Carlos Nine: Nooit genoegen nemen met wat je al kunt

Pampa is een van die boeken die in de hausse aan nieuwe uitgaven eind vorig jaar onopgemerkt ten onder dreigde te gaan. Ten onrechte. Het verhaal van scenarist Jorge Zentner is een unieke mengeling van een Argentijnse western, een sprookje en een sage over een vervloekte familie. Ondanks de magisch-realistische elementen schetst Pampa een intrigerend beeld van een ons onbekend stuk van de Zuid-Amerikaanse geschiedenis. Dat alles is met impressionistische penseelstreken op papier gezet door de Argentijnse kunstenaar Carlos Nine (1944). Internationaal gooide hij al hoge ogen; in ons taalgebied is Pampa zijn debuut.

door Hans van Soest

„Pampa is gebaseerd op historische feiten uit de Argentijnse geschiedenis,” vertelt Carlos Nine vanuit zijn woonplaats Buenos Aires. „Het verhaal zelf is uiteraard volledig fictie, maar de achtergrond waartegen het verhaal speelt is realistisch. De Argentijnse geschiedenis lijkt in veel aspecten op die van de Verenigde Staten. Ook onze geschiedenis werd vanaf de achttiende eeuw bepaald door massale immigratie vanuit Europa, strijd om onafhankelijkheid tegen het moederland en uitbreiding van het grondgebied ten koste van de mensen die hier al woonden voor de komst van de Spaanse conquistadores en de kolonisten. In Pampa wordt het leven van de verschillende personages – de Indianen, soldaten en gaucho’s, de Argentijnse variant van de cowboy, symbolisch verbonden met een enorm mes. Zo’n mes, een facón, was een typerend wapen dat mensen in die tijd droegen. Het gaat in het verhaal van hand tot hand. Het mes illustreert het thema van Pampa, dat uiteindelijk niet zozeer de mens de loop de geschiedenis bepaalt als wel de omstandigheden en de krachten van de natuur.”

Hoe is Pampa ontstaan?
„Jorge Zentner wilde een strip maken voor het Europese publiek over de Argentijnse gaucho’s. Iedereen kent de Amerikaanse westerns met cowboys, maar niet de Zuid-Amerikaanse versie van die verhalen. We wilden niet alleen een mooi verhaal vertellen, maar ook informatie bieden. Vandaar het voorwoord waarin we iets uitleggen over wie die gaucho’s waren die in de negentiende eeuw de Argentijnse graslanden, de pampa’s, bevolkten. Bij het voorwoord is een oud groepsportret van enkele gaucho’s afgedrukt. Op twee van die mannen, die met de meest markante koppen, hebben we de hoofdpersonen uit de strip gebaseerd. Zo wilden we aangeven dat onze fabel wortelt in de historische werkelijkheid.”

Waarom fascineert de gaucho jullie zo?
„In feite is de gaucho als menselijke soort opgehouden te bestaan. Het ongerepte landschap van de negentiende eeuw is deels in cultuur gebracht. Je hebt niet meer de vrijheid om uren te rijden zonder dat aan de horizon de skyline van een stad verschijnt. Om de Europese lezers een idee te geven: precies zoals de Amerikaanse cowboy verdwenen is. Ook die refereert aan een oud, romantisch ideaal bij veel mensen. Zowel de cowboy als de gaucho zijn verdwenen door de verstedelijking en de afbakening van land voor akkerbouw. Het vrijheidslievende karakter van de gaucho koesteren we echter allemaal nog steeds ergens diep in ons. Die herinnering aan vervlogen tijden houden we in Argentinië levend, onder andere door ons nationale gedicht dat iedereen op school leert: Martin Fierro van José Hernández. Een gedicht uit het eind van de negentiende eeuw over een gaucho.”

Zentner woont in Spanje. In hoeverre hebt u meegeschreven aan het scenario?
„Maar Jorge komt oorspronkelijk wel uit Argentinië! Hij kent de gaucho-traditie dus maar al te goed. We hebben elkaar wederzijds beïnvloed bij het maken van dit boek. In 2002 hebben we elkaar ontmoet op een stripfestival in het Spaanse La Coruña. Daarvoor hadden we al eens samengewerkt aan een boek, maar die samenwerking ging via telefoon en fax. Tijdens het festival zagen we elkaar voor het eerst. We gingen wandelen langs het strand. We keken uit over de Atlantische Oceaan. Vanaf die plek vertrokken de toenmalige Spaanse emigranten naar wat later Argentinië werd. Zo ontstond het idee: laten we een strip maken over de gaucho’s.”

Uw tekenwerk voor Pampa bevat slechts vage contouren. Vanwaar die keuze om zo impressionistisch te werk te gaan?
„Ik heb het album willen maken zoals ik een rustiek schilderij zou maken. Die keuze heb ik gemaakt, omdat het verhaal zelf hard en gewelddadig is. Als ik dat zo realistisch mogelijk in beeld zou brengen, zou het te schokkend zijn en afleiden van wat we met Pampa wilden vertellen. Om de zelfde reden zou ik het verhaal ook niet hebben kunnen maken in een meer kindvriendelijke stijl in klare lijn en met strakke inkleuring. Ik kies voor elk van mijn projecten de stijl die daar het best bij past. Ik vind het prettig de grenzen van de visuele esthetiek te verleggen. Je kunt als kunstenaar niet elke dag hetzelfde eten: ook al is de haring nog zo lekker, wie het elke dag moet eten, pleegt op een dag waarschijnlijk uit ellende zelfmoord. (lacht)”

Uw stijl verschilt per project inderdaad sterk…
„Nou, niet zozeer mijn persoonlijke stijl. Wel verschilt telkens de techniek die ik gebruik. Dat is niet per definitie hetzelfde.”

Veel van uw werk kenmerkt zich door vervormde, cartooneske beelden. Iets wat je vaker ziet bij Spaanse en Zuid-Amerikaanse kunstenaars, zoals El Greco, Fernando Botero en Miguelanxo Prado. Voelt u zich met hen verwant?
„ Ik ben niet per se verwant met alleen Spaanse en Latijns-Amerikaanse schilders en tekenaars. Miguelanxo is toevallig een persoonlijke vriend van me. Ik ben dol op zijn werk, net als op de oude schilderijen van El Greco. Maar het werk van Botero háát ik; veel te vlak! Ik voel met wel verwant met kunstenaars als James Ensor, Lyonel Feininger en Jeroen Bosch. En ben dol op de strips van Winsor McCay en Hugo Pratt, die overigens wel weer twaalf jaar lang leefde en werkte in Argentinië!”

Waar hebt u leren tekenen en schilderen?
„Ik heb hier in Buenos Aires de kunstacademie doorlopen. Ik ben op mijn zeventiende begonnen. Die opleiding duurde zeven jaar. In die tijd was ik geobsedeerd door Paul Cézanne. Ik probeerde net als hij te schilderen, met zijn drang naar vernietiging en zijn ideeën over perspectief. Zijn werk lag ten grondslag aan het expressionisme en het kubisme.”

Las u veel strips in die periode?
„In mijn jeugd verschenen er veel komische tijdschriften met vooral Amerikaanse strips, veel Disney-werk en zo. De strips die in Argentinië werden gemaakt, zijn nooit in Europa verschenen, behalve dan The Cisco Kid, dat hier mateloos populair was. De Argentijnse strip werd pas volwassen toen Héctor Oesterheld, een groot schrijver die verdween tijdens de militaire dictatuur, en Francisco Solano López eind jaren ’50 de sciencefictionstrip El Eternauta schiepen.  Het verhaal werd voorgepubliceerd in een blad dat ik las, Hora Cero. Ik kon er niet van slapen, zo nieuwsgierig was ik telkens naar het vervolg van het verhaal. Nu lees ik nog maar weinig strips.”

U bent begonnen als schilder. Waarom bent u op latere leeftijd alsnog strips gaan maken?
„Ik schilder nog steeds. Ook voor mijn strips. Voor mij staat het ene niet los van het ander. Ik creëer beelden en daarbij is geen enkel medium voor mij wezenlijk anders dan de ander. Ik had het daar onlangs nog over met een goede vriend van mij, de Nederlandse kunstschilder en illustrator Pat Andrea. Hij woont afwisselend in Parijs en hier in Buenos Aires. Hij is kunstenaar geworden doordat hij als kind gefascineerd raakt door een strip die hij las: toevallig The Cisco Kid. De Argentijnse tekenaar van die serie, José Luis Salinas, was dan ook een groot artiest! Andrea tekende die strip na. Hij zegt altijd dat hij kunstenaars is geworden door The Cisco Kid. Andrea heeft mij weer geholpen bij het slijten van mijn eerste strip op de Europese markt: Meurtre et châtiments dat in 1991 in het Frans bij uitgeverij Albin Michel verscheen. Dat boek is misschien wel het beste wat ik ooit heb gemaakt. Voor mij zijn alle beelden aan elkaar gerelateerd, of het nu een zelfstandig schilderij is of een reeks aan tekeningen die samen een geheel vormen. Voor Andrea en mij bestaat er geen scheiding tussen de grafische kunst of schilderen. Alle kunsten zijn met elkaar verbonden en het verrijkt je werk wanneer je je door een andere kunstvorm laat inspireren, zoals de leraren van Bauhaus destijds al onderwezen.”

Maar waarom bent u ook strips gaan maken?
„Omdat het me als kunstenaar op een hoger plan brengt als ik me ook in andere kunstvormen bekwaam. De kubistische schilder Lyonel Feininger is een van mijn favoriete stripmakers. Hij heeft ooit 49 pagina’s strip gemaakt voordat hij enkel nog ging schilderden, maar die 49 pagina’s behoren wel tot het beste wat er ooit op stripgebied is verschenen. Je kunt het werk van Henri de Toulouse-Lautrec niet los zien van zijn affiches, de schilderijen van Honoré Daumier niet los van zijn spotprenten. Het is vooral het publiek dat onderscheid maakt tussen de verschillende uitingsvormen en ze in aparte categorieën onderverdeelt, niet de kunstenaar zelf.”

Bent u tevreden over Pampa?
„Commercieel was het geen groot succes, maar dat was ook niet ons doel. We wisten van tevoren dat het voor veel lezers een moeilijk boek zou worden. Het is een poëtische strip geworden, waarin Jorge weinig tekst heeft gebruikt en veel teksten herhaalt om ze zo de sfeer te benadrukken. Ook visueel is het geen doorsnee strip: veel handelingen worden eerder gesuggereerd dan expliciet verbeeld. We wilden niet alleen een thema behandelen dat voor veel lezers nieuw was, maar ook een andere aanpak gebruiken dan gebruikelijk is voor strips.”

Hebt u stripmakers die een voorbeeld voor u zijn?
„Niet zo zeer een voorbeeld, wel stripmakers die ik bewonder. Zoals José Muñoz, Blutch en Manu Larcenet. Muñoz is een goede vriend en een uitzonderlijke kunstenaar, een mengsel van Alberto Breccia en Chester Gould. Larcenet is een geweldige verteller en de duivelse vaardigheid van Blutch als tekenaar is buitengewoon.”

Breccia, de naam valt. Als wij aan Argentijnse strips denken, denken we in eerste instantie aan hem. In hoeverre bent u door hem beïnvloed?
„Ik had het geluk Breccia te ontmoeten en met hem bevriend te raken. De invloed van Breccia op de ontwikkeling van het Argentijnse beeldverhaal en ver daarbuiten kan niet worden overschat. Hij was een wijze oude man toen ik hem ontmoette, maar door zijn moed om nieuwe en riskante terreinen te verkennen als tekenaar, was hij jonger en provocerender dan menigeen van zijn volgelingen. Zijn versie van El Eternauta bijvoorbeeld, tilde de strip op een hoger plan. Breccia leerde mij, en niet alleen mij, om grenzen te verleggen en niet tevreden te zijn met datgene wat ik toch al kon maken. Hij moedigde anderen aan om risico’s te nemen, niet te veel te letten op de kosten van een project en of de geïnvesteerde tijd en moeite wel wat zou opleveren, maar om andere grafische gebieden te verkennen.”

Hoe staat er Argentijnse strip er nu voor?
„Na een neergang in de jaren ’90, is er momenteel weer sprake van een opleving. Er zijn veel kleine uitgeverijtjes bijgekomen die – hoewel in kleine oplages – veel materiaal van eigen bodem uitbrengen. En na een pauze van veertien jaar bestaat sinds 2006 ook het tijdschrift Iron weer. Dat was in de jaren ’80 een uitstekend laboratorium voor onbekende, Argentijnse stripmakers als José Muñoz, Carlos Sampayo, Horacio Altuna en Enrique Breccia om werk te publiceren dat niet direct aan de smaak van het grote publiek voldeed. Mijn eerste pogingen op stripgebied zijn ook in dat blad afgedrukt.”

U hebt ook een van de albums getekend in de reeks Donjon Monsters (Crève-coeur, nog niet vertaald in het Nederlands, red.). Hoe moeilijk was het om uw stijl aan te passen aan het universum dat al was bedacht door anderen?
„Ik had meer vrijheid dan ik van tevoren had gedacht. Uiteraard kon ik al bestaande personages niet ineens een compleet ander uiterlijk geven, maar Lewis Trondheim en Joann Sfar geven hun gastauteurs alle ruimte om de verhalen een persoonlijk tintje te geven.”

Waar werkt u nu aan?
„Ik ben momenteel bezig met een grote overzichtstentoonstelling van mijn werk die hier in
Argentinië wordt gehouden. Daarvoor moet ik een negentig pagina's tellende catalogus in elkaar zetten. Dat is erg leuk. Daarna ga ik olieverfschilderijen maken die zullen worden gebruikt als illustratie bij het Blauwbaard-sprookje. Het boek wordt ook in Europa uitgebracht, al weet ik niet of er ook een Nederlandse vertaling komt. En tot slot leg ik nu de laatste hand aan een boek met korte verhalen geïllustreerd met sculpturen, genaamd Le livre du petit amour.”

Hoe gaat u te werk met een project als Blauwbaard en in hoeverre pakt u dat anders aan dan bijvoorbeeld Pampa?
„Ik maak vooraf altijd een enorme hoeveelheid schetsen. Vaak vind ik die interessanter dan het uiteindelijke werk dat eruit voortkomt. Ik kan echt verliefd worden op een eerste, grove beeltenis van iets dat alleen nog maar als idee in mijn hoofd leeft. In zoverre verschilt mijn aanpak niet nu ik olieverfschilderijen maak. Het is niet voor het eerst dat ik een boek illustreer. Ik heb ooit eens schetsen gebruikt als illustraties in een boek met dierenfabels van de Amerikaanse schrijver Ambrose Bierce (99 Fábulas fantásticas, red.). Ik zette ze om in twee kleuren, zwart en rood. Over die aanpak ben ik nog steeds erg tevreden.”

 
 

meer in ZozoLala 179