Cages. M a g i e tussen signaal en ruis

Cages. Kooien. Tralies. Begrenzing. Isolatie. Vrijheid en onvrijheid. De eerste associaties die de titel van het nieuwste werk van Dave McKean oproept, geven aan hoe ongrijpbaar, maar ook hoe universeel het thema ervan is. De uitwerking die McKean er in stripvorm aan geeft, is subtiel en eigenzinnig. Uitgaande van een aantal individuele verhalen onderzoekt hij, speels en zelfbewust, het grotere geheel.

Hoofdpersoon van Cages is de jonge schilder Leo Sabarski. Hij heeft na drukke bezigheden eindelijk de tijd gevonden om zich in alle rust volledig aan zijn werk te wijden. Daartoe huurt hij een etage in een statig pand. het Meru House. Een prachtige nieuwe omgeving, dat Meru House, zolang je maar niet verwacht dat alles er is zoals het lijkt. Zo zijn de steigers waarin het Meru House aanvankelijk staat na één nacht plotseling spoorloos verdwenen, klinken er vreemde geluiden en doet zich zelfs een keer een wel erg lokale aardbeving voor. Het mysterie lijkt zich te concentreren rond het schrijverspaar Rush, de onderburen van Sabarski. Ze leven geïsoleerd en worden om onduidelijke redenen gecontroleerd door twee mannen met bolhoeden en overjassen. Ook de zwarte huiskat, waarvan Rush beweert dat die zijn enige bewaard gebleven geheim is, en de overige bewoners van het Meru House spelen een duistere rol in dit geheel. Langzaam maar zeker, onontkoombaar, raakt Sabarski in de loop van Cages verder verstrikt in het web van levens en verhalen dat het Meru House omspant.

Langzaam maar zeker ook, vordert stripmaker McKean met zijn verhaal. Inmiddels zijn acht van de tien delen van Cages verschenen. Net als voor Sabarski in het eerste hoofdstuk, is Cages voor McKean een nieuw begin. Voor het eerst vertelt hij in zijn eentje een stripverhaal en heeft hij enkel de beperkingen die hij zichzelf oplegt. De nieuwe-superheldencomics die hem bij een groot publiek bekend maakten (Black Orchid, Arkham Asylum) zijn verleden tijd. Zij hebben zijn naam als tekenaar definitief gevestigd en door hun enorme succes de ruimte geschapen om verder te gaan met experimenteel, persoonlijk getint werk als Violent Cases en - vooral- Ruis. Ruis gaat over communicatie, over de vage grens tussen signaal en ruis (de oorspronkelijke titel luidt dan ook Signal to noise). In dit album vraagt McKean zich voortdurend af hoe hij de lezer iets wezenlijks kan mededelen. Hij lost dit probleem op door het verhaal duidelijk als een kunstmatig gegeven, als een constructie, te presenteren, in de hoop dat de lezer daardoor bereid zal zijn door het verhaal heen te kijken en zich bewust te worden van de achterliggende gedachten. In Ruis krijgt de lezer dan ook niet simpelweg van begin tot eind een verhaal voorgeschoteld, maar zijn er momenten waarop het verhaal zichzelf becommentarieert, momenten waarop het verhaal zichzelf tussen aanhalingstekens plaatst. In Cages is het houvast van de lezer bij het begrijpen van het samenspel van tekst en beeld op papier, de conventies van het stripverhaal, op vergelijkbare wijze niet zo zeker als in andere strips. Conventies zijn er voor McKean vooral om zich er niet aan te houden, net zoals kooien er zijn om uit te breken. Daardoor is, zowel in tekst als in beeld, niet alles in Cages meteen even duidelijk te begrijpen. Maar daardoor bevat Cages ook een aantal onvergetelijke momenten, momenten waarop McKean de lezer met geheel nieuwe ogen laat kijken.

Behalve het zelfbewustzijn, kent Cages ook de intieme sfeer van Ruis. De belangrijkste personages worden neergezet als mensen van vlees en bloed, vol zekerheden en twijfels, worstelend met de problemen van alledag. Dit doordringen in het hart van het alledaagse plaatst het verhaal dicht bij de lezer en vormt een tegenwicht voor de zelfbewuste, zoekende verteller. Die relativering is er ook door de onzeker gehouden grens tussen werkelijkheid en verbeelding en - voor het eerst in het werk van McKean - door het gebruik van humor. Zonder te breken met het realisme van de rest van het verhaal, lopen er in Cages enkele bizarre personages rond en zijn heel wat dialogen tongue in cheek.

Levendig, zelfbewust en vernieuwend: het zal duidelijk zijn dat wij Cages bijzonder de moeite waard vinden. Vandaar dat we met plezier enige pagina's vrij maken om McKean zelf aan het woord te laten over zijn nieuwste werk.

Het teken werk in Cages is aanmerkelijk stijlvaster dan we van McKean gewend zijn. Een helder en sober gebruik van zwart, wit en een zilverachtig blauw domineren veruit de meeste platen. Slechts incidenteel doorbreken andere kleuren de regelmaat. Alleen op de omslagen van de verschillende delen en de elf openingspagina's, die enigszins losstaan van de rest van het verhaal, laat McKean de remmen nog ouderwets los. Daar creërt hij met elke denkbare techniek de vage, meerduidige beelden die elke lezer van Ruis zich nog zal herinneren. Waarom heeft McKean ervoor gekozen zich ditmaal in hoofdzaak tot één stijl te beperken?

Ik vond dat de techniek me in de weg begon te staan. Veel mensen reageerden erg positief op de techniek en besteedden geen aandacht aan de ideeën erachter. Het laatste dat ik wil bereiken is dat mensen zeggen: "O, wat mooi!", om het boek vervolgens terzijde te leggen zonder aandacht te besteden aan de achterliggende ideeën. Achteraf bekeken vind ik dat de platen bij Arkham Asylum werken als tuil stops. Ze remmen het verhaal, ze botsen met elkaar. Het vertragen van de actie werkt veel vloeiender. Niet alleen door erg eenvoudige tekeningen, maar ook bijvoorbeeld door het vergroten van het aantal plaatjes voor een gesprek. Niet, zoals bij de traditionele strip, iemand laten zien die iets zegt en iemand anders die daar op reageert, maar minder woorden gebruiken en meer gebaren, pauzes en ruimtes. Zo krijg je meer tijd om de personages te Ieren kennen aan de hand van hun lichaamstaal, gebaren, blikken en opgetrokken wenkbrauwen, kortom: de subtiliteiten. Dat houdt de beweging erin.

Een van de redenen waarom ik een tweede, blauwe kleur gebruik, is dat ik niets enkel decoratief wil laten zijn. Ik wil niet dat het blauw er alleen maar leuk uitziet, het moet ook werken. Op dit moment werk ik aan scènes die door de ogen van iemand anders gezien worden. Een van de personages kan namelijk door de ogen van de anderen kijken. Als dat gebeurt, zien de tekeningen er vager uit en gebruik ik blauw om het verschil duidelijk te maken. Dat is alles wat nodig is voor een lichte wisseling van perspectief.
Ik wilde Cages ook op deze manier tekenen om een duidelijke scheiding tussen dit album en de voorgaande albums aan te brengen. Daarom begint het eerste deel ook met elf geschilderde platen, om vervolgens op dezelfde eenvoudige wijze verder te gaan als de rest van de delen. Toch vind ik het verschil niet zo groot als anderen zeggen. Voor mij zijn het eigenlijk dezelfde tekeningen, maar dan niet zo ver uitgewerkt.

De soberheid van Cages doet denken aan een ontwikkeling die ook in de stijl van Mattotti zichtbaar is. Van virtuoos kleur gebruik keerde Mattotti terug naar eenvoudige lijnen.

Mattotti is een grote inspiratiebron. De man aan het raam vind ik het beste dat hij gemaakt heeft. Het behandelt een moeilijk onderwerp op een geëigende, volwassen manier. Ik denk dat hij een eind verder is wat betreft de manier waarop hij tegen strips aankijkt. Hij is ouder dan ik en heeft veel meer tijd gehad om erover na te denken. Ik heb hem leren kennen en onze gesprekken hebben mijn oordeel over het werk dat ik nu doe sterk veranderd.

Dat het teken werk makkelijk het zicht op het verhaal in de weg staat, is niet de enige les die McKean uit zijn vroegere werk heeft getrokken. Vooral Violent Cases en Ruis bevatten elementen waar McKean tevreden over is en die hij is blijven gebruiken. In Cages zijn er enige terug te vinden.

Op de kunstacademie heb ik veel gewerkt met collages van gevonden foto's en gevonden voorwerpen en dat kwam goed van pas bij Violent Cases, een verhaal dat draait om het geheugen. Want zo werkt het geheugen, met kleine fragmenten van dit en dat. Ik had het nog nooit in strips gezien, maar het werkte perfect. Veel in Violent Cases werkte niet, maar de dingen die wel werken zijn de stukken die teruggaan naar wat strips werkelijk zijn. Dit soort verhaalideeën ben ik blijven gebruiken. Ruis was hier ideaal voor, omdat het gebaseerd was op het idee het belangrijke van het onbelangrijke te scheiden, signaal en ruis. Dus als je zonder zelfs maar te kijken wat willekeurige dingen op papier gooit, nodig je de mensen uit om de belangrijke dingen eruit te halen. Als ze bereid zijn om ernaar te kijken en niet gelijk te zeggen "ik begrijp het niet, vergeet het maar, ik ben niet geïnteresseerd", als ze er daadwerkelijk wat tijd in willen steken en proberen het te begrijpen, dan proberen ze het signaal uit de ruis te trekken. Daar ging het boek over. Veel dingen in Ruis, de platen die de hoofdstukken verbinden, zijn eigenlijk behoorlijk betekenisloos. Zij zijn eenvoudigweg signaal voor sommigen en ruis voor anderen. Sommige mensen vinden die pagina's de belangrijkste in het hele boek, en anderen raken er juist erg door geïrriteerd omdat ze niet van ruis houden. Voor mij zijn het signalen, aangezien ik, toen ik ze maakte, altijd probeerde er een betekenis voor te vinden. Ook ligt er een eenvoudig idee aan ten grondslag aan het feit dát ze er zijn. Ze zitten dus vol signaal. Veel mensen hebben er problemen mee gehad. Het blijkt dat mensen van antwoorden houden, graag direct willen weten wat dingen betekenen, maar daar is het boek niet echt voor. Het hangt af van het individu of er evenwicht is tussen signaal en ruis. Als sommigen het signaal of juist de ruis overheersend vinden, vind ik dat ook goed. Alles wat we wilden was dat het boek zou blijven hangen, dat mensen ernaar terug zouden keren.
Veel strips lijken op puzzels. Watchmen, bijvoorbeeld, dat bestaat uit kleine stukjes die perfect in elkaar passen. Het is fantastisch om die stukjes in elkaar te passen. Maar daarna leg je het weg en dat is het dan. Je kent het antwoord. Ik houd ervan als het iets langer blijft werken. In Ruis zit structuur, maar het geeft geen antwoorden. Het verschil met Ruis is dat alle signalen in Watchmen met elkaar verbonden zijn. Het zijn patronen, eenvoudige patronen: deze maan lijkt op dit gezicht lijkt op-dit ruimteschip en lijkt op dit. Een perfecte machine. Dat is gewoon niet het signaalgebruik waar ik van houd. Ik houd van tekens die niet echt iets betekenen, maar die resoneren, die weerklinken. Ik houd van het signaalgebruik van de Russische filmer Andrei Tarkovski. Hij combineert elementen waarvan hij niet precies weet wat ze betekenen, maar die voor hem resoneren en een stemming of een emotie of een sfeer oproepen. Munten, veren, water... Hij blijft er heel erg lang met zijn camera op staan en dwingt je om werkelijk te reageren. Het is niet alleen maar om de tijd tussen de belangrijke zaken te doden; het is zélf belangrijk. Dat is het werk dat ik echt bewonder en waar ik naar blijf terugkeren.

Ruis is door McKean samen met Neil Gaiman geschreven. Om precies te zijn schreef Gaiman het stuk over de groep mensen die in het jaar 999 voor het einde van de wereld vlucht en McKean het verhaal van de ten dode opgeschreven filmregisseur die met het idee speelt die vlucht te verfilmen. Het signaalgebruik waar McKean de voorkeur aan geeft is erg persoonlijk, zodat het niet verwonderlijk is dat het hem bevalt om Cages nu eens geheel voor eigen rekening te nemen.

Ik vind het de prettigste manier waarop ik ooit strips heb gemaakt. Het onderwerp, de personages, de setting, de sfeer en het sureële aspect zijn gewoon dingen waar ik graag mee bezig ben. Er zijn niet zoveel strips die me aanspreken. Wel veel films, boeken, schilders en fotografen, maar niet veel strips. Terwijl ik wel van strips houd, zodat het dus een beetje frustrerend is dat er niets voor me te lezen is. Als ik het niet zou tekenen, dan zou Cages een strip zijn die ik zelf graag zou willen lezen.
Het schrijven zelf gaat erg langzaam. Ik ben het niet echt gewend, in tegenstelling tot het tekenen. Ik kan heel snel tekenen. Dat moet ook wel, want ik moet er ook nog ander werk tussendoor doen. Voor het tekenen heb ik in de loop van de tijd een soort systeem ontwikkeld waar ik op terug kan vallen; voor het schrijven niet. Ik staar dus vaak eindeloos lang naar witte vellen papier. Maar als het dan eindelijk komt, erg langzaam, dan is het erg opwindend. Het is vergelijkbaar met die eerste paar tekeningen die echt lukten. Eerst waren het alleen vele korte verhalen, of een paar korte verhalen, die als het ware één boek gingen vormen. Terwijl ik erover nadacht had ik veel kleine invallen, die ik op indexkaartjes noteerde. Die kon ik over de vloer uitspreiden en groeperen. Dat bleek een goede werkwijze te zijn: je houdt uiteindelijk een rechte lijn van begin naar einde over. Dus nu heb ik al mijn verhaalgegevens op een rijtje, nu weet ik waar ik het in elk deeltje over moet hebben, en kan ik het van mijn stemming van het moment laten afhangen op welke manier ik de verhaalgegevens met elkaar verbind.
Ik weet al wel wat de laatste plaat is. Absoluut. Zeker. Ik heb die laatste plaat al vanaf de eerste dag in mijn hoofd zitten. De sleutel tot wat het echt speciaal maakt heb ik gevonden tijdens het maken van deel drie. Met de tijd verander ik wel dingen, maar de basisstructuren blijven overeind.

In Cages is het onderscheid tussen droom en realiteit niet altijd even helder. Het is wat dat betreft duidelijk te merken dat de grote lijn van het verhaal is ontstaan aan de hand van vele kleine verhalen. Die kleine verhalen lopen nogal uiteen. Ze zijn zeer realistisch, zoals het levensverhaal van een bejaarde vrouw, poëtisch zoals bij een ontluikende vriendschap of verliefdheid, maar ook chaotisch zoals de weergave van een vluchtig helder moment van een bewusteloze man. Toch raakt de lezer het spoor nooit volledig bijster. - Het is altijd mogelijk verbanden te leggen met de rest van het verhaal, of met de scheppingsverhalen aan het begin die alle verhalen in algemene termen lijken samen te vatten.

Het zijn allemaal pogingen om een evenwicht te bereiken tussen het geven van volledige zekerheid over wat er gebeurt en tegelijkertijd het behouden van een zekere onduidelijkheid of een onwerkelijk gevoel. Het is meer dan een spelletje, zoals ik al aan de hand van Watchmen uitlegde. Ik wil niet dat het een spelletje is. Ik wil dat het een meeslepend, maar niet noodzakelijkerwijs volledig begrijpelijk verhaal is. Het heeft betekenis voor mij, omdat ik de verschillende dingen tot één geheel maak. Als ik het te verwarrend of ondoorzichtig maak, zullen de mensen hun belangstelling verliezen. Als je echter, zoals Watchmen doet, elk punt duidelijk en helder met elkaar verbindt, kan het meeslepend zijn, maar laat het je onvoldaan achter, is er niets om verder over na te denken. Je moet dus een evenwicht vinden. Daar blijkt het bij het schrijven om te gaan. Ik ben er zeker van dat dit oud nieuws is voor iedereen die ooit iets geschreven heeft. Maar voor mij is het wel groot nieuws dat je iedere keer een evenwicht moet zoeken.
Een duidelijk voorbeeld van het afwegen van verschillende elementen is terug te vinden in de delen vier en zes. In het vierde deel vertelt een oude, eenzame vrouw over haar leven. Haar verhaal wordt plotseling enkele platen onderbroken door een op het eerste gezicht vreemde, surreële scène van een klein meisje dat door een bos dwaalt. Hoe je haar tocht kunt interpreteren, wordt later, in deel zes, duidelijk als Leo Sabarski met een vriendin een psychologisch gedachtenspelletje speelt. Sabarski vraagt haar namelijk zich voor te stel/en dat ze door een bos loopt en te vertellen wat ze ziet...

Ik legde met opzet niet uit wat dat kleine meisje in het bos deed. Ik had de oude vrouw over haar kunnen laten dromen, maar dat heb ik niet gedaan. Het is enkel een scène; geen droom, geen flashback, niets letterlijks... Net als de omslagen. Dat zijn geen eenduidige scènes, maar een soort filters. Als je de alledaagse dingen van die vrouw in het vierde deel ziet, het lopen door haar flat en het koken van haar avondeten, zie je dat door de filter van het omslag en het verhaal van dat meisje. Die geven een vreemd, licht onwerelds gevoel. Maar ze staan niet met elkaar in verband, ze raken elkaar niet, ze staan los van elkaar. Je ziet het een min of meer door het ander. Tegen het einde van het boek zullen ze een beetje meer door elkaar lopen, maar niet veel. Ik hoop dat de implicatie zal zijn dat er overal magie is. Dat is een zin die ergens staat, of die voor een advertentie voor Cages is gebruikt, there's magic everywhere. Het is alleen een kwestie van verschillende gezichtspunten. Sommige mensen zullen enkel een paard in een wei zien, terwijl voor anderen "een wit paard in een wei" een geweldige symbolische waarde kan hebben en op dat punt in hun leven iets heel dieps kan betekenen. Het is niet waar en het is niet onwaar, het is afhankelijk van persoonlijke waarneming.
Ik kan geen boek schrijven dat maar op één bepaalde manier te begrijpen is en tegelijkertijd in dat boek iets zeggen over het idee van persoonlijke waarneming. Ik breng een groep scènes samen, een verzameling dingen die met elkaar te maken hebben en samen weerklinken, en hoop dat verschillende mensen er verschillende dingen mee zullen doen.

Cages is, net als Ruis, goed te lezen als een verhaal over het belang van creativiteit. Er wordt over de totstandkoming van de betekenis van menselijke creaties gefilosofeerd en het is ook geen toeval dat belangrijke personages schilder, schrijver, dichter of journalist zijn.

Creatief zijn is wat mijn leven zinvol maakt. Ik ben geen religieus persoon, ik geloof niet in God, ik geloof niet in een leven na de dood. Ik geloof dat dit het is. Wanneer je dat inziet, moet je iets anders vinden om je aan vast te houden. Iets dat je 's morgens uit bed krijgt. Sommige mensen vinden dat in hun werk, in hun persoonlijke ervaring, of in hun familie. Voor mij is het creativiteit. Met Cages wil ik proberen het publiek te betrekken bij een bedachtzaam verhaal over bedachtzame mensen. Hopelijk kan ik ook wat spelen met het medium en de verwachtingen van het publiek. Ook wil ik het over een aantal zaken hebben, zoals de dood, wat tegen het einde naar voren komt. Dat is een groot onderwerp voor mij, net zoals - direkt ermee verbonden - waarom mensen in dingen geloven. Kerkelijke geloven, persoonlijke geloven, of wat dan ook. En ik wil het hebben over creativiteit, omdat dat mijn eigen geloof is. Bovendien wil ik een paar regels breken en een paar mensen amuseren... Eigenlijk wil ik niet veel meer dan mensen aan het denken zetten. Het is deprimerend dat de meeste strips helemaal niet van je verlangen dat je nadenkt. Ze verlangen alleen maar van je dat je gaat zitten. They Just buzz you, zoals televisie, het komt alleen maar op je af. Ik vind dat eigenlijk erg beledigend voor het publiek. Het doet het publiek geen recht. Ik denk dat dingen net zo boeiend en zelfs veel boeiender kunnen zijn als ze je er op een of andere manier bij betrekken. Als ze je aan het denken zetten, door andermans ogen laten kijken, dingen anders laten zien; fundamentele dingen, dingen die elke schilder of filmmaker heeft geprobeerd te doen.
Als mensen vertellen dat ze mijn tekeningen zo mooi vinden, doet me dat ook nooit zoveel. Het enige dat ik hoop is dat ze vat kunnen krijgen op datgene waar de tekeningen over gaan. Voor mij heeft dat alles te maken met abstracte eigenschappen, de abstracte tekens. de kwaliteit van de lijn. Ik voel dat echt als iets dat erg wezenlijk is voor het tekenen, maar dat tevens volledig afwezig is in strips. Ik weet uit mijn gesprekken met collega-striptekenaars hoe moeilijk het is om dat over te brengen. Uiteindelijk moeten we altijd gewoon erkennen dat we "iets anders" willen. Ik probeer het nadrukkelijk niet te laten klinken als een kleine club, als "zolang je het begrijpt ben je oké". Het is gewoon een bepaalde schoonheidsopvatting die ik deel met een groep mensen. En ik geloof niet alleen dat het klopt, maar dat het datgene is wat me het diepste raakt, de abstracte kwaliteiten van dingen. Als dat je niets zegt, dan zegt het je niets en dan maakt het ook niet uit hoeveel dingen ik je laat zien, aangezien ik je dan toch niet zal overtuigen. Het enige dat ik kan proberen om je uit te leggen waarom ik bijvoorbeeld deze dingen (wijst naar covers, red.) mooi vind, is door het in Cages te doen. Sommige mensen pakken het op, veel mensen niet.

Het personage Jonathan Rush heeft een controversieel boek geschreven en leeft in verborgenheid. Over de overeenkomst met Salman Rushdie kan bijna geen twijfel bestaan, hoe nadrukkelijk dat ook voorin elk deel ontkend wordt: "any similarity... is purely coincidental and should not be inferred". Wat is het verband tussen de Rushdie-affaire en Cages?

Het was gewoon iets dat in die tijd gebeurde en dat me echt versteld deed staan. Ik had geen reden om me persoonlijk bedreigd te voelen, maar je vroeg je wel af wie de volgende zou zijn. Het was een heel krachtige gebeurtenis die al mijn zorgen over fanatisch geloof naar boven bracht. Het was absoluut tegengesteld aan mijn personage van de artiest die in creativiteit gelooft. Het is een anti- creatief geloof, zodat het - los van mijn eigen woede en mijn wil er iets over op papier te zetten - erg goed in het verhaal paste.

Tegenover de creativiteit staat de vergankelijkheid, de dood, het absolute einde. De dood roept fundamentele vragen op over het menselijk leven en de waarde van het creatieve produkt. In Ruis werden de films van een filmregisseur geplaatst tegenover zijn eindigende leven. In Cages is het vooralsnog minder duidelijk, maar ligt het idee van begrenzing al wel in de titel besloten.

Ik probeer iets te vinden om greep op te krijgen, dat wil zeggen iets om over te vertellen. Ik heb eigenlijk een erg alledaags leven gehad. Ik ben niet in een concentratiekamp of een oorlogsgebied opgegroeid, of iets dergelijks. Wat me wel overkwam, is dat mijn vader stierf toen ik jong was. En dat is me altijd op een of andere manier bijgebleven. Ik heb altijd dit gevoel van sterfelijkheid om me heen gehad. Het is niets negatiefs. Het klinkt erg morbide, maar dat is het niet. Het is juist erg motiverend en positief. Het maakt dat je geen illusies hebt. Het motiveert je je ideeën op papier te zetten en dat is het belangrijke: dat je het gewoon doet.

Dit artikel is gebaseerd op een interview door Bart Pinceel en Erik Lesire, dat plaatsvond op 20 november 1992, toen McKean bezig was aan het zevende deel van Cages. De kans dat Cages, omvangrijk en deels in kleur (dus duur om te drukken), in het Nederlands zal verschijnen is helaas zo goed als nul. De losse Engelstalige deeltjes zijn in de meeste stripwinkels nog wel te koop. Vertaling en bewerking: Toon Dohmen.