ZozoLala: de laatste snik

In de vorige editie kondigden we het al aan en nu is het laatste nummer van ZozoLala echt een feit. Na 180 nummers stripgeschiedenis te hebben opgetekend, geeft de redactie van ’Sneerlands kritischte stripinfoblad’ (zoals het zo mooi heette op de achterflap van de eerste ZozoLala-klassiekbundel) er de brui aan. In dertig jaar tijd groeide het blad uit van een studentikoos stencilblaadje tot het grootste stripinformatieblad van de Lage Landen, met in de hoogtijdagen een oplage van meer dan achtduizend exemplaren. Voor één keer, want nu kan het nog, blikken we terug op onszelf.
De beginjaren
Altijd maar weer ruim aandacht voor marginale uitgaven. Nooit eens een leuk stukje over de nieuwe Blauwbloezen of Suske en Wiske en altijd weer negatief over bloederige fantasystrips of inwisselbare spionagestrips. We hebben het de mensen die ZozoLala al die jaren mogelijk maakten, niet altijd makkelijk gemaakt. Het waren de winkeliers die ons al die tijd steunden door tegen kostprijs minimaal honderd exemplaren af te nemen en gratis uit te delen. Slechts sporadisch kwam er een klacht over de soms venijnige artikelen, die hun klanten niet altijd aanspoorden naar de winkel te rennen – behalve als er eens een nieuwe Baudoin of Andreas uit was. Ondanks die spanning tussen sponsoring door winkels en het enthousiasme van liefhebbers die elke twee maanden pro deo een nummer vulden met eigenzinnige stripjournalistiek en zich niet tot ‘leuke stukjes’ lieten dwingen, hebben ZozoLala en de winkeliers het lang met elkaar volgehouden. Daardoor konden hele generaties striplezers worden geïnformeerd over strips die boven het maaiveld uitsteken.
De nieuwe generatie lezers zal het verhaal over ‘hoe het allemaal begon’ niet kennen, maar trouwe lezers die het de hele rit hebben volgehouden – en inmiddels al in de vijftig zijn – kunnen zich misschien de eerste gestencilde blaadjes nog herinneren. Volgens Ina Volmer van Stripwinkel de Noorman in Arnhem, bestaan die lezers echt: „Sommige klanten die onze winkel al vanaf het begin in 1982 bezoeken, komen tegenwoordig met hun kinderen en vragen nog altijd naar de ZozoLala.” Volmer begrijpt waarom ZozoLala verdwijnt, maar blij is ze er niet mee. „Ik zie wel dat het blad niet altijd meer zo verrassend is. Toch zullen veel klanten het echt missen. ZozoLala is een instituut en voegt veel toe, omdat het zo anders is dan andere informatiebronnen. Straks is er niets meer wat de diepte ingaat, dus ik hoop echt dat jullie doorgaan met een site.”
Volmer is betrokken bij de oprichting van ZozoLala in Nijmegen en vertelt over hoe het begin jaren ’80 allemaal begon in de toen nog Nijmeegse Noorman: „Er waren rond 1980 nog niet zo gek veel stripwinkels in Nederland. Op het gebied van stripinformatie was er bijna niets, er was ook nog geen internet. Eric Steffens runde de Noorman in Nijmegen en wilde de klanten graag informeren over nieuwe titels. Dat werd een eenvoudig stenciltje met te verschijnen titels erop en soms wat kort commentaar. Het stelde ook niet zo gek veel voor, omdat er gewoon maar weinig uitkwam, zeker vergeleken met nu. Als er in een week een nieuwe Blueberry én een nieuwe Lucky Luke uitkwam, was dat al heel wat.”
Al snel wordt de Stripinfo, zoals het stenciltje aanvankelijk heette, uitgebouwd. Per week staat aangekondigd welke strips er zouden gaan verschijnen. Als de jonge student Peter Kuipers de winkel binnenloopt en gevraagd wordt naar zijn mening over het blaadje, antwoordt hij met de inmiddels legendarische woorden: ‘Een beetje zozo-lala’. Een nieuwe naam is geboren en Kuipers mag aanschuiven om de vormgeving naar een hoger plan te brengen. Ook medestudent Mat Schifferstein schuift aan. In januari 1982 verschijnt zo de eerste echte editie van het tijdschrift ZozoLala.
In de begintijd van ZozoLala begint Steffens nog een Noorman in Tilburg en start Volmer een Noorman in Arnhem. In die drie winkels wordt het blad aanvankelijk verspreid. Schifferstein en Kuipers vullen de StripVoorspelling aan met artikelen en recensies. Ina kijkt met veel plezier terug op die tijd: „Het was allemaal behoorlijk hectisch. Ik was net een winkel begonnen en moest hard werken. Ondertussen was het leuk om een soort vliegende keep voor het blad te spelen. Ik herinner me dat ik bij een interview met Prutswerk een ZozoLala T-shirt aantrok en op m’n kop ging staan voor de foto met de auteurs.” Het geeft aan dat het blad aanvankelijk minder serieus was dan mensen nu misschien denken. Maar dat neemt niet weg dat vooral Mat Schifferstein de ambitie had de ZozoLala naar een hoger plan te tillen. Schifferstein is nieuwsgierig naar vernieuwers en pioniers. Al bij het vijfde nummer wordt besloten om het tijdschrift aan te bieden bij andere winkels. Het wordt een doorslaand succes. Iets meer dan een jaar later zijn er 29 winkels die ZozoLala verspreiden en is de oplage gestegen tot 6.500 exemplaren.
Met weemoed denkt Schifferstein terug aan die tijd. Schifferstein: „De hele redactie studeerde in Nijmegen en het blad werd in elkaar gezet in het gebouw van studentenvereniging/discotheek Diogenes. Daar vergaderden we, kletsten we over strips, werkten we tot diep in de nacht door aan het blad en gingen we daarna naar het café.” Alles gebeurde nog op de typemachine. Vooral de StripVoorspelling, volgens Schifferstein ‘de basis van het blad’, kostte in het pre-internettijdperk veel tijd. „We moesten bij de uitgevers zeuren om informatie en op het laatste moment er nog eens achteraan bellen. We deden enorm veel moeite om het overzicht van te verschijnen boeken compleet te krijgen. Dat is tegenwoordig natuurlijk achterhaald door internet.”
Niet alleen het vergaderen, ook de vormgeving vond plaats in de rokerige lokalen van Diogenes. Om ervoor te zorgen dat er in het hele blad gebruik gemaakt werd van hetzelfde lettertype, werden alle teksten getypt op de elektrische typemachine die bij de studentenvereniging stond opgesteld. Medewerkers losten elkaar af met het typen van kopij. Koud waren de teksten de typemachine uitgerold, of ze werden uitgeknipt en opgeplakt op twee aan elkaar geplakte A3-kopieën, met daarop het stramien getekend. Het inpassen van illustraties en tussendoor gecorrigeerde teksten en het precies kloppend proberen te krijgen van de pagina’s op deze onnauwkeurige stramienvellen, zorgden soms voor eindeloos pas- en meetwerk. Gedreven door perfectionisme kon de vormgeving zo soms weken in beslag nemen, waarbij de vormgevers niet zelden nachtwerk verrichtten. Tijdens dansavonden van Diogenes ging dit zelfs gepaard met trillend parket onder de voeten, door de beukende bassen in het onderliggende café. In die vroege jaren ’80 is de blauwdruk gevormd voor het blad: onbekende, soms nog onvertaalde strips onder de aandacht brengen, werk van veelbelovende amateurs tonen en populaire series op een serieuze, niet-fanclubachtige manier bespreken. Schifferstein over het begin: „Het kritische kwam er al snel in. Je sprokkelt overal naar nieuwe artikelen en kijkt wat er wordt aangeboden. Ik heb zelf moeite met oppervlakkige strips en wil het liefst over dingen schrijven die me aanspreken. Daar komen andere mensen op af die dat leuk vinden en zo werd het een echte studentenclub.” Hij werd soms jaren later nog door lezers aangesproken die zich stoorden aan iets dat hij had geschreven.
De kritische toon van het blad kan ook niet los worden gezien van het tijdsgewricht. Concurrent Stripschrift werd door de studentikoze hemelbestormers van ZozoLala gezien als een ingeslapen/volkomen comateus tijdschrift, omdat het destijds maar blééf schrijven over vergrijsde Nederlandse instituten als Toonder en Kresse. ZozoLala wilde voorop lopen. ZozoLala had lak aan de gevestigde orde. Nijmegen was in die jaren het centrum van krakersrellen. Ook ZozoLala wilde een omwenteling in de stripwereld bewerkstelligen. De redacteuren beschikten over een eigenwijs doe-het-zelf-ethos. Er werd niet voor het geld gewerkt, maar voor de lol. En dan deed je dus gewoon wat je zelf wilde, zodat er na enige tijd ook weer doodleuk over Kresse werd geschreven. Van het imago van linksig actieblaadje zijn we echter nooit helemaal afgekomen.
Mat Schifferstein startte samen met Peter Kuipers onder de vlag van Stichting Zet.El ook uitgeverij Zet.El. Die was verantwoordelijk voor de eerste boekuitgaven in de Zeer Luxe Reeks, zoals Cromwell Stone van Andreas, Lichtspel van Muñoz en Sampayo en De overlevende van Krigstein. „Ik schreef altijd over Franse boeken die eigenlijk zouden moeten worden uitgegeven, maar bedacht toen opeens dat we dat natuurlijk ook zelf konden doen. Dat resulteerde in de mooiste serie die ik ooit heb uitgegeven. Eind jaren ’80 stopten Peter en ik met het blad en begonnen we uitgeverij Sherpa. We waren later wel verbaasd dat er nog zo veel goede mensen bijkwamen om het blad voort te zetten. Het hangt of staat allemaal met enthousiasme en ik snap ook goed dat jullie er nu mee stoppen. Ik stopte destijds met ZozoLala omdat ik echt helemaal uitgeschreven was over strips.”
De nieuwe redactieleden kwamen voor een groot deel uit andere steden dan Nijmegen. De basis begon zich te verschuiven richting Arnhem. „Het begon uit elkaar te vallen en het was minder een gezellige studentenclub. Vaak moesten twee mensen de kar trekken en daar heb je op een gegeven moment geen zin meer in.”
Uitgeverij Zet.El is altijd doorgegaan met het incidenteel uitgeven van boeken. Niet omdat we een grote uitgeverij wilden worden, maar omdat we boeken tegenkwamen die anders niet zouden worden vertaald, of van Nederlandse auteurs die anders misschien wel erg lang hadden moeten wachten op een boekuitgave: In de val, Jeanette van Berend Vonk, Mama van Gnoe, Net echt van Lewis Trondheim, Kustbewoners van Benno Vranken, Tot ziens, Deleuze van Martin tom Dieck en Jens Balzer, Wat Fred niet wist van Milan Hulsing en Bonk van Olle Berg. Stuk voor stuk boeken die moeite hadden een Nederlandse uitgever te vinden, maar zeker niet door gebrek aan kwaliteit.

Na het afscheid van de medewerkers van het eerste uur, verhuist de redactie naar Arnhem, waar boven stripwinkel De Noorman een heus redactielokaal wordt ingericht. Niet langer is het tijdens redactievergaderingen een zoete inval, die daardoor steeds gestructureerder verlopen. Al snel vormt zich een nieuwe kernredactie, die ZozoLala enthousiast de jaren ’90 in wil helpen. De beukende bassen van de beginperiode maken plaats voor een kritisch en onafhankelijk tijdschrift met een duidelijk gezicht.
Het stokje wordt na het vertrek van Schifferstein en Kuipers overgenomen door onder anderen Carl Bieker. Hij ziet ZozoLala nog altijd als ‘zijn kindje’ en vindt het vreselijk jammer dat het stopt. Hij spelt het blad naar eigen zeggen nog altijd van A tot Z. De vrijheid van de doe-het-zelfgedachte maakt hem nog altijd enthousiast: „Ik vond het destijds leuk om over alles te schrijven wat ik wilde. Lekker veel vrijheid, leuke mensen om mee samen te werken en nachtenlang doorhalen op de typemachine, gewapend met een flesje typex.”
En gezwoegd werd er. De vormgeving ging nog steeds met de hand. Stukjes losknippen en op grote stramienvellen plakken. Snel op de fiets naar de drukker met een stripalbum voor het laten rasteren van afbeeldingen, om die plaatjes vervolgens tussen de teksten te plakken. En als het niet klopte, moest alles weer opnieuw. Inmiddels was de typemachine vervangen door WordPerfect 5.1. Dat maakte het aanleveren, corrigeren en uitdraaien van teksten weliswaar gemakkelijker, maar er waren vele fietstochtjes naar de copyshop nodig voor het opnieuw printen van gecorrigeerde teksten. Bij thuiskomst bleek er altijd wel weer een typefout over het hoofd gezien, waarna de tocht weer moest worden overgedaan. Wie geen computer had, kon achter de computer van de stichting kruipen. Dit antieke raspaardje bevond zich in het redactielokaaltje boven stripwinkel De Noorman. Je kon er alleen bij tijdens winkeltijden. Zo raakte redacteur Sigge Stegeman op een zaterdagavond ingesloten, omdat hij tot na sluitingstijd doorging. Na een zoektocht van collega-redacteur Mike Leenders werd eigenaresse Ina Volmer in de kroeg gevonden en werd hij bevrijd. Het vertrek boven de winkel diende overigens vooral als opslagplaats. De redactievergaderingen vonden plaats bij redacteuren thuis. De vormgeving voltrok zich deels in drukkerij SSN Nijmegen en ook deels thuis, waar onder het genot van een jointje en de lokale kraakzender Radio Rataplan boven een omgekeerde tl-bak de offsetfilms van het blad werden geretoucheerd.

De latere jaren
Medio jaren ’90 krijgt het blad een nadrukkelijker journalistieke benadering. Mike Leenders en Carl Bieker doen een stap terug en een nieuwe redactie treedt aan. De nieuwswaarde van onderwerpen komt centraal te staan. Het fanachtige gaat er definitief vanaf. De inzet wordt een volwaardig journalistiek product af te leveren. De stripwereld verzakelijkt en dat geldt ook voor ZozoLala. De tijden van typelinten en typex zijn voorgoed voorbij. Met de komst van Hans van Soest doet de eerste professionele (aanvankelijk leerling-)journalist zijn intrede in de redactie. Dankzij de opkomst van e-mail, internet en digitale opmaaktechnieken kost de opmaak minder tijd. Redacteur Jef Nieuwenhuis haalt zijn zoon Xander over om het blad te gaan opmaken in QuarkXpress. Later wordt dat InDesign. Door de digitalisering heeft de redactie definitief geen eigen lokaal meer nodig. Woonden de redactieleden vroeger nog bij elkaar in de buurt, inmiddels is dat verspreid over heel Nederland. De aanvoer van kopij en illustraties gebeurt digitaal en de redactie komt alleen nog samen met vergaderingen. Buitenlandse medewerkers, zoals Roel Daenen, kunnen ineens probleemloos (virtueel) aanschuiven.

Het zorgt ook voor een kortere periode tussen eindredactie en verschijning en dat maakt ZozoLala actueler dan ooit. Als er een bijzondere strip van Vittorio Giardino over Praag onder de communisten verschijnt, brengt ZozoLala diezelfde maand een omslagverhaal. Redactieleden vergroeien in de loop van de jaren met de stripcultuur: Toon Dohmen wordt professioneel boekvertaler, Gerard Zeegers is een tijd striprecensent bij NRC Handelsblad. ZozoLala probeert altijd zo actueel mogelijk te zijn. Bij de overgang naar het nieuwe millennium brengt ZozoLala een omslagverhaal over Comix 2000, nog voordat de vuistdikke tekstloze stripbundel goed en wel in de winkels ligt. Interviews met auteurs als Marjane Satrapi verschijnen tegelijk met de publicatie van hun debuutalbums.

Het redactieteam kent de afgelopen zeventien jaar nog wel mutaties (zo verdwijnt Paul van Gremberghen, komt Hans Pols erbij en keert Sigge Stegeman na enkele jaren afwezigheid terug), maar bestaat voor het merendeel uit doorzetters, oude rotten en niet weg te branden types. Een nieuwe fase begint. Vergeleken met de tijd waarin het blad zijn eerste voorzichtige edities prijs gaf, is het striplandschap al behoorlijk veranderd. In het laatste decennium van de vorige eeuw werd ZozoLala volwassen in de bloeitijd van de Nederlandse en Europese stripcultuur. Aan het blad was dat goed af te zien. Het oogde professioneler, het werd dikker en de oplage groeide. Maar de recessie in stripland dient zich aan. Ondanks het enthousiasme van veel striplezers, is de strip de status van subcultuur nog altijd niet ontstegen. Met het ouder worden van de stripliefhebbers, haken sommige van hen af en blijkt er niet voldoende nieuwe aanwas om de stijgende lijn voort te zetten. De stripmarkt ziet dalende cijfers en reageert voorspelbaar: risicovolle uitgaven worden geschrapt, populaire uitgaven blijven over en een verschraling is onvermijdelijk. Uitgeverij Casterman, tot dan toe een begrip voor de liefhebber van de betere strip, stopt met haar Wordt Vervolgd Romans en Novellen en draait ook het gelijknamige tijdschrift, wegens tegenvallende verkoopcijfers, de nek om.

Gelukkig heeft dit ook positieve gevolgen. Uitgaven in eigen beheer schieten als paddenstoelen uit de grond. Daartussen ook veel experimentele uitgaven van kunstenaars en andere passanten die uitbundig proeven van het medium. Ook de import neemt toe. Van Amerikaanse strips, maar ook van die uit andere windstreken, zoals Oost-Europa, Scandinavië en Zuidoost-Azië. Ontwikkelingen die door ZozoLala niet alleen gesignaleerd, maar ook omarmd worden. In nummer 77 spreekt de redactie de verwachting uit dat de Nederlandse stripwereld een nieuwe bloeiperiode staat te wachten en dat ZozoLala eigenwijs en nieuwsgierig vooraan wil staan. Het idee om nieuw talent tekstueel én visueel een podium te bieden, leidt tot een reeks van 62 bijdragen die meerdere lichtingen nieuwkomers voor het voetlicht haalt, onder de rubrieksnaam Acacialaan (motto: ‘in elke stad vind je er wel een’). Op de linkerpagina wordt de debutant geïnterviewd. De rechterpagina mag hij of zij vullen met een voor de gelegenheid gemaakte strip. Daar zitten namen bij die later klinkend zullen worden: Maaike Hartjes, Barbara Stok, Berend Vonk en Matthias Giesen. Anderen – hoe veelbelovend en getalenteerd ook – lijken in de vergetelheid te zijn verdwenen: Koen Hottentot, Naam, Ulli Bürer.
Ook de opkomst van de nieuwe Vlaamse golf gaat niet aan de rubriek voorbij. Met de opkomst van de stripopleiding daar, wordt een (uit Nederlands perspectief) jaloersmakende hausse aan extreem talentvolle auteurs op de wereld losgelaten: Nix, Kim Duchateau en Lode Devroe, om er maar een paar te noemen.

Inmiddels is het beeldverhaal verder geëvolueerd tot een volwaardige kunstvorm. Het min of meer logische gevolg is dat er een driedeling ontstaat. Enerzijds is er de ‘literaire’ stripcultuur met talloze bekende en vernieuwende Europese en Amerikaanse auteurs. Daarnaast is er nadrukkelijk een middenklasse van commerciële, overwegend seriële stripproducten. En er ontwikkelt zich steeds nadrukkelijker een ‘a-commerciële’ stripcultuur van enthousiaste beginners, jongens van de subcultuur en melige avant-gardisten. De aandacht van de ZozoLala-redactie richt zich vooral op nieuwswaardige en artistiek interessante uitersten.
Hoewel ZozoLala voor een blad over een grafische kunstvorm opvallend veel tekst in haar pagina’s stopte, waren het vooral de vaste stripbijdragen die het blad stilzwijgend smoel gaven. Edmond Spierts (Hedmonster/Inktvis Prutduktie/Vlerk) zorgt voor prachtige illustraties in de rubriek PrikBord. Met ingang van nummer 69 geven Anton Damen en de Jeroen Bosch onder de Nederlandse stripmakers, Marq van Broekhoven, hun kijk op de stripverzamelaar in de strip De Collectioneur. Al een flink aantal nummers zijn op dat moment de belevenissen van de Pinguïns van Bert van der Meij vast onderdeel van het blad. Vanaf ZozoLala 82 voorziet Maaike Hartjes in haar typerende priegelstijl de redactionelen van beeld. Met gejuich omarmt de redactie het aanbod van Peter de Wit om vanaf ZozoLala 102 de strip Intussen op de redactie te maken. Vanaf ZozoLala 113 zal ook Mark Horemans/Rayman zijn intrigerende bijdragen leveren. Aanvankelijk is het de komische strip Maxomatozus, later het intrigerende Onomatopeia. Alsof het niet genoeg is, bezorgen vanaf ZozoLala 130 ook de anarchisten van het stripcollectief Lamelos de opmakers enige tijd het nodige puzzelwerk.
Bert van der Meijs anarchistische pinguïns hadden regelmatig moeite met de beperking van het stripkader. Nadat de redactie een al eerder gepubliceerde Pinguïn-grap had afgewezen, was de boot aan. De nimmer om een grafisch antwoord verlegen Katwijker leverde voor het daarop volgend nummer 79 gags aan waarin de eigenwijze poolkippen advertenties bekladden, tegen het colofon pisten en de StripVoorspelling saboteerden. In het redactioneel van ZozoLala 80 werd Van der Meij daarop krachtig de deur gewezen. Hoe dat ging, konden de nietsvermoedende lezers in de rubriek Het Laatste Oordeel zien: daar werden zij verrast door de aanblik van met de vliegenmepper platgeslagen pinguïnlijkjes. De climax van de strijd volgde in het daaropvolgende nummer: als wraak hadden de pinguïns de laatste pagina bij het stripgedeelte afgescheurd. Daarvoor stond de redactie samen met Van der Meij bij de drukker de totale (!) oplage keurig met malletjes langs de gewenste lijnen af te scheuren. Achtduizend nummertjes gingen er van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat door onze handen. Alles voor de lezers. Nog meer voor de voorpret. Lol, dacht we. Maar het kwam de redactie op geschrokken reacties van winkeliers en abonnees te staan. Zij dachten met een productiefout te maken te hebben en stuurden hun nummers massaal terug.
In juli 1998 verscheen tijdens de Stripdagen Haarlem het honderdste nummer. Daar moesten we wel een béétje voor sjoemelen. Het was ook te mooi om waar te zijn: de moeder van onze jubileumnummers tegelijk met het meest prestigieuze stripfestival van de Lage Landen. Omdat we van vals spelen echter geen seconde minder slapen, besloten we van ZozoLala 99 de catalogus voor onze Haarlemse Acacialaan-expositie te maken. Niet alle lezers namen ons dat in dank af. In sommige stripliefhebbers schuilt vlak onder het oppervlak of diep van binnen een neurotische verzamelaar.
De redactie heeft altijd een haat-liefdeverhouding gehad met stripbeurzen. De laatste uren van de zondagmiddag zijn een vergeten hel van Dante. In den beginne rukte de redactie nog massaal uit. Breda was vaste prik. Na verloop van tijd werden de redactionele teksten over het onderwerp grimmiger en het animo om twee dagen achter de kraam te staan vertoonde slijtage. De pretentieuze (in de goede zin van het woord) Stripdagen Haarlem zorgde voor nieuw elan en aangename opwinding en ook Turnhout deed onze verkilde striphart goed, maar Houten deed ons definitief de das om. In het redactioneel viel de term ‘strontvervelend’. Zoals veel andere standhouders hield ZozoLala de beursvloer voor gezien. De metaalmoeheid deed zich langzamerhand voelen. Waar de redactieleden jarenlang elkaars teksten tot op de laatste komma minstens zo kritisch fileerden als de strips waarover de bijdragen gingen, nam het animo daarvoor merkbaar af. Steeds vaker had niet meer de hele redactie tijd om naast echte banen en privéleven een bijdrage te leveren aan het blad, wat de druk op anderen weer enorm vergrootte. Want het maken van een blad bestaat niet alleen uit stukjes schrijven en layouten, maar ook uit strontvervelende administratieve werkzaamheden en het elke twee maanden in de enveloppen stoppen van vele honderden nummers die op het postkantoor verstuurd worden naar de abonnees. Het werd – de hand in eigen boezem – tijd om er een punt achter te zetten.
Daar liggen overigens meerdere redenen aan ten grondslag. De lange jaren met te weinig tijd voor gezin en privéleven beginnen hun tol te eisen. Maar ook de concurrentie van onder andere internet begint te tellen. Het voorhoedegevecht dat ZozoLala altijd heeft willen voeren, wordt nu door anderen geleverd die niet vastzitten aan een verschijningsdatum van eens in de twee maanden, waardoor het voor ZozoLala in de snel veranderende stripwereld lastig is om nog als eerste een ontwikkeling te signaleren. Iets waaraan het blad altijd zijn bestaansrecht heeft ontleend. Dat probleem is nijpender geworden, nu uitgevers het aantal uitgaven opschroeven om zo omzet te blijven draaien. Dat valt ongeveer samen met de toegenomen interesse voor strip in de reguliere media en het toenemende aantal strips dat literaire uitgevers onder de ronkende term graphic novel uitbrengen. Kon ZozoLala voorheen nog aan alle interessante titels aandacht geven, steeds vaker moeten er gedwongen keuzes worden gemaakt, waardoor het lastiger is om relevant te blijven. En tot slot is er de crisis bij de stripspeciaalzaken, waarvan er steeds meer de afgelopen jaren de kosten moesten drukken, of zelfs de deuren moesten sluiten. Het wegvallen van inkomsten in combinatie met de oplopende kosten voor druk en distributie van ZozoLala maakte dat ons vrijwilligerswerk ook een stuk minder leuk werd.

Wie onderdeel uitmaakt van een subcultuur, kan natuurlijk nooit zijn eigen rol of invloed bepalen. We hebben in de carrière van verschillende stripmakers een rol gespeeld, maar die waren er zonder ons vast ook wel gekomen. Toch hebben we dapper ons steentje willen bijdragen. Door aandacht te besteden aan stripmakers die volgens ons het verschil maken, hebben we ongetwijfeld hun vermogen en moed vergroot om in altijd voorkomende moeilijke tijden door te pakken. Soms hebben we door boekpublicaties stripmakers voor het voetlicht gebracht waarna ze bij andere uitgevers terecht konden. Vaak hebben we de striphorizon van lezers helpen verbreden. Jullie waardering voor ons blad blijkt alleen al uit het feit, dat velen van jullie nog altijd weten met welke ZozoLala het voor jullie allemaal begon. Alleen dat is al voldoende loon naar werken. ZozoLala kon om drie redenen zo lang bestaan: we hebben er meestal veel schik in gehad, de winkeliers hebben ons al die tijd gesteund door het blad gratis weg te geven en jullie hebben al die tijd naar onze laatste editie gevraagd en het blad gelezen. We hebben het zeer gewaardeerd. Vandaar dat we met dit laatste nummer nog één keer willen vlammen met interviews en analyses: tot de laatste snik.

 
 

meer in ZozoLala 180