De Aziatische invloeden van Malik

Met de uitgave van Johnny Paraguay 3: Het meisje met het witte haar krijgt het Nederlandstalige publiek sinds jaren weer eens nieuw werk onder ogen van William Tai, beter bekend onder zijn tekenaarspseudoniem Malik. Hoewel nieuw: de strip maakte hij al begin jaren ’80, maar is nooit in album verschenen. „Ik was die pagina’s eigenlijk al vergeten,” vertelt hij. „Totdat uitgeverij Arcadia opbelde omdat ze het verhaal alsnog wilde uitbrengen.”

door Hans van Soest

De inmiddels 63-jarige Malik is blij verrast met alle aandacht. „Destijds ben ik aan Johnny Paraguay begonnen, omdat mijn relatie met uitgeverij Dupuis steeds stroever werd. Er kwamen nieuwe beslissingnemers aan het roer te staan en weekblad Robbedoes kreeg een nieuwe hoofdredacteur. En leidinggevenden in het stripwereldje zijn vaak zelf mislukte tekenaars. Mijn serie Archie Cash liep al jaren in het blad en de albums waren commercieel succesvol. Maar ik kreeg veel kritiek en er was gedoe over geld. Daar baalde ik van. Ik ben toen bij de toen net opgerichte uitgeverij Archers begonnen aan een nieuwe actiereeks met een andere hoofdpersoon.”
Waar Archie Cash was gemodelleerd naar filmster Charles Bronson, was Johnny Paraguay dat naar de Franse popzanger Johnny Halliday. „Ondertussen bleef ik wel voor Dupuis werken. Archie Cash is nog een aantal jaar doorgegaan. Meneer Charles Dupuis, nog lang de grote man achter de schermen, was een fan van mijn werk. Hij zei me vaak dat ik een van de weinigen was uit zijn fonds die zowel goed verkocht in Frankrijk als in Nederland. Ik kwam dan ook veel op Nederlandse en Vlaamse stripbeurzen, in tegenstelling tot een hoop collega’s.”
Malik voelde zich sowieso een vreemd eend in de bijt. „Toen ik in 1970 bij Dupuis binnenkwam, was het daar toch een beetje een tekenaarscollectief van mensen die allemaal bij elkaar in de leer waren geweest en samenwerkten. En hoewel ik zeker beïnvloed ben door de grote voormannen van de Franse en Belgische strip, zoals Franquin en Jijé, ben ik nooit iemands assistent geweest. Dat was vrij uniek in die tijd. Ik kwam als volkomen vreemde binnen. Dat heeft wel tot problemen geleid. Ik heb altijd gevoeld dat anderen jaloers waren op mijn vrije positie. Ook de mannen die bij de uitgeverij aan de touwtjes trokken.”
Archers gaf niet alleen Maliks nieuwe strip uit, maar ook de avonturenstrip Chiwana die weliswaar in Robbedoes werd voorgepubliceerd, maar die de uitgeverij niet in album wilde uitbrengen. Uitgeverij Archers ging echter al snel over de kop. Malik werd nog wel betaald voor het derde Johnny Paraguay-verhaal, maar vervolgens verdween het in een la.
„Hoewel ik voor Dupuis ben blijven werken, is onze relatie sindsdien alleen maar verder verslechterd,” zegt Malik met spijt in zijn stem. „Inmiddels heb ik wel eens het gevoel dat we allebei op een andere planeet leven. Ondanks het succes van vroeger, worden de albums van Archie Cash niet meer herdrukt. Hetzelfde geldt voor mijn humoristische reeks Cupido, waarvan elk nieuw album toch weer goed verkoopt.”
Malik voelt zich miskent. Hij werkt nog wel aan een nieuw deel van Cupido (op scenario van Raoul Cauvin) maar die reeks wordt al jaren niet meer in het Nederlands vertaald. Iets wat hem steekt. Het liefst was hij die humoristische albums blijven afwisselen met realistische avonturenstrips. „Ik hield van die afwisseling: dan weer een dramatisch, gedetailleerd album waarin ik me kon uitleven in perspectieven, dan weer een lichter, snel getekende humorstrip. Maar het heeft niet zo mogen zijn. Archie Cash hield eind jaren ’80 op te bestaan. Dupuis wilde niet meer, een hele stapel getekende pagina’s verscheen nooit in album. En na de dood van scenarist Jean-Marie Brouyère, die de reeks heeft bedacht, had ik ook geen zin om nog op zoek te gaan naar een nieuwe partner.” Op de cover van Het meisje met het witte haar brengt hij een eerbetoon aan Brouyère op een verfomfaaide krant in de hoek van de tekening.
Malik maakte eind jaren ‘90 nog wel twee verstrippingen van het werk van de Franse schrijver Bernard Clavel voor uitgeverij LeFrancq (Het seizoen der wolven en Het licht van het meer), maar dat waren zijn laatste realistische albums. Tenminste: vooralsnog. „De Belgische uitgeverij Joker Editions wil een retrospectief over Archie Cash uitbrengen, met informatie en veel illustraties. Voor die uitgave maak ik nu een nieuw verhaal van vijftien pagina’s.”
Zijn stijl onderscheidde zich altijd door de vervormde perspectieven en ‘overacterende’ personages met waanzinnige grimassen en typerende Malik-poses. De plaatjes zijn veelal overbevolkt met bizarre personages. Zijn pulpachtige avonturenverhalen spelen zich vrijwel allemaal af in exotische gebieden.
„Hoewel ik niet kan aanwijzen waar het hem precies in zit, is mijn stijl een mengeling van twee culturen. Ik heb Chinees bloed. Mijn opa was ambassadeur voor Chiang Kai-Shek, de toenmalige Chinese leider. Toen Mao aan de macht kwam, besloot hij zich permanent in Brussel te vestigen. Hij was getrouwd met een Belgische, mijn oma. Zelf heb ik als kind nog een tijd in Indochina (Vietnam, red.) gewoond, toen dat nog een Franse kolonie was. Mijn vader werkte daar als beambte. Hoewel geboren in Parijs, vestigden wij ons na de onafhankelijkheid van Indochina bij oma in Brussel. Die melange van Europa en Azië zie ik zelf in elk geval terug in mijn tekeningen.”

In Memoriam Thierry Martens (1942-2011)
Het eerste album van Johnny Paraguay werd mede geschreven door ene Yves Varende, pseudoniem van Thierry Martens. Martens was begin jaren ’70, toen Malik bij Robbedoes binnenkwam, redacteur voor het blad. Behalve aan Johnny Paraguay schreef hij onder het pseudoniem Terence ook mee aan een andere avonturenreeks van Malik: Blue Bird. Ook schreef hij het scenario van het album Vincent Mores: Achter tralies van de toen nog jonge Frank Pé.

 
 

meer in ZozoLala 179