De verstilde beelden van Moesashi

In 1985 verschijnt in het Nederlandse taalgebied een vertaling van de roman Miyamoto Moesashi. De schrijver Eiji Josjikawa heeft zijn boek gebaseerd op het leven van de Japanse Middeleeuwse volksheld Moesashi. Deze historische figuur vervult in Japan eenzelfde rol als Robin Hood, Tijl Uilenspiegel en Wilhelm Teil binnen de diverse Europese kulturen vervullen: hij is het symbool van de waarden die binnen zijn kultuur hoog worden aangeslagen. Josjikawa's zwaarlijvige roman verkoopt matig en beleeft een roemloos einde in een opeenvolging van uitverkopen.

In 1991 komt het stripalbum Moesashi uit, het eerste deel van wat een serie van drie delen zou worden. De tekenaar is Bert van der Meij, die bij de vers tripping van de roman bepaald niet zachtzinnig met de stof is omgesprongen. Het resultaat is verwarrend, raadselachtig, soms ondoorzichtig maar altijd intrigerend. Vorig jaar is het laatste deel uitgekomen. De afronding van de trilogie lijkt het juiste moment om de stripauteur om opheldering en toelichting te vragen.

Wat trekt je zo aan in het boek Moesashi?

Jaren geleden heb ik het boek geleend van een vriend. Ik vond het toen een fantastisch verhaal. Kort geleden heb ik het weer gelezen, maar nu vind ik het, eerlijk gezegd, een bizar boek. Het is nooit een bestseller geworden in Nederland en dat kan ik me best voorstellen. Het is zo'n soapstory. Je moet steeds terug lezen om te weten wie bij welke naam hoort.
Maar als sommige scènes in een verhaal sterk zijn, dan is het voor mij aantrekkelijk om er een strip van te maken. Om die scènes bouw ik mijn verhaal. Daar is het mij om te doen; die komen in de Moesashi-strip terug. Scorsese heeft ooit gezegd dat hij het zat was om al die tussenliggende, verklarende gedeeltes te filmen. Hij wilde wel eens een film maken met enkel de hoogtepunten. Dat herken ik. In de roman zit een aantal ontzettend mooie scènes. Daarom heb ik me op die scènes geconcentreerd.

Wat is er dan zo mooi aan die scènes?

Dat is moeilijk uit te leggen. Je hebt op een gegeven moment een zwaardgevecht in de sneeuw. Moesashi en zijn tegenstander staan tegenover elkaar, klaar om toe te slaan. Daarbij blijven ze zo bewegingloos dat de sneeuw op het zwaard blijft liggen. Dat verstilde vind ik prachtig.
Toen ik met Moesashi begon, ben ik bij een kendo-school gaan kijken. Als de leerlingen met elkaar vochten, werd er heel veel gehakt. Net als bij van die vervelende riddergevechten. Maar als de leraar met een leerling vocht, was het heel verstild. Wanneer ze dan eindelijk in beweging kwamen, was het in twee of drie slagen afgelopen. Dat vind ik mooi. Ook bij Moesashi wordt de slag op het mentale vlak uitgevochten. Hij weet vaak van te voren al of hij wint of niet. Je leest ook hele beschrijvingen van wat er in het hoofd van hem en zijn tegenstanders omgaat. Het gaat uiteindelijk om de geest, niet om de techniek. Van Moesashi is bekend dat zijn techniek niet zo geweldig was. Toch won hij.
De manier waarop Moesashi zwaardtechnieken bestudeert, is merkwaardig. Je zou verwachten dat hij een jaar lang leerling wordt bij een school. Maar niks hoor. Hij daagt de besten uit, vecht met ze en dan weet hij het. Na één keer heeft hij het door! Misschien hadden die samoeraïs de basis zo goed onder de knie dat ze meteen zagen wat het bijzondere was. De meeste dingen die ik doe heb ik mezelf aangeleerd, want ik geloof dat je je eigen weg moet zien te vinden. Ik jat overal van- daan. Die Japanse families ontwikkelden hun stijlen op dezelfde manier. Een verver zette een handeling uit de ververij om in een zwaardvechttechniek. Voor mij is dat heel logisch; gebruik maken van datgene dat aangereikt wordt. Ik vind het mooi als mensen een passende eigen stijl hebben. Ik heb aan vechtsporten gedaan en het was opvallend dat bij mij de Indonesische technieken niet pasten. Ik ben stijf en lang. Lange, stijve mensen moeten geen Indische stijl aanleren. Dat kun je zien, dat past niet. Met dansen is dat net zo. Bij tennis en squash gebruik ik bijvoorbeeld veel van Moesashi's technieken. Maar dat is moeilijk om te beschrijven, daarom doe ik het door middel van verhalen. Net zoals oosterse zenmonniken doen. Er zit een moraal in hun verhalen, maar als het uitgelegd wordt, wordt het veel te moralistisch. Dat is niet de bedoeling, want het zijn gewoon verhaaltjes waar je wat in kunt herkennen. Dat is ook wat me in het boek trekt.
Je leest in sportverslagen van schaakpartijen en tenniswedstrijden dezelfde details als bij de gevechten van Moesashi. Bij tennis lassen dames bijvoorbeeld op taktische momenten een plaspauze in om de concentratie van de tegenstandster te breken en schaakgrootmeesters zitten met spiegelende brillen op om de tegenpartij te tergen. Moesashi komt ook altijd te laat voor zijn duels.
Ik heb een boek in huis dat door Moesashi zelf geschreven is. Daarin legt hij het verschil uit tussen houwen en snijden. Snijden is beter, het is mooier. Volgens hem moeten handen, voeten en hoofd in één beweging afgesneden worden. Hij raadt ook aan om hierop te oefenen. Het voordeel van de strip is dat je iets kunt laten zien zonder moeizame omschrijvingen. Op een gegeven moment is er in het boek een man die zich op Kodjiro wil wreken (Kodjiro is Moesashi's tegenpool die zowel in het boek als in de strip een grote rol speelt - Red.). Bij hem wordt een stukje uit de nek geslagen ter grootte van een perzikstukje. Moesashi kijkt ernaar en kan aan de gebruikte techniek zien dat Kodjiro dat heeft gedaan. Hij noemde het de zwaluwstaartslag. Dat klinkt heel verfijnd.

Het karakter van Kodjiro lijkt in jouw strip helemaal niet op het personage uit het boek.

In het boek komt zijn karakter niet duidelijk naar voren. Hij heult en slijmt met iedereen, maar hij en Moesasji zijn geen echte vijanden. Het is niet wit en zwart. Telkens komen ze elkaar tegen. Soms neemt Kodjiro het voor Moesashi op, beschermt hem of eist hem voor zichzelf op. Kodjiro is niet echt een slechterik.

Nee, maar ook niet de geheimzinnige achtergrondfiguur zoals in jouw strip. In het boek is het nogal een blaaskaak.

Ja, dat heb ik eruit gehaald. Ik heb Kodjiro zo vereenvoudigd omdat het, naar mijn idee, anders veel te ingewikkeld werd voor een strip. In een strip moet je veel schematischer vertellen. Je hebt veel minder pagina's. Ik heb driekwart van de figuren uit het boek weggelaten, gecombineerd of vereenvoudigd. Het is triest, maar zelfs in drie albums kon ik niet de diepgang of de nuancering aanbrengen die in het boek zit.
Een boek kun je niet zonder meer verfilmen of verstrippen, want in een roman kun je veel meer kwijt. Een film duurt maar 2 uur en een stripboek is veel dunner. Ik vind het dus belangrijk dat ik de sfeer weet te pakken. Ik heb de twee belangrijkste vrouwen uit het boek tot één karakter samengevoegd. Otsoe die het hele verhaal achter z'n kont aanloopt, vind ik een trut. Akemi is een fel grietje, die vind ik veel aantrekkelijker. De v.r9uw in de strip heet Akemi. Ze speelt de rol van Otsoe, maar heeft weer het karakter van de Akemi uit het oorspronkelijke verhaal. Het is een rommeltje. Iemand die in het boek Akemi of Otsoe aantrekkelijk vindt en het gegeven mooi, komt bij mij bedrogen uit.

In het boek is ook een belangrijke rol weggelegd voor een oude vrouw, Osoegi, die zich ontpopt tot Moesashi's persoonlijke kwelduivel. Waarom is zij voor de strip geschrapt?

Ik had haar niet nodig. Zij is een van de vele personages uit het boek die in de strip niet voorkomen.

Ze speelt in het boek toch een vrij cruciale rol.

Haar zoon Matahatsi komt evenmin in mijn albums voor. Zijn verloofde is Otsoe die met Moesashi mee gaat, wat ma Osoegi niet zint. Dat is al een roman op zich. Daarnaast is er Moesashi's persoonlijke ontwikkeling. Ik heb voor die laatste verhaallijn gekozen, al neem ik wel enkele subplots mee. De roman zit vol subplots en dubbele verhalen. Die liet ik voor een groot deel weg om het zo helder mogelijk te houden. Ik denk dat er in het oorspronkelijke boek bij elkaar wel tien verhalen door elkaar heen lopen. Zijn twee leerlingen komen bij mij ook niet aan bod.
Bijna alle namen heb ik veranderd. De man die in het boek Seidjoero heet, heet bij mij Hatasan. Ik ontdekte dat de mensen de namen niet zo goed konden onthouden. Met de naam Hatasan lukt dat beter dan met Seidjoero. Het woord haat zit erin, iets zwarts. Zo kan ik hem herkennen. Het zijn trouwens twee broers die nu in één personage zitten. Alleen Moesashi's leermeester Takoean blijft overeind. Die man vind ik heel interessant. Hij is een heel beroemde zenpriester, maar slaat alleen maar onzin uit. Hem heb ik wel geprobeerd enigszins heel te laten, maar het moet toch vereenvoudigd worden om het nog te kunnen snappen. In het boek komt hij regelmatig terug. In de strip ook, maar dan op plaatsen waar ik het een mooi moment vind om hem als handelend personage op te voeren. Alles om het verhaal duidelijk te houden.
Je zegt dat het verhaal duidelijk moet blijven. Waarom gebruik je dan zo weinig tekst?
Ik weet niet of meer tekst de duidelijkheid zou vergroten. Dat is in mijn strips vaak een teer punt. Mijn personages praten altijd weinig. Soms is tekst noodzakelijk, maar als het zonder uitleg kan, dan laat ik het achterwege. Ik vind het sterker als ik via de tekening iets duidelijk kan maken. Soms kan tekst nodig zijn om het minder afstandelijk te maken. Als Moesashi op z'n gemak is, gaat hij een beetje babbelen of laat hij zien wat een respect hij voor een ander heeft. Maar ik waak er voor dat hij allemaal oosterse wijsheden uit gaat kramen. Dat zit ook niet in het boek.

Op een gegeven moment treft Moesashi in een kloostertuin een oude monnik aan, die staat te schoffelen. Als hij hem nadert, voelt hij plotseling een grote dreiging die, vreemd genoeg, van de oude man lijkt te komen. Zo'n scène is toch eigenlijk niet in stripvorm te gieten zonder veel tekst en uitleg?

Het dilemma is welke scènes ik aantrekkelijk vind en welke belangrijk zijn voor het verhaal. In het boek is dat fragment belangrijk omdat die monnik Moesashi later onderricht geeft en hem vertelt dat hij zijn kracht teveel gebruikt. In mijn strip komt hij niet meer terug, dus ik had dat fragment eigenlijk niet nodig. Maar die scène vind ik zo mooi. Moesashi is altijd op zijn hoede. Die tuinierende monnik lijkt volstrekt ongevaarlijk. Toch voelt Moesashi het anders. Hij is op weg naar monniken in dat klooster, die zich hebben bekwaamd in het lansvechten. Terwijl de kampioen daarbinnen iedereen door midden snijdt en hakt, is hij bang voor die oude monnik. Het blijkt dat hij uiterlijk vertoon kan onderscheiden van het werkelijke gevaar. Dat vind ik mooi aan dat fragment, al weet ik niet of dat er in mijn album ook uit komt. Dat weet je zelf natuurlijk nooit.
Het was een weerkaatsing van Moesashi's eigen agressie. Het lijkt me moei/ijk om dat in een strip duidelijk te maken. Heb je dan niet de neiging om tekst te gebruiken?
In die verleiding kom ik wel. Ik laat me daarin leiden door de reak- ties van mijn broer. Hij is de eerste op wie ik mijn werk test. Hij is een geestverwant van mij en reageert op dezelfde manier als ik op boeken en films. Als ik aan een verhaal heb gewerkt, kan ik het natuurlijk niet meer onbevangen lezen. Ik kan nooit zien of iets werkt, want ik weet al wat de bedoeling is. Daarom laat ik het mijn broer lezen. Dat zegt niets over mijn publiek, hij reageert immers net als ik. Een eventuele doelgroep die ik zou willen bereiken, toets ik weer later. Bij mijn broer kan ik merken of alles een gelijk toegankelijkheidsniveau bezit. Er moeten niet te grote uitschieters in zitten. Als er drie scènes inzitten die onbegrijpelijk zijn, haken de mensen af. Als mijn broer het niet begrijpt, maak ik het toegankelij- ker. Dan voeg ik tekst toe. Nadat ik het mijn broer heb laten lezen, vraag ik de mening van een aantal vrienden. Terwijl ze lezen Iet ik op hun reakties en vraag hun oordeel. Tenslotte stuur ik het ook nog naar mensen als Mat Schifferstein en Martijn Daalder. Als het om de Pinguins gaat, is de mening van lezers nog belangrijker, omdat ik wil dat mijn grappen overkomen. Wordt een grap door een aantal mensen niet begerepen, dan haal ik hem eruit of verander wat. Je wordt bij de verstripping van Moesashi extra nadrukkelijk met de nadelen van het medium geconfronteerd omdat je zo weinig tekst gebruikt.
Ja, In die scène met de schoffelende monnik gebeurt het meeste in de hoofden van de personages. In een boek kun je schrijven wat ze denken. Maar gedachtenwolkjes in een strip zijn voor mij vrijwel uitgesloten. Het is niet eigen aan het medium. Lian Ong denkt daar ook zo over. Ik gebruik wel eens een voice-over, een balkje met een korte tekst. Maar het best zijn de visuele middelen. In de strip kun je het beeld stil zetten door het plaatje te herhalen, al dan niet met variaties. Als iets langer duurt, krijgt het zeggingskracht. Ik wil de lezer laten zien dat er iets aan de hand is. Een close-up kan ook zo werken. Een gedachtenwolkje is een zwaktebod.

En tekstblokken zoals in de strips van Toonder, Kresse en Foster?

Nee, daarmee splits je het medium. Die strips vond ik vroeger ook nooit leuk. Het was te illustratief. Ik ging altijd het verhaal lezen en keek dan ook een beetje naar de plaatjes. Maar die lopen dan niet meer. In eerdere albums gebruikte ik weleens een summier tekststrookje boven de tekening, zoals in de strips van Hal Foster. Maar het moet tot een minimum beperkt blijven. Met twee regels heb ik al moeite. Dan ga je teveel lezen. Er moet een balans zijn tussen tekst en tekening. Als ik een tekststrook gebruik, mag er in de tekening niet teveel gebeuren.
Ik houd van helderheid. Ik ben ook erg geïnteresseerd in communicatie. Ik vind het prettig om helder te kunnen communiceren. Soms besef ik dat niemand snapt wat me echt bezielt. Af en toe halen mensen ideeën uit mijn albums die me verrassen. Dus moet ik zo helder mogelijk proberen te zijn.
Wat mij tegen staat aan een hoop hedendaagse kunst is dat het niet meer communiceert. Ik ben met vrije beeldende kunst gestopt omdat het me wat al te vrij was. Iedereen zag er wat anders in. Dat is best zolang er niets met het kunstwerk wordt bedoeld. Maar als ik iets over wil brengen, vind ik het belangrijk wanneer andere mensen dat ook begrijpen en herkennen. Als ik strips teken wil ik altijd iets over brengen. Hoe vaag ook, ik heb het altijd ergens over. Moesashi gaat niet alleen over techniek, maar ook over kwaliteit. Maar als ik dat onomwonden weergeef, is voor mij de lol van het vertellen weg. Ik besef heel goed dat mijn albums vaak moeilijker zijn dan veel andere stripverhalen. Ik weet wel dat ik een aantal dingen simpeler zou kunnen vertellen, maar dan zou het ook minder diepgang krijgen. Ik wil niet teveel uitleggen. Ik ben bang dat mensen mijn bedoeling te gemakkelijk begrijpen, waardoor het plat wordt. Het gevaar van mijn terughoudende vertelvorm is echter dat de lezers de bedoeling niet meer snappen. Zo is het ook met zo'n scène als die met de schoffelende monnik. Als ik teveel uit ga leggen, beroof ik de scène van zijn oorspronkelijke kracht.

Als de lezer het niet snapt, heeft het ook geen effect.

Dat is waar. daar moet ik dus altijd voor oppassen. Maar die ingewikkelde manier van vertellen is de reden waarom ik mijn albums maak. Als ik mijn verhalen zou moeten vereenvoudigen of alles zou moeten voorkauwen, zou ik stoppen met strips maken. Die indirekte manier van vertellen is voor mij de kick van het strips maken. Als jij mijn huis binnenkwam terwijl ik er niet was dan zou je je toch een aardig beeld van mij kunnen vormen, door de inrichting van mijn kamer. Dat doe ik in een verhaal ook; het huis beschrijven om een beeld van de bewoner te geven.

Vergeleken met het vervolg op Hooglied, waar ik nu aan werk, is Moesashi conventioneel verteld. Tussen het tweede en derde deel werkte ik ook aan die andere verhalen en die vond ik eigenlijk leuker. Moesashi werd toen meer een vingeroefening in het goed vertellen van een verhaal. Die drie albums vind ik vrij vloeiend verteld: chronologisch en niet van de hak op de tak. Is dat een bewuste keuze?

Ja, bij Moesashi heb ik gekozen voor een enigszins toegankelijke vorm van vertellen. Dat betekende dat ik het niet te ingewikkeld mocht maken. Vanaf het eerste deel is het kader voor alle delen van de serie bepaald. Ik had voor een meer bizarre manier van vertellen kunnen kiezen. Ik had het over zwaardvechten kunnen hebben met alleen toepasselijke scènes en alles wat daar omheen gebeurt kunnen weglaten. Dan was het veel ontoegankelijker geworden. Ik stel me voor dat meer mensen het nu kunnen volgen, ook al snappen ze het gedeelte over het zwaardvechten, waar het mij om gaat, niet.

Is je houding ten aanzien van Moesashi in de loop van de tijd veranderd?

Nu ik er op terug kijk, is Moesashi een stuk minder extreem, en minder eigen ook. Het is verder van me af gaan staan. Maar ik vertel het verhaal niet alleen voor mezelf. Er moet een balans zijn tussen toegankelijkheid en mijn persoonlijke voldoening. Bij mij speelt altijd de vraag hoe persoonlijk ik het ga vertellen. Moesashi heb ik leesbaar willen maken. Dat vond ik al heel wat; het zo vertellen dat het te volgen was. Ik weet niet of uit mijn strip te halen is, wat het boek wil vertellen en dat pretendeer ik ook niet. De scène met die afgesneden roos is b! voorbeeld linke soep. Daarin stuurt een beroemde samoerai zijn uitdager een roos. Niemand begrijpt het, alleen Moesashi ziet dat de roos is afgesneden met een zwaardslag die van een zeer verfijnde techniek getuigt. Door de steel van de roos een rafelig einde te geven, maak ik het heel plat. Daar zit ik op de grens van het toelaatbare. Maar het heeft tenminste iets grijpbaars waarmee je de essentie van die scène kunt laten zien. Hoewel je de tekening van dat steeltje alleen in zijn context kunt snappen. Maar dat is typisch strip. Zo vertel je het in een stripverhaal en minder plat kan niet. In de roman zitten ook rare scènes. Als hij de boodschap met die roos heeft begrepen gaat hij toch naar die man toe om herrie te schoppen! Waarschijnlijk is het de Japanse denkwijze die ik niet snap en is het alleen voor hen logisch. Het is óf dat, óf het is historie. Als met fictie de geschiedenis wordt gevolgd, dan worden bepaalde scènes zwak opdat de werkelijkheid geen geweld aangedaan wordt. Bij de verhalen van Paul Teng zie je dat ook. Die jongen is zo historisch bezig dat dat ten koste gaat van de dramatiek.
Ik ben naar het andere uiterste doorgeslagen want het gaat mij om de dramatiek, om het effect van een scène, niet om de juiste historische weergave. Bepaalde effecten bereik je alleen door een uitvergroting van de werkelijkheid. Moesasji is een historisch figuur die echt heeft bestaan, maar ik wens mij daar niet aan te storen.

Je hebt Moesashi heel tijdloos gemaakt en elke historische context weggelaten.

Dat heb ik bewust gedaan om de dramatische opbouw niet in de weg te zitten. Ik mag graag fragmenten van een boek achterop mijn albums zetten als een soort verwijzing. Die verwijzingen uit de geschreven Moesasji zijn vaak niet de scènes uit mijn strip, of geven het afwijkende van de oorspronkelijke tekst weer, zoals bij dat duel in de sneeuw. In het boek blijft alleen op het zwaard van Moesasji sneeuw liggen, de ander is te nerveus. Bij mij blijft op beide zwaarden sneeuw liggen. Daarmee wil ik eigenlijk aangeven dat het niet allemaal waar is wat er wordt beschreven. Het is geromantiseerd en ik vind dat belangrijk om aan te geven. Denk vooral niet dat het waar gebeurd is. Paul Teng suggereert dat wel. hij vind het heel belangrijk. Voor mij is dat ondenkbaar. Ik geloof ook niet in objectiviteit. Je kunt iets niet objectief vertellen. Dan moet het verhaal ook maar zo vet mogelijk aangedikt worden.

Brachten de afwijkingen van de oorspronkelijke verhaallijn je niet in de problemen bij het maken van het laatste album?

Nee. Het enige probleem in dat album was het einde. In de roman vind ik het einde zeer onbevredigend. Het gaat nergens heen. Het was mij direkt duidelijk dat ik het zo niet kon laten eindigen. Die laatste ontmoeting met Kodjiro moet voor mijn gevoel wel ergens heen gaan. Gewoonlijk maak ik bij mijn strips een spanningsboog van het begin naar het einde. In de Moesashi-strips lukt dat niet.
Het zijn te veel min of meer losse delen van een verhaal. Maar het laatste deel wilde ik niet zo maar laten eindigen, het moest wel af zijn. Daar kwam ik weer in botsing met de historische werkelijkheid die aan de roman ten grondslag lag. Na de beschreven episode doet de held nog allerlei verkeerde dingen. Zo gaat dat in het leven. Maar verhalen die verteld en herverteld worden, worden steeds mooier gemaakt. Dat mag met mijn verhaal ook. Het moet een beetje mythisch worden. Ik gebruik ook graag clichés. Het doorklieven van vliegen met een samoeraizwaard ligt in dezelfde orde van grootte als Robin Hood die met zijn schot een pijl in de roos splijt. Iedereen weet dan meteen dat er iemand op hoog niveau bezig is. Naarmate je duidelijker een cliché gebruikt, kun je het meer uit de context halen. Net zoiets als een man in het wit en een man in het zwart. Zaken die wat genuanceerder liggen, zijn moeilijker weer te geven.
Een probleem was, dat ik het zo moeilijk vond om me met Moesashi te identificeren. Dat hij in het boek een onervaren jongen het hoofd afhakt, vind ik bij voorbeeld maar moeilijk te verteren. Dat kan niet. Volgens mij is die daad gegrond op een Japanse logica. In mijn strip is hij meer een heilige. Hij doet nette dingen en hanteert ook het zwaard bijzonder netjes. Die gekke etiquette en dat vreemde eergevoel zijn voor een westerling moeilijk te begrijpen.

Maar wel fascinerend.

Ik houd er niet van. Van die paar Japanse films die ik heb gezien, snap ik over het algemeen geen reet. Alleen de films van Kurosawa kan ik wel waarderen, maar die heeft zich al flink aangepast aan de westerse smaak. De Italiaanse regisseur Sergio Leone heeft enkele van Kurosawa's films letterlijk vertaald in westerns en die waren beter invoelbaar dan de oorspronkelijke rolprenten. Later leende Kurosawa weer van Leone. Ik vind die mengvormen interessant. Japanse films en Afrikaanse muziek kan ik niet volgen, maar als ze Westerse invloeden ondergaan, vind ik het meteen aantrekkelijker worden. In Japanse films wordt aldoor overdreven gespeeld. Voor hen is dat goed acteren. Bij ons mag je emoties niet te veel tonen, dus moet er ook onderkoeld gespeeld worden. Dat wordt gewaardeerd, terwijl ik me kan voorstellen dat een Japanner er geen brood van kan bakken. Mat Schifferstein, mijn uitgever, wil heel graag een album van Moesashi naar Japan sturen. Het is het proberen waard, maar volgens mij snappen ze er niets van. Ik heb een film van Hitchcock gezien die in Nederland speelde. Het zat vol Portugese windmolens en Duits sprekende figuranten, maar voor de Amerikanen was het Nederland. Volgens mij is mijn boek net zo. Ik documenteer me nauwelijks. Voor een westerling oogt het misschien Japans maar voor een Japanner is het ongetwijfeld onzin. Maar ik schrijf het ook niet voor Japanners. Ik weet niet hoe een Japanner denkt. Ik weet niet eens hoe een Nederlander denkt.

Zijn die Japanse karakters in de strip echt?

Nee. Het zijn wel bestaande lettertekens, maar ik weet niet wat ze voorstellen. Ik kies ze meestal uit op esthetische gronden en soms om de symbolische waarde. Bij actie gebruik ik vaak een druk, ingewikkeld karakter. Maar als er veelzeggend gezwegen wordt, teken ik een horizontaal streepje, een karakter waarvan ik vind dat het stilte of rust voorstelt. Ook dat is een keuze. Bij het derde boek wilde ik het eerst laten vallen. Maar om de eenheid in de serie te houden, ben ik het toch blijven doen. Ik wilde dat het er, bij het openslaan van het boek, Japans uit zou zien, alsof de personages echt Japans spreken.
Bovendien vind ik dat de pagina's er mooi moeten uitzien. Ik werk er altijd wel naar toe dat het oogt. Dat vind ik bij Theo van den Boogaard zo knap. Hij is bezig met de compositie terwijl hij toch zo goed mogelijk een verhaal wil vertellen. Als je een pagina opslaat moet het harmonieus zijn en bovendien moet er een verhaal verteld worden. Als een strip te esthetisch is, lukt dat echter niet. Hermann en Giraud kunnen prachtig tekenen en toch leidt het niet af van het verhaal. In eerste instantie dacht ik van Boucq dat hij niet kon tekenen, terwijl ik zijn verhalen prachtig vond. Pas bij nadere beschouwing ontdekte ik dat hij verschrikkelijk goed kan tekenen. Maar het is totaal niet pretentieus. Het werkt goed. Het zijn echte mensen die rond lopen in een bizarre context. Dat is heel knap.
Voor Moesashi moest ik proberen een beetje beter te tekenen. Ik ben niet zo'n tekenaar. Mijn grote probleem is dat natekenen mij wel aardig afgaat. Als ik mijn hand nateken in de spiegel, moet ik dus oppassen dat ik het niet te goed doe want de figuren die ik verzin zien er gestileerder uit. Wat ik verzin ziet er anders uit dan wat ik nateken. Als ik aan Moesasji een nagetekend handje maak, ziet het er raar uit. De stilering valt tot op dat moment niet op. Ik vind het best als iets anatomisch niet klopt als het maar konsekwent niet klopt. Een tekening die in kwaliteit afwijkt van de rest, valt enorm op en is storend. Die Jeremiah-voorplaten zijn verschrikkelijk want Hermann kan niet schilderen. Dat valt op omdat zijn tekeningen veel beter zijn.

Het houterige in je tekeningen vind ik eigenlijk wel mooi.

Houterig is het goede woord. Het zijn een beetje stijve mensen. Als ik een heel secure tekening wil maken, valt het niet op zijn plaats. Het is prima dat alles een beetje houterig is, zolang het maar niet stoort. Daarom moet het voor alles konsekwent zijn. Gelukkig is het laatste deel van Moesashi tijdens de Stripdagen uitgekomen. Ik had het in januari al af. Als het is getest en rondgestuurd dan is het voor mij voorbij. Ik denk er dan ook niet meer aan, ik ben met andere dingen bezig. Ik vond Moesashi leuk om aan te werken, maar ik heb er mijn hart niet aan verpand. Het was ook nooit de bedoeling dat het een serie werd. Het is een beetje uit de hand gelopen. Ik snap nu ook dat Giraud na een tijd de balen van Blueberry kreeg.

Ben ie tevreden met deze serie?

Mat vindt mijn boeken maar matig. Maar een aantal scènes vindt hij zo goed, dat hij daarom maar het hele boek uitgeeft. Dat vind ik prima, als de helft overkomt is het al goed. En als er één scène is die op de lezer precies dezelfde indruk maakt als het op mij maakte, dan is het ook goed. Iemand heeft eens gezegd dat als emotie wordt omgezet in een medium en dat medium weer dezelfde emotie oproept, het doel is bereikt. En zo is het. Dat vind ik het mooiste. Emoties, daar leef ik op.
Jef Nieuwenhuis