Dave Cooper: een voorliefde voor lelijkheid

Met Kreukel is het merendeel van de strips van Canadees Dave Cooper (1967) nu vertaald in het Nederlands. Net als het eerdere Loeder en Dan & Larry in ‘Niet doen’ is ook Kreukel weer een haast psychedelische leeservaring vol verwrongen personages en bizarre verhaalwendingen. De man achter dat bizarre universum lijkt te zijn blijven hangen in een LSD-trip.

door Hans van Soest

In zowel Kreukel als Loeder zijn de mannen treurige mislukkelingen.
„Tja, ik denk dat ik het idee nu eenmaal leuk vind dat mannen hun verdiende loon krijgen. Diep van binnen zijn mannen varkens. Ik beleef er veel plezier aan om op een melodramatische manier te spelen met dat cliché. Ik geef de meeste van mijn mannelijke hoofdpersonen al mijn droevigste, zwakste eigenschappen en zorg daarna dat ze er voor gestraft te worden. Dat is lol! Ha ha!”

Tegelijk zijn de vrouwen in je strips ook niet bepaald fijne mensen: het zijn onverzadigbare machtswellustelingen. Krijg je daar veel commentaar op?
„Nee, verbazend genoeg krijg ik nooit boze reacties. Maar ik denk dat ik wel begrijp hoe dat komt. Mensen die mijn strips doorbladeren, voelen intuïtief aan of het hen aanspreekt of niet. Mijn werk oogt voor het grote publiek behoorlijk alternatief. Mijn tekeningen zijn niet wat je noemt ‘doorsnee’. Dus mensen die aanstoot nemen aan mijn verhalen, lezen het bij voorbaat al niet. Alleen mensen die er wel van houden, nemen het mee uit de winkel. Daar voel ik me erg prettig bij.”

In al je werk wemelt het van de lelijke mensen. Wat fascineert je daar zo aan?
„Ik ben net zo dol op lelijkheid als op schoonheid. Ik krijg een kick van het creëren van contrasten: schattig en lelijk, onschuldig en zondig, natuurlijk en synthetisch. In mijn landschappen wil ik dat realisme en fantasie hand in hand gaan. Het moet op een prettige manier verwarrend zijn voor het publiek. Maar waar het om de personages gaat – en dat is misschien grappig – heb ik niet het zelfde schoonheidsideaal als anderen. Vrouwen die afwijken van het modepatroon, dat zijn de vrouwen die mij begeesteren. Ik kan absoluut niet opgewonden raken van die perfecte vrouwen waar andere tekenaars bij staan te kwijlen. Zo saai.”

Dan & Larry gaat over een ongezonde relatie tussen een oudere man en een adolescent. Klopt het dat je dat boek hebt gebaseerd op je eigen ervaringen met Barry Blair, een tekenaar waar je als jongen in de leer ging?
„Enkele vreemde en onaangename herinneringen aan die periode waren inderdaad de aanleiding om dat boek te maken. Maar die herinneringen waren hooguit de basis voor het verhaal, de rest is volledig fictief. Ik wil niet te veel uitweiden over wat er allemaal op de studio gebeurde. Maar het was een weirde periode. Ik heb die herinneringen een plek gegeven door ze in te bedden in een volkomen surrealistisch universum dat ik er omheen heb gebouwd. Het eindresultaat leest voor mij als een soort droomdagboek van die tijd. Het is daardoor denk ik mijn meest persoonlijke boek geworden, maar voor wie de achtergrond niet kent, is het hoogstwaarschijnlijk een volkomen bizarre novelle.
Veel van mijn beste verhalen ontstaan overigens zo. Als een zaadje plant ik een echte, persoonlijke herinnering in de grond. Ik wil geen expliciet autobiografische verhalen maken. Soms wordt de herinnering in het eindresultaat volledig overschaduwd door de enorme woekerende plant die er uit het zaadje is gegroeid. Die plant lijkt dan in niets meer op waar het ooit mee begon.”

Heb je het vak bij Blair geleerd?
„Ik ben min of meer autodidact. Als kind zat ik voortdurend te tekenen. Op de middelbare school volgde ik een aantal kunstvakken, maar het was zo’n fuck-up dat ik er niets van opstak. Toen ben ik gestopt met school en heb me een tijdje fulltime met strips bezig gehouden. Ik was nog maar een tiener en ging aan de slag voor Aircel comics, een lokale uitgeverij van onder andere sciencefiction-strips die was opgericht door Blair. Ik heb er veel van Blairs strips geïnkt. Ik heb zo’n tien jaar aan de weg getimmerd. Mijn vrouw Julie en ik waren arm als kerkratten in die periode, maar het was wel een gelukkige tijd. Ik bleef gewoon proberen en proberen, zonder enig succes. Jaar na jaar. Ik was als een gestoord kind dat telkens weer van zijn fietsje viel, maar telkens weer opstapte om er ook steeds weer vanaf te kletteren. Ik heb nog een tijdje in een band gespeeld, maar naar verloop van tijd begon de schoorsteen eindelijk wat te trekken. Het was een lange klim omhoog.”

Je eerste eigen album Suckle uit 1997 werd anders direct genomineerd voor een Harvey Award.
„Maar toen was ik dus al dertig! Die nominatie had ook niet bepaald een grote impact op mijn carrière. Hartstikke leuk, zo’n pluim op je hoed, maar ik heb er geen album meer door verkocht. Het type underground-strips dat ik maak, heeft hoe dan ook maar een kleine schare liefhebbers, hoe veel prijzen je er ook voor krijgt. Ik ben geen Daniel Clowes of Chris Ware die door de aandacht voor hun werk ineens door een groot publiek worden opgepikt. De strips die ik maak, zullen altijd marginaal blijven, denk ik.”

Waarom wilde je zo graag strips maken?
„Het was min of meer toeval dat ik bevriend raakte met Barry Blair. Ik besloot toen te doen wat hij ook deed. Als kind las ik graag strips, maar ik was er nooit echt door geobsedeerd of zo. Dat gebeurde later pas. Toen kwam ik in aanraking met de alternatieve, underground comic scene. Alles wat ik tot dan toe had gedaan en geleerd, kon ik ineens kanaliseren in iets wat er toe deed. Het was niet langer zomaar een ambacht of een baantje, het werd een manier om me te uiten.”

Stelde de undergroundscene in Canada wat voor in de jaren ’80?
„Begin jaren ’90 kwam uitgeverij Drawn & Quarterly, maar dat was het wel zo’n beetje. Ik vond het werk van Chester Brown en Joe Matt heel goed, maar ik richtte me vooral op Frankrijk en Japan. Daar haalde ik mijn inspiratie vandaan. Ik heb me nooit in de eerste plaats Canadees gevoeld, maar wereldburger. Tekenaars zijn een soort aparte nationaliteit: we zijn allemaal min of meer broers en zussen.”

Je stijl is volkomen uniek. Had je voorbeelden toen je begon met strips maken?
„Tomi Ungerer (een Franse illustrator, geboren in 1931, bekend van erotisch werk, politieke cartoons en kinderboeken, red.) had de grootste, meest onuitwisbare invloed op me, denk ik. En natuurlijk mijn vriend Patrick McEown, die ik al ken sinds me twaalfde en die ook bij Aircel Comics werkte. Zoals voor heel veel tekenaars geldt, hebben vooral de auteurs die ik als kind las me grafisch het meest beïnvloed. Tekenaars als Moebius, Sergio Aragones, Vaughn Bodé, Robert Crumb en Dr. Seuss.”

Je werk roept een onbehaaglijk gevoel op bij de lezer, is dat ook je bedoeling?
„Wat ik vooral nastreef, is dat mijn publiek verrast wordt en gedesoriënteerd achterblijft. Het belangrijkste doel toen ik strips voor mezelf ging maken, was vooral niet datgene doen wat anderen van me verwachtten. Als ik merkte dat het verhaal op een bepaald punt rechtsaf sloeg, dan haastte ik me om het toch naar links te laten afbuigen. Ik maak tegenwoordig niet veel strips meer, maar in de schilderijen die ik nu maak, doe ik hetzelfde. Het moet vooral interessant blijven voor mezelf. En als de lezer of aanschouwer van mijn werk dat ook vindt, dan is dat geweldig!”

Je maakt inderdaad niet alleen strips, maar ook schilderijen, illustraties en tekenfilms…
„Ja, vier verschillende kunstvormen. Maar ik zie ze niet als vier verschillende dingen die thuis allemaal in een apart doosje in de kast staan. Voor mij zijn het vier ingrediënten uit dezelfde kookpot. Om mezelf prettig te voelen, moet ik alle vier de takken van sport beoefenen. Toen ik jonger was, heb ik me jarenlang afgevraagd: wat wil ik nou worden, kunstschilder of striptekenaar? Die vraag stel ik me nooit meer. Elk van deze bezigheden is voor mij soms het meest opwindende van de wereld en soms het meest saaie waar ik op moet zwoegen. Zo zal het altijd blijven. Afhankelijk van wat me op dat moment interesseert, zal ik altijd heen en weer tussen de verschillende genres blijven springen. Zo heb ik net een lange periode achter de rug waarin schilderen me dood verveelde, maar nu vind ik het weer echt spannend. Ik kan niet wachten om nieuwe dingen te proberen, om te experimenteren en te groeien. En ik ben supergeïnteresseerd in animatie. Ik werk momenteel aan vijf tekenfilmprojecten tegelijk. Het enige echt frustrerende aan animatie is dat het altijd eeuwig lijkt te duren voordat het af is. Je moet er echt heel veel geduld voor hebben. Maar dat geeft niet, ik heb geleerd geduldig te zijn. Uiteindelijk is het allemaal het wachten waard.”

Je komt over als een enorm opgeruimde man. Waarom is je werk dan zo groezelig en nihilistisch?
„Hmm, tja, geef daar maar eens antwoord op. Ik ben echt een vrolijk persoon. Maar iedereen heeft meerdere kanten. Er broeit vanalles onder de oppervlakte dat het daglicht niet kan verdragen. Ik voel me gezegend dat ik die donkere stemmingen en impulsen kan uiten en er mijn brood mee kan verdienen. Ik kan me niet voorstellen hoe ongelukkig ik zou zijn als al mijn rare ideeën binnen in me hadden moeten dooretteren. Ik denk dat ik dan van binnenuit was gaan rotten.”

Autobiografisch?
In het Nederlands zijn drie boeken van Dave Cooper verschenen, alledrie bij uitgeverij Xtra. Ripple uit 2003 werd vier jaar later vertaald als Loeder. De oorspronkelijke titel dekt wellicht iets beter de lading. Het boek gaat over de obsessieve liefde van een illustrator voor zijn model Tina, een meisje met overgewicht. Haar vetrollen winden hoofdpersoon Martin DeSerres enorm op. De schuchtere Tina neemt al snel de leiding in hun relatie en ontpopt zich als een nukkig kreng. Wie een kijkje neemt op de website van Cooper, zal aan de foto’s zien dat de auteur zelf ook graag met zwaarlijvige modellen werkt voor zijn schilderijen.
Dan & Larry in ‘Niet doen’ is een soms misselijkmakende parabel over de greep van een leermeester op zijn leerling. De eend Dan werkt als assistent voor de tekenaar van sciencefiction-strips Larry, een seksueel geperverteerde robot met een menselijk hoofd. De nog jonge Dan weet zich niet goed houding te geven als Larry hem avances maakt. Dat Dan symbool staat voor Dave Cooper zelf en Larry voor zijn vroegere leermeester Barry Blair, is geen geheim.
Blair (1954-2010) was een Canadese stripmaker die redelijk succes had met pulpreeksen als Elflord en Samurai. Hij richtte een eigen uitgeverijtje op, waar Cooper zijn eerste baantje had als inkter. Blair zou later nog meewerken aan de populaire Elfquest-serie van Wendy en Richard Pini. Met zijn partner Colin Walbrige maakte hij nog veel erotisch werk.
Het deze zomer verschenen Kreukel is alles behalve autobiografisch. Het is een satirisch verhaal over de strijd tussen de seksen. Lesbische feministen nemen de wereldheerschappij over met behulp van buitenaardse wezens. De macho’s moeten het ontgelden, alleen de zachtaardige Kneukel wordt gespaard om de nieuwe heersers van nakomelingen te voorzien.

Dave Coopers website: Davegraphics.com
Wie geïnteresseerd is in het werk van Barry Blair: Blairdotcomix.co.uk

 
 

meer in ZozoLala 180