De grootste stripmaker aller tijden:
‘Het is niet moeilijk om totaal over de top te gaan’

Simon Spruyt, een van de meest opvallende voormannen van de Vlaamse strip, is een goudhaantje. Hij liet al van zich horen met de uitstekende reeksen De Bamburgers en De Furox. Prijzen en erkenning waren zijn deel. Maar met zijn jongste, SGF, overtreft de Vlaamse dertiger zichzelf. SGF levert een grotesk commentaar op het stripbedrijf, waarin Spruyts (strip)alter ego S.G.F. Spruyt achtereenvolgens als dronkelap, gehaaide zakenman en Mesopotamische groene god de zaken naar zijn hand zet.
SGF is één grote hyperbool. Om de grootste stripmaker aller tijden te worden – want voor minder doet hij het niet – sluit de hoofdpersoon een pact met de duivel. Daar komen legioenen tekenende Chinese slaven, onschuldige weeskindjes, beroemde stripfiguren die gevangen worden gezet, massa’s ‘kutboekjes’ en willoze gelovigen aan te pas. Ook grafisch is dit boek een feest, dat geregeld refereert aan het dolgedraaide, scabreuze universum van de Franse stripmaker Winshluss.

door Roel Daenen

Zowel in je soloproject De Furox als in SGF is alles is compleet over the top. Waar komt die voorliefde vandaan?
„Geen idee. Het is een vorm van humor die mij altijd wel gelegen heeft. Deels als reactie op de overvloed aan kleinburgerlijke anekdotiek en human interest-shit waarmee we overspoeld worden. In de vorm van het groteske is de hyperbool ook een prachtig satirisch wapen. En strips lenen zich er gewoon uitstekend toe: het kost niets extra om totaal over de top te gaan, dus waarom niet? Dan is er nog mijn duistere verleden in de SF en fantasy- en rollenspeltoestanden, dat zal er ook wel iets mee te maken hebben. Misschien zijn mijn strips gewoon een excuus om battle cruisers en zombies te tekenen, en gooi ik er dan wat Shakespeare of Goethe tegenaan om dat te verdoezelen.”

Hoe is SGF ontstaan? Wat stond je voor ogen toen je aan het project begon?
„Mijn allereerste strips en rock-’n-rollverhaaltjes schreef ik eigenlijk al tijdens mijn opleiding aan de Brusselse kunstacademie Sint-Lukas. Oorspronkelijk waren ze min of meer autobiografisch. Het personage is gaandeweg steeds meer een eigen leven beginnen leiden, onder andere in Zone 5300. Hij heeft zich zo ontwikkeld tot de sympathieke filantroop die we nu kennen. Het waren eerst volledig losstaande verhaaltjes, en dus kon de strekking nogal eens verschillen. Soms vrijblijvende onzin, kritische satire, zelfspot en soms zelfs verhulde kunstlerromans… Pas later met de voorpublicatie in de Focus Knack ben ik alles aan elkaar gaan schrijven. Daarom is het ook moeilijk om het boek vast te pinnen op één van de bovengenoemde strekkingen, het zit er allemaal in.”

SGF doet erg denken aan het werk van Winshluss, zoals Pinokkio en Monsieur Ferraille. Dezelfde humor, dezelfde maffe mix van tekenstijlen en verwijzingen naar het Disney-imperium. Zijn Winshluss en diens kompanen een voorbeeld?
„Mijn humor is altijd nogal cynisch en bijtend geweest. Mad met Harvey Kurtzman, Fluide Glacial met Blutch en Larcenet, South Park… al die dingen hebben mij zeker beïnvloed. Maar het tijdschrift Ferraille illustré en het werk van Cizo en Winshluss in het bijzonder waren toch een echte openbaring. Ze brachten op zich niets nieuws, maar tilden de zever wel op een hoger niveau. Hun universum is steeds tot in de puntjes uitgewerkt, en ze onderbouwen hun wereldje verder met geflipte expo’s, documentaires, filmpjes en performances.”

Je bent nu begin dertig. Voor een relatief jonge auteur heb je al veel albums op je naam staan. Hoe snel werk je?
„Veel te traag. Ik heb altijd het gevoel dat ik achter de feiten aanloop. Als ik aan iets begin, ben ik er wild van, maar nog voor ik het voltooid heb, vind ik het vaak al gedateerd. Ideaal zou zijn als ik één pagina per dag kon maken. Bij SGF slaagde ik daar totaal niet in, omdat de tekeningen steeds complexer werden en ik steeds veeleisender werd. Vroeger werkte ik steeds aan een drietal projecten tegelijk. Momenteel probeer ik mij (naast de afwerking van het derde album van De Bamburgers) maar op één lange-termijnproject te concentreren. Voor mijn nieuwe project probeer ik al het overige los te laten om vrijer en sneller te kunnen werken. Ik werk nu aan een coming of age-verhaal van een Pruisische Junker in het eerste decennium van de 20e eeuw, verteld door de hoofdpersoon zelf, zodat tekst en beeld subjectief vervormd zijn.”

 
 

meer in ZozoLala 177