Martin Lodewijk: schepper van werelden

De Stripschappenning die Don Lawrence dit jaar uitgereikt kreeg heeft hij voor een belangrijk deel te danken aan de stripreeks Storm. De kwaliteit van deze serie is te danken aan de perfekte samenwerking van de tekenaar met scenarist Martin Lodewijk. Diens rol in de naoorlogse stripkultuur is moeilijk te onderschatten.

Niet alleen is hij de belangrijkste schepper van Storm en maker van Agent 327, ook is hij scenarist (geweest) voor uiteenlopende tekenaars als Daan Jippes, Dino Attanasio, Jan Kruis, Bart van Erkel en Eric Heuvel en kan hij zich de geestelijke vader noemen van striphelden als De Kat, Johnny Goodbye, Zetari en Bernard Voorzichtig. Merkwaardig genoeg zijn Lodewijks scenario-aktiviteiten altijd relatief onderbelicht gebleven. Hoog tijd dus voor een gesprek over karakters, besloten universa en de rol van de stripschrijver.

Toen ik belde voor een afspraak, noemde je als onderscheid tussen karikaturale en realistische strips dat in komische strips serieuze stukken zitten en dat in serieuze strips grappen voorkomen. Zo eenvoudig is het toch niet? Storm kan niet hetzelfde doen als Agent 327.

Hij kan niet hetzelfde doen omdat hij een ander karakter heeft en niet hetzelfde leven leidt. Dat wordt beïnvloed door de vorm van het verhaal, het onderwerp en de stijl van de tekenaar. Een van de beste voorbeelden van wat stijl kan doen, is een scène uit het Kuifje-album De zwarte rotsen. In dat fragment probeert Kuifje van een muur op een rijdende auto te springen. In de allereerste zwart- wit versie, waarin het tekenen - vergeleken met de latere albums - nog vrij rudimentair was, kan dat nog. Lambiek en Nero gaat zoiets natuurlijk veel makkelijker af. Die belanden voor zoiets niet voor een half jaar in het ziekenhuis. Bij Kuifje kon het maar net. Jaren later zijn de oude albums door Bob de Moor hertekend op basis van veel foto's en een uitgebreide dokumentatie. Prompt valt de scène uit de toon, het realistisch gehalte van de tekeningen is te hoog geworden. Daarom kan ik Agent 327 op een bepaalde manier van zijn stoel laten vallen, die voor Storm niet mogelijk is. Storm kan natuurlijk wel van een stoel vallen, maar hij akteert anders.

Agent 327 kan ook andere oplossingen bedenken.

Dat ontstaat vanuit de figuur, vanuit een wereld die eigen wetten kent. Ik heb ontdekt dat Agent 327 bepaalde dingen wel en niet kan doen en hetzelfde geldt voor Storm. Agent 327 heeft ook zijn beperkingen. Hij zal nooit vanaf de Euromast een gat in de grond kunnen vallen en dat afdoen met een 'Amaai'.
Dat heeft te maken met het feit dat zo'n karakter leeft. Ik loop dan zelf ook tegen grenzen aan. Ongeveer twintig jaar geleden kreeg ik een lukratieve reklame-opdracht van een sigarenfabrikant. Ze wilden twee strippagina's van Agent 327, waarin Willem Il-sigaren aangeprezen werden. Vanaf het moment dat ik er voor ging zitten, stond ik voor een muur. Agent 327 rookt niet en vindt het zelfs een beetje vies. Ik kon onmogelijk een roker van hem maken en heb de opdracht met pijn in het hart terug moeten geven. Ik ben toen wel onmiddelijk een manier gaan zoeken om die grens te overschrijden. Hij moest een keer roken. In een verhaal over het olympisch vuur is dat ook gelukt, maar zeer tegen zijn zin. In zekere zin dwingt je eigen kreatie zoiets af. Vroeger las ik meesmuilend de verhalen van schrijvers die beweerden dat hun karakters met hen op de loop gingen, maar als het karakter goed is klopt het wel. Net als Onze Lieve Heer maak je Adam en Eva uit klei en, potverdomme, jaren later belazeren ze je.

Heb je vooraf een duidelijk beeld van de hoofdrolspelers in jouw verhalen?

Zoiets groeit. Agent 327 was eigenlijk bestemd voor eenmalig gebruik. Bij Storm was dat anders. Met een paar mensen hebben we een wereld geschapen. We konden niet uit het niets gaan werken, want Don Lawrence was een grote naam en hij bracht te veel mee. Storm moest al bij aanvang kompleet zijn. We dienden een wereld te kreëren, waarover met een beetje goede wil vijftig verhalen geschreven kunnen worden. In het eerste verhaal hielp schrijver Saul Dunn echter de hele wereld al met een grote overstroming naar God. Ik spoog vuur! Wat een lul! Daarna gingen we op zoek naar een andere schrijver maar Don moest intussen wel door kunnen tekenen. Ik heb daarom met Oe laatste vechter een verhaal geschreven dat er later moeiteloos tussenuit gehaald kan worden als er een albumreeks zou komen. Het verhaal eindigde ook op dezelfde plaats als waar het begon. Toen Dick Matena de fakkel overnam, heb ik me teruggetrokken.

Kostte dat geen moeite?

Het is niet altijd leuk in het leven. Er zijn wel meer dingen die moeite kosten. Ik heb me ook nooit bemoeid met de verhalen over Johnny Goodbye die door anderen geschreven zijn. Ik heb fragmenten gelezen uit een verhaal van patty Klein en uit een verhaal van Yves Duval. Uiteraard ging ik over mijn nek, want het was niet wat ik zou hebben geschreven.

Heb je, behalve voor Storm, ook voor de andere series een wereld proberen te kreëren?

Voor de meeste genres heb je zo'n wereld al. Dat zijn half fiktieve en half realistische universa die bijna gesloten zijn. Een cowboystrip kun je haast blindelings maken. Wat er van gemaakt wordt, ligt aan de kreativiteit van de schrijver en de tekenaar, maar de wereld is er. Alle gegevens zijn aanwezig. Je kunt enigszins met de grenzen schuiven, maar de kern ligt vast. Het is een periode van ongeveer twintig jaar tussen de Amerikaanse burgeroorlog en ruwweg 1890. Daarna is het voorbij. Hetzelfde verhaal gaat op voor de tijd van de musketiers, de kaapvaart en uiteraard de drooglegging gedurende de twintiger jaren.
Natuurlijk kun je altijd met de grenzen spelen. Ik heb meegewerkt aan een verhaal, waarin Johnny Goodbye en Howdy tijdens de Tweede Wereldoorlog een avontuur meemaken met Lucky Luciano. De moeilijkheid met een geheel fiktieve wereld is dat je alles zelf moet uitwerken, al heeft dat ook zijn voordelen. Hans Kresse vond de Storm-verhalen vreselijk, want als alles kan is niets meer interessant. Daar had hij gelijk in. Ik probeer daarom zelf beperkingen en grenzen aan te brengen.

En dat terwijl het medium al zoveel beperkingen kent.

Daar ben ik ook een voorstander van. Als er geen hokjes zijn, kun je er niet uitbreken en is er ook geen konflikt. Als grenzen verdwijnen, raakt men op een dood spoor. Dat geldt voor elke kunstvorm. Ik ben altijd het meest geboeid door muziek en literatuur die ingebouwde grenzen kent en daar tegen te keer gaat.
Het is een mirakel in de muziekgeschiedenis geweest dat je op een grammofoonplaat maar ruwweg vier minuten muziek kunt persen. Een half uur preluderen was daarmee gelijk zinloos geworden, want alles moest op de plaat passen. Het aantal van 44 pagina's voor een stripalbum is ook zo'n verrijkende beperking. Hoe strenger de vorm, hoe mooier ik het vind. Zelf ben ik in de loop der jaren ook strenger geworden. Mijn eerste strips kenden vaak platen met veel schuine lijnen. Dat was Amerikaans. Bij Agent 327 begon ik met een vrije regelval: wel vier stroken onder elkaar, maar de grootte van de plaatjes wisselde. Op een gegeven moment ging ik echter terug naar de totale strengheid van de Robbedoes-pagina's: acht plaatjes op een doormidden gedeelde bladzijde. In het begin was dat vreselijk moeilijk, want je kunt geen tussenplaatjes meer maken. Toen ik het gevoel kreeg dat ik de kunst min of meer beheerste kon ik het weer loslaten, maar een zekere strengheid blijft.
Zoals gezegd is het aardige van grenzen, dat je iets hebt om tegen te vechten. Veel fantasy-romans zijn oninteressant, omdat alles mogelijk is. De kunst is een alternatieve realiteit te scheppen. Bij Zetari probeer ik dat ook. Mijn opzet is dat eerst ikzelf en daarna de lezer in de loop van de verhalen de samenhang in die wereld ontdekt.

Als jouw geesteskinderen een eigen karakter hebben, is het dan niet moeilijk om na zo'n lange pauze weer door te gaan met Agent 327? Jij hebt verder geleefd terwijl hij in coma lag.

Dat is inderdaad moeilijk. Hij kan best een anachronisme zijn geworden. Dat moeten we dan maar zien. Maar ook van Agent 327 weet ik veel dingen die de lezer niet weet. Ik heb een arsenaal aan gegevens, waarmee ik een verhaal zou kunnen maken. Ik loop al twintig jaar rond met een idee over zijn vader en de Tsarenfamilie. Het wordt echter steeds onmogelijker, omdat Agent 327 steeds ouder wordt. Maar als hij uit de tijd is, ben ik in principe ook uit de tijd. Met veel zaken die de hedendaagse jeugd bezig houden heb ik weinig affiniteit, maar ik weet niet of dat voor mijn verhalen nodig is. Een totaal onbegrip bij Agent 327 is misschien wel leuk voor de lezer.

Reserveer je ideeën voor bepaalde karakters?

Ik moet zeggen dat die overweging er weleens is, maar het wijst zich meestal vanzelf. Wat January Jones overkomt, kan Agent 327 niet gebeuren. Er zijn wel een aantal elementen in de verhalen over January Jones die ik bij Agent 327 wil laten terugkeren. Johnny Goodbye beleeft dingen die ook bij Agent 327 zijn terug te vinden. Wu Manchu is bijvoorbeeld een figuur die voorkomt bij zowel Johnny Goodbye als Agent 327. Er zijn raakpunten, zoals er heel theoretisch ook raakpunten zijn tussen de wereld van Agent 327 en de wereld van Storm. De uiteindelijke logika is voor mij onontkoombaar, al betekent dat niet dat ik het ook altijd zo weet uit te werken. Maar het is fantastisch als het wel lukt. In het verhaal van January Jones over de schatten van koning Salomo zitten een aantal mechanismen die ik pas halverwege het schrijven ontdekte. Het klopte opeeens, alsof een legpuzzel was afgemaakt. In dat verhaal komt ook Dritta Reich voor. Ik had haar eigenlijk bedacht voor Agent 327. Met Eric Heuvel heb ik zitten overleggen hoe ze er uit zag en wat voor een type het was, zodat ik haar ooit in een verhaal over Agent 327 zou kunnen gebruiken. Het is dan wel vijftig jaar later, maar daar vind ik wel een verklaring voor.
Of een verhaal sluitend te maken is, wordt vaak door heel kleine details bepaald. Twee voor Tibet, het tweede verhaal over Bernard Voorzichtig, was praktisch rond. De aantekeningen heb ik per ongeluk laten liggen in een Engelse telefooncel en daarna heb ik het nooit meer kunnen rekonstrueren. Het was een fantastisch verhaal en het klopte als een bus. Ik weet zeker dat het een van mijn beste verhalen was geworden. In de loop der jaren ben ik een aantal elementen kwijt geraakt, gegevens die niet meer terug zijn te vinden. Omdat ik nu een ander mens ben en anders denk, lukt het ook niet meer. Het luistert heel nauw.

Wat bedoel je als je zegt dat een verhaal rond is?

Daarmee bedoel ik dat het mechanisme klopt. Het is duidelijk wat er gaat gebeuren, wie een rol zullen spelen en wat de drijfveren zijn. Daarna moet het verhaal nog worden geschreven, maar in principe zijn alle noodzakelijke gegevens aanwezig.
Ik heb tien jaar lang rondgelopen met het idee voor Dossier Heksenkring. Ik had een boek gelezen over heksen die een kring rond Engeland legden en dat gegeven wilde ik gebruiken. Ik kon echter niet bedenken op welke wijze Agent 327 betrokken zou kunnen worden bij heksen in Engeland. Op een gegeven moment kreeg ik echter de inval om niet Agent 327, maar de bijfiguur Barend te gebruiken. Dat was niet zo'n probleem, want die jongen kon probleemloos met een gitaar naar Londen om daar de folk-clubs af te lopen. Dan kom je vanzelf gekke mensen tegen. Zo'n motivatie zoek ik dan. Er moet een reden zijn waarom de gebeurtenissen in een verhaal plaats vinden.

Wanneer stuur je het scenario naar de tekenaar?

Al in een vroeg stadium. Het enige wat ik dan heb is de motivatie. Als ik de eerste pagina's van Het Pinkerton Draaiboek begin op te sturen, weet ik twee mechanismen; allereerst wat Butch Cassidy en Sundance Kid in Hollywood terecht doet komen en ten tweede wat January Jones erheen voert. Verder weet ik niets, al zitten er wel een paar dingen in mijn hoofd. Ik wil een luchtgevecht laten plaatsvinden en het lijkt me prachtig om Butch en Sundance nog een keer een trein te laten beroven. Ik ben bezig met pagina twintig en nu pas weet ik hoe de slotscène er zal uitzien.

Dat lijkt me een riskante manier van werken. Zo'n lel van een plaat over twee pagina's als in het laatste album van Storm heeft bijvoorbeeld behoorlijke konsekwenties voor de paginaverdeling.

Dat klopt. Toen ik op het idee kwam om dat te doen, moest ik ook flink gaan schuiven. Maar daar kom ik dan ook wel weer uit. Het leek ons beiden wel leuk om te doen. Normaal gesproken ben ik er niet zo voor, maar in dit geval vond ik het schitterend. Toen de pagina's echter in SjoSji verschenen, waren ze de balloons vergeten en opeens sloeg het nergens meer op. Voor de albumuitgave stond ik er daarom op dat de balloons weer geplaatst werden. Prompt liep het weer. In de loop van het verhaal was me duidelijk geworden dat er iets overweldigends nodig was. Als er straks een botsing komt met Pandarve, dan moet er wel iets aan de hand zijn. De inslagen op Jupiter vallen erbij in het niet en dat moet je overbrengen. Oorspronkelijk had ik het verhaal over twee albums gepland. Naarmate we vorderden groeide het uit tot drie albums. Met die lengte moet het minstens over de ondergang van de wereld gaan en dat moet er dus ook uitkomen. Als je er zo'n plaat tussen gooit, moet je ook flink uitpakken.

Als je van één album al niet weet hoe het af zal lopen, dan moet een verhaal met een lengte van drie albums wel helemaal vaag zijn.

Het gaat om de mechanismen. Voor De terugkeer van de rode prins was een mechanisme het duel van Roodhaar en de troonpretendente op het gespannen vel in de vulkaan. Dat was ook een scène die ik al jaren in mijn hoofd had zitten. Voor het lopende verhaal zijn er gebeurtenissen en ontmoetingen die ik al weet, maar veel dingen ontdek ik pas later. Dan kun je niet meer terug. Vaak merk ik dat bepaalde elementen achteraf toch zijn terug te vinden in het begin van het verhaal. Ik heb daar een talent voor.

Hoe vast liggen de karakters van de bijfiguren? Nomad verschijnt aanvankelijk ten tonele als een opvliegerige ijdeltuit, maar blijkt later een verdwaalde prins te zijn. Kun je hem dan nog wel op dezelfde manier gebruiken?

Nomad is een cliché, een man met een verleden zoals ze voorkomen in de avonturenromans van Ryder Haggarth. Hij is een Ulysses waarvan niemand weet dat hij een koninkrijk heeft en een vrouw die op hem wacht. Hij is de enige rode mens in de verhalen van Storm en op een gegeven moment heb ik een verleden voor hem verzonnen. Dan kun je niet aankomen met de zoon van de bakker die de verkeerde tram heeft genomen. Ik vind hem met deze achtergrond juist beter bruikbaar. Hij bezat altijd al een zekere autoriteit, vond ik. Hij bleek minder ijdel en dom te zijn dan ik hem had gedacht. Op basis daarvan ben ik wat gaan proberen en op die manier ontstaat De terugkeer van de rode prins.

Zijn de meeste bijfiguren eigenlijk geen alter ego's van de hoofdpersoon?

Het is vooral een methodiek. Bovendien zijn er in werkelijkheid ook maar weinig mensen die helemaal alleen door het leven gaan. Maar in de werkelijkheid heb je ook zelden zulke ekstreme rolverdelingen.
Ik hoop dat dat bij Storm en zijn makkers ook niet het geval is. Ik claim geen psychologisch uitgediepte karakters te hebben gekreëerd, maar Storm is geen plat personage. Roodhaar is wat meer eendimensionaal en Nomad hangt er wat bij, maar dat is tot op zekere hoogte hun funktie. Toch probeer ik ze ook hun moment in the sun te geven in een verhaal of door een bepaalde situatie waarin ze reageren vanuit een bepaalde achtergrond. Dat geldt voor al mijn bijfiguren.

Maar de wisselwerking tussen Agent 327 en Olga Lawina is heel anders.

In zekere zin is Storm een onwillige held. Hij is in een wereld beland, waarop hij niet was voorbereid. Agent 327 is een man met een taak. Hij wil het vaak te goed doen en daarom gaat het fout. Storm zal eerder geneigd zijn een stapje terug te doen, maar daar is hij weer te sympathiek voor. Als er een oud vrouwtje in elkaar wordt geslagen, zal hij toch helpen. Het gaat hem persoonlijk aan. Olga Lawina doet alles voor zichzelf. Agent 327 heeft de oorlog meegemaakt en heeft nog ouderwetse idealen,

Is de samenwerking met elke tekenaar anders?

Ja, de vorm is zelfs anders. Voor Eric Heuvel maak ik een ruwe indeling van de pagina's en krabbel daar mijn visie op de plaatjes bij. Verder beschrijf ik het niet, maar zet alleen de dialogen ernaast. Voor Dino Attanasio maakte ik wel een schets van de pagina, tekende figuurtjes en maakte een lay-out. Daarnaast beschreef ik het nog een keer vrij uitgebreid en zette de dialogen ernaast. Voor Don Lawrence maak ik een indeling van de pagina omdat de grootte van de plaatjes een indikatie is van de impact die het moet hebben. Soms maak ik een klein schetsje om mijn bedoeling duidelijk te maken, maar bij Don doe ik dat het minst.
Attanasio had er de pest over in dat ik hem zo uitgebreid instrueerde. De eerste keer dat we elkaar spraken, liet hij dat ook merken. Daar was ik wel van onder de indruk en een tijdje heb ik het achterwege gelaten. Langzamerhand is het er toch weer ingeslopen, want mijn bedoelingen kwamen niet goed uit de verf. Ik wil Attanasio niet te kort doen, maar hij heeft zijn beperkingen.
Geen enkele tekenaar haalt datgene uit een verhaal waarvan ik vind dat het er in zit. Alleen verrast de ene tekenaar me meer dan de ander. Eric Heuvel en ik liggen dicht bij elkaar omdat we, ondanks het generatieverschil, dezelfde invloeden hebben ondergaan. Zijn vader is van mijn generatie en is zuiniger op zijn strips geweest dan ik. Eric en ik begrijpen elkaar. Attanasio is een totaal ander mens.
Hij was voor de oorlog al volwassen en zijn carrière is heel anders verlopen dan de mijne. Ook de taal was een barrière. Het betekende dat ik genoegen moest nemen met wat Attanasio ervan maakte. De wisselwerking was nihil.
Don en ik kunnen goed met elkaar praten en daardoor zijn we naar elkaar toegegroeid. Soms heeft hij een totaal andere visie, maar het werkt goed. Don voegt iets toe aan wat ik schrijf. Als ik de tekeningen van Attanasio onder ogen kreeg, bleek er zelden uitgekomen te zijn wat ik er in had gestopt. Daarmee wil ik niet zeggen dat het inferieur was, maar ik weet dat uit de samenwerking met Attanasio mijn bedoelingen het minst naar voren kwamen. Misschien gold dat ook voor de bedoelingen van Attanasio. Ik zou die verhalen graag zelf opnieuw willen tekenen, want er zijn elementen verloren gegaan.
Ik heb voor Attanasio mijn beste verhalen geschreven. Ik geloof niet dat ik ooit een beter verhaal geschreven heb dan Fiddles Paganini. Zo zijn er nog een stuk of zes verhalen. Ze zitten vol humor waar ik om moet lachen en het klopt als een bus. Het zijn perfekte horloges die precies op tijd lopen.

Hoe belangrijk is een scenarist?

Als het goed is, is er een wisselwerking. Het tekenen is zonder het schrijven niet mogelijk. Bij Blueberry kun je dat goed zien. Er was altijd een interessante wisselwerking tussen Charlier en Giraud. Giraud is op een bepaalde manier een enorme zwever en Charlier is een nuchtere ambachtsman. Daar zat een leuk konflikt in.
Een uitzondering daargelaten zijn de beste stripmakers echte stripmakers en geen stripschrijvers of striptekenaars. Tekenen is niet zo belangrijk en schrijven is niet zo belangrijk. Maar als je iets wil mededelen en je gebruikt daarvoor de strip, dan moet je vertellen en komt het schrijven en tekenen vanzelf. Mijn enige pretentie is dat ik pretentieloos ben. In de zeventiger jaren ben ik daar allergisch voor geworden. Naar mijn smaak hebben teveel tekenaars en schrijvers zich aan hun pretenties vertild. In sommige gevallen zelfs op dramatische wijze. Die pretentieuze onzin was eigenlijk maar een scheet in de wind. Juist de stripmakers die gewoon een verhaal vertelden, hadden vaak de meeste impact.

Jef Nieuwenhuis