| |
Stripwinkeliers verenigt u!
Het mag allemaal wel wat professioneler, het Nederlandse stripwereldje. De Beroepsvereniging voor Nederlandse Stripmakers (BNS) werkt achter de schermen koortsachtig aan allerlei plannen om het vaderlandse beeldverhaal vooruit te krijgen. „Winkeliers, we willen graag dat jullie meedoen,” zegt Hanco Kolk.
door Hans van Soest
„De afgelopen jaren is de aandacht voor strips in de media enorm toegenomen en zijn er een aantal succesvolle albums uitgekomen. Dat momentum moeten we proberen vast te houden, zodat er straks niet zoiets ontstaat van: strips, dat was zó 2010…” Stripmaker Hanco Kolk is sinds februari samen met collega Maaike Hartjes duo-voorzitter van de Beroepsvereniging voor Nederlandse Stripmakers (BNS).
De vereniging heeft nu zo’n negentig leden en heeft twee doelstellingen. Ten eerste een belangenvereniging zijn voor stripmakers, die bijvoorbeeld door het organiseren van sociale evenementen stripmakers de kans geeft te netwerken buiten hun eenzame werkkamertje. „En ten tweede willen we naar buiten toe de strip een gezicht geven door namens onze leden te overleggen met bijvoorbeeld uitgevers, subsidieverstrekkers en het CPNB (de verenigde algemene boekhandels, red.). Dat is nodig om het wieltje draaiende te houden. Het zou doodzonde zijn als alle positieve aandacht voor strips van de afgelopen jaren weer wegebt.”
Een van de dingen die de BNS onder andere heeft opgezet, is een rondreizende expositie met werk van stripmakers, die rondreist langs bibliotheken en boekhandels. Twee keer per jaar zal die tentoonstelling worden ververst. Eind dit jaar komt er ook weer een gratis stripkrant die wordt verspreid in allerlei openbare ruimten. „Alles om het werk van Nederlandse stripmakers onder de aandacht te brengen van een nieuw publiek, mensen die niet regelmatig in een stripwinkel komen,” zegt Kolk.
Maar er zijn meer ideeën. In het verleden is er wel het nodige geprobeerd vanuit het stripwereldje, zoals een stripboekenweek of een stripboekenweekgeschenk. Al die initiatieven zijn weer een zachte dood gestorven. Kolk: „Telkens loopt het stripwereldje aan tegen het probleem dat stripwinkels niet georganiseerd zijn, er is onvoldoende steun, er is niet één aanspreekpunt. De stripboekenweek werd georganiseerd door één uitgever (Silvester, red.), niet alle winkels deden eraan mee. Er werd geprobeerd het wiel zelf opnieuw uit te vinden. Het waren mooie initiatieven, maar er zijn al professionele organisaties die jarenlange ervaring hebben met promotiecampagnes, zoals het CPNB.”
Als stripwinkeliers zich niet verenigen (in het verleden is er wel een bond van stripverkopers geweest, maar ook die is al weer geruime tijd in ruste), of zich niet aansluiten bij het CPNB, dreigen ze volgens Kolk ‘buiten de pot te piesen’. „Wij willen zo graag de stripspeciaalzaken in Nederland en Vlaanderen betrekken bij onze ideeën en acties! We kunnen veel samen: exposities, signeeracties, andere promotiecampagnes. Maar om mee te kunnen doen aan landelijke acties, moeten ze zich wel verenigen, zodat we afspraken me elkaar kunnen maken.”
Behalve voor promotie van het beeldverhaal, is de beroepsvereniging volgens Maaike Hartjes ook hard nodig voor de stripmakers zelf. „We zijn als tekenaars allemaal freelancer, individualisten,” vertelt ze. „Dat maakt het vak mooi, maar tevens ben je ten opzichte van opdrachtgevers vogelvrij. Redacties en bedrijven bepalen de prijzen. Er zijn zo veel mensen die willen tekenen, dat ze al snel ‘ja’ zeggen tegen een opdracht. Zelfs al is het tegen een belachelijk lage prijs. Eenzame tekenaars hebben weinig kennis en macht. Niemand heeft een businessplan. Daarom moeten we ons organiseren. Als je ergens een gewone baan hebt, zijn er allerlei regels die je beschermen. Wij als stripmakers moeten onze eigen regels maken.”
Hartjes schat dat er zo’n 200 mensen professioneel met tekenen bezig zijn in Nederland. „Al is de grens tussen een professioneel tekenaar en een hobbyist soms lastig te trekken.” Door het lage ledenaantal kan van de contributie geen echte vakbond worden opgebouwd die een tekenaar kan helpen wanneer hij of zij problemen krijgt met een opdrachtgever. Bijvoorbeeld wanneer die niet wil betalen. Daarom wordt samengewerkt met de Beroepsorganisatie Nederlandse ontwerpers (BNO), waar ook al veel illustratoren lid van zijn. Zij hebben wel een juridische afdeling.
„Met de BNS hopen we stripmakers bewust te laten worden dat ze niet zo maar alles moeten slikken,” zegt Hartjes. „Ik werk nu aan een boekje met zakelijk informatie: hoe zit het met tarieven, met copyright en zo. Maar eerlijk gezegd geloof ik niet dat het ons snel gaat lukken minimumtarieven af te spreken. Dat is zó ingewikkeld: voor wie maak je een strip? Hoe lang is die? Is het in kleur? Is het voor een commerciële organisatie of voor een goed doel? En het probleem blijft toch dat veel tekenaars gewoon hun werk ergens gepubliceerd willen zien en al snel ergens genoegen mee nemen. Maar als je alles maar accepteert, kunnen opdrachtgevers je uitknijpen zoveel ze willen. Neem tijdschriftenuitgever Sanoma die al zijn medewerkers nog maar minimale vergoedingen geeft, waarna je ook nog eens bijna alle rechten op je werk kwijt bent.
|
|