken naar wat je past, dat maakt toch deel uit van ‘jong zijn’, niet?
„Ik kom uit een middenklassengezin en ik had eerlijk gezegd niet de luxe om te experimenteren. Ik had wel de tijd om naar de kunstacademiete gaan en daar zaken uit te proberen. Dat doe ik overigens nog steeds. In X vind je heel wat verwijzingen naar fotografen en andere kunstenaars die ik de moeite waard vind. Ik heb me aan beeldhouwen gewaagd, schilderen, performances… Het is een goede zaak dat de opnames van mijn performances verloren zijn geraakt. Een vriend zei me ooit: ‘Hang een cassettedeck om je nek en stap het podium op. Neem maar iets op, en als je de band voorstelt, moet je de microfoon wegleggen.’ Dat soort dingen dus. Een scène die overigens ook een plekje heeft gekregen in het boek.”

Punk en Burroughs zijn beide explosies van ongebreidelde creativiteit. In X verpak je deze invloeden in de ingetogen stijl van Hergés klare lijn. Vanwaar die combinatie?
„Ik las als kind heel graag Kuifje en allerlei andere strips in die stijl. Het idee om die totaal verschillende werelden met elkaar te combineren, beviel me. Net zoals Burroughs dat doet in Cities of the Red Night. Daarin heb je twee verschillende verhalen in twee verschillende genres, die voortdurend door elkaar lopen. Verderop in X komen er ook andere invloeden bij, zoals de Amerikaanse romantische strip. Die zijn een echo van mijn tijd in San Francisco, toen ik stapels romantische strips kocht voor mijn vriendin. Uit de jaren ‘60 komt dan weer de kledingstijl, met die dunne dasjes en zo.”

Wat trekt je zo aan in Hergés klare lijn?
„Dat is een moeilijke vraag. Die heb ik heb mezelf ook vaak gesteld. Het is allicht het resultaat van alles wat ik gelezen heb. Zo had ik een reeks boeken die ik al ‘las’ voor ik zelfs maar kon lezen. Wanneer je een bepaalde leeftijd hebt, is je brein zeer ontvankelijk voor zekere beelden en ideeën. Die nestelen zich in je onderbewustzijn en je denken. En die willen je wel eens naar onbekend terrein te duwen, zoals het maken van een boek in kleur… Een van de meest opwindende elementen van X was voor mij het gebruik van kleur en de sleutelrol die het speelt in het verhaal. Het werken met kleur was echt een leerproces. De affiches in het boek waren aanvankelijk foto’s die ik op de computer had bewerkt. Ze hadden een bevreemdend effect, dat de lezer uit de betovering van het boek haalde. Dat deed me besluiten om toch maar alles te tekenen.”

Ben je ook zo’n perfectionist als Hergé?
„Ik ken mijn beperkingen. Ik heb bijvoorbeeld geen studio die wagens voor me kan tekenen. In Zwart Gat zul je misschien vier auto’s vinden. Ik ben echt niet goed in het tekenen van technische zaken. Het kost me de grootste moeite het juiste perspectief te vinden. Ik weet hoe het moet, maar... Maar net als Hergé neem ik wel mijn tijd. Ik wil er zeker van zijn dat de tekeningen en pagina's in balans zijn en dat het verhaal vloeit zoals ik het wil. De constructie van het verhaal is het belangrijkste werk. De deeltjes moeten in elkaar passen. Tekenen en schilderen, dat zijn vaardigheden. Maar het is in het uitwerken van het verhaal waar mijn echte strijd zich afspeelt. Zonder een goed geconstrueerd verhaal heb je alleen maar een reeks illustraties.”

Miste je in X niet je vertrouwde schaduwen en zwartpartijen?
„Er zijn een aantal dingen die ik heb uitgeprobeerd toen ik aan het verhaal begon. Probeersels die me steevast terugbrachten naar mijn comfortzone. Voor X hield ik me heel strikt aan de opdeling in vakjes, waar de pagina's in Zwart Gat veel luchtiger en open waren. De tekenstijl die ik in X hanteer, is ook iets eenvoudiger. Daarbij zijn een aantal technieken gesneuveld die ik in het verleden vaak gebruikte, zoals het gebruik van veel zwart en beelden die daaruit naar voren komen. Bij kleuren werkt dat dus niet. Dat maakte van X ook een oefening in beheersing en dat was af en toe wel frustrerend. Maar uiteindelijk heb ik het verhaal wel kunnen vertellen op de manier die mij voor ogen stond. En dat is het belangrijkste: de storytelling.”

Hoe lang ga je hier nog mee door?
„X wordt een reeks van drie boeken waarin het verhaal per deel wordt opgebouwd. Sommige mensen waren gefrustreerd over de cliffhanger waarmee het eerste deel eindigt, maar dat heb ik heel bewust gedaan. Ik laat graag een aantal zaken open. Vragen interesseren mij meer dan antwoorden. Ik hoef ze niet zo nodig allemaal te beantwoorden. Ik houd van verhalen zonder een al te duidelijk plot. Verhalen die je eigen fantasie stimuleren en het verhaal doen groeien. Tal van mensen zeiden me dat ze het boek verschillende keren hadden gelezen en er elke keer andere dingen in hadden ontdekt. Dat vind ik erg leuk: als mensen mij verrassen met hun theorieën over mijn verhaal. Dat betekent dat ze zich echt in het verhaal hebben ingeleefd.”

Met dank aan de gulle medewerking aan Roel Daenen

 

 
 

meer in ZozoLala 176