De vis aan de wand van Guido van Driel

Aan de vooravond van de publicatie van zijn debuutalbum had Guido van Driel een vreemde droom. Zijn strip Vis aan de wand was niet uitgegeven als een op zichzelf staand debuut, maar ging schuil achter het rode kaftje dat we allemaal zo goed kennen van de Standaard Uitgeverij. Tot zijn verbijstering had de auteur het nieuwste deeltje van Sus & Wis in handen, terwijl iedereen om hem heen hem feliciteerde met de eer om in deze reeks te mogen verschijnen.

Waar een vreemde droom toe kan leiden, weet iedere lezer van Vis aan de wand. Voor Van Driel pakte het goed uit: zijn debuutalbum werd overwegend positief ontvangen. Een belofte voor de toekomst, zo was het oordeel over deze nieuwkomer, die dankzij een flinke portie bluf en een meer dan flinke hoeveelheid mazzel in het stripwereldje belandde. Want hoe vaak komt het tegenwoordig nog voor dat je gevraagd wordt om een strip te maken, met de garantie dat wat je maakt uitgegeven zal worden? Menig amateurtekenaar zal moeite hebben om Van Driels verhaal te geloven. Zouden er dan toch andere wegen zijn naar roem, succes en zo meer dan enkel het kronkelige, duistere paadje van publiceren in obscure amateurbladen en signeren aan achteraftafeltjes op kleine stripbeurzen? Van Driels verhaal begint hoopgevend.

Ik ben begonnen zoals iedereen. Tijdens mijn jeugd in Zaandam krijtte ik de stoep vol met Smurfen en tekende ik strips samen met mijn vriend Peter Vlot. In de komkommertijd kregen we voor onze strips zelfs een keer wat aandacht in de regionale pers. Na de middelbare school wilde ik naar de Rietveldacademie, maar daar wezen ze me af, omdat ze vonden dat ik niet intensief genoeg bezig was met tekenen. Achteraf gezien kan ik ze daar niet helemaal ongelijk in geven. Toen ben ik in Amsterdam geschiedenis gaan studeren. Hoewel ik aanvankelijk echt historicus wilde worden, bleef ik tijdens mijn studie toch cartoons maken. Ik heb altijd de drang gehad om als ik wat leuks maakte, dit aan heel veel mensen te laten zien. Ik dacht altijd aan publiceren. Dus ben ik op een gegeven moment met een aantal van mijn cartoons naar het studentenblad Folia gestapt. Toevallig kwam ik daar net op het juiste moment, want ze waren net op zoek naar een nieuwe tekenaar voor hun blad. Daar had ik niet eens op durven hopen; ik wilde eigenlijk alleen maar een paar van mijn cartoons in Folia kwijt.
Nu kon ik er wekelijks een tekening voor leveren. Ik weet nog dat ik erg verbaasd was over hoe goed dat betaalde. Ik kreeg 160 gulden voor één tekening, een aardige aanvulling op de studiebeurs. Gaandeweg mijn studie ontdekte ik dat ik toch niet zo in de wieg gelegd was voor historicus en vroeg ik me steeds meer af waarom ik niet doorging met tekenen. Als ik een paar bladen extra zou hebben, zou ik ervan kunnen leven. Met mijn map n:let tekeningen ging ik toen op stap. Zo kwam ik in 1988 onder andere bij de Volkskrant terecht.

Je hebt toch ook geschilderd?

Na mijn studie kon ik niet meteen leven van mijn illustratiewerk. Toen heb ik hier in Amsterdam een tijdje voor een archief gewerkt en in een boekhandel. Voor de boekenweek van 1990 vroeg de bedrijfsleider van die boekwinkel of ik er misschien wat voor voelde om een schilderijtje te maken voor in de etalage. Ik had nog nooit geschilderd, maar het leek me wel wat om het eens te proberen. Een bekende kunsthandelaar zag toen mijn schilderij in de etalage. Hij was er zo enthousiast over dat hij contact met mij opnam. Eerst vroeg hij me of ik vaak schilderde. Het was mijn eerste schilderij, maar ik blufte: "Ja, ja, ik schilder vaak, dit soort dingen maak ik wel vaker." (grinnikt) Daarop bood hij mij aan om materiaal te leveren voor mijn schilderwerk en dan aan het eind van het jaar te kijken of het iets zou zijn voor een expositie. Ik ben toen als een gek gaan schilderen. En inderdaad verzorgde hij die expositie en kocht hij meteen alles wat ik maakte. Hij had daarvoor een concept bedacht: Fun Art. Ik was de jongen die Fun Art maakte. Het was puur decoratief werk, zoals dit schilderij hier achter mij, met fragmenten van een leuk springend mannetje met een sigaar in zijn mond in een ruimte met een radio en een stoel. Dat vond ik een tijdje heel leuk. Het was ook wel leerzaam; je leerde in no time schilderen. Maar na een tijdje vond ik het vastzitten aan dat ene concept van Fun Art toch wat beperkt. Ik wilde meer in mijn doeken stoppen, een beetje wat ik nu in mijn album heb gedaan, dingen maken die dichter bij mijn eigen beleving staan. Dus brak ik na drie jaar met die kunsthandelaar, ondanks al het geld dat hij in mij had gestoken. Niet lang daarna kwam ik met een reeks ecoline-tekeningen met picknickscènes via Galerie Lambiek terecht bij uitgeverij Oog & Blik. Zij vonden die reeks tekeningen heel leuk, maar vonden het te duur om in kleur uit te geven. Ook hun plannen voor een portfolio met reproducties van mijn leukste schilderijen gingen uiteindelijk niet door. Vooral ook omdat ik niet zo bekend was. Dus zeiden ze: "Probeer eerst maar eens een zwart-witstrip te maken." Dat was natuurlijk de lekkerste stok achter de deur die je je kunt voorstellen. Dan weet je gewoon, als ik het nu afmaak heb ik in ieder geval een boek. Ik wilde natuurlijk zo snel mogelijk beginnen te tekenen, maar ik moest me beheersen. Je moet wel een beetje een verhaal hebben. Daar heb ik toen twee maanden aan gewerkt, alleen maar aan het verhaal. Dat was heel nieuw voor mij en dat vond ik ook wel vrij moeilijk.

Het verhaal van Vis aan de wand is nogal curieus. Neem nou alleen al het beeld van die vis vastgespijkerd aan een wand. Hoe is het ontstaan?

Het eerste dat ik had was die droom aan het begin, waarin Jonas Schroom boven Amsterdam zweeft en zichzelf voor het raam ziet zitten op de schoot van zijn vader. Dat is trouwens een van mijn oudste herinneringen, dat ik 's avonds op schoot bij mijn vader buiten naar de lichtjes kijk. Die droom moest ik in het verhaal verklaard krijgen, daardoor heb ik heel erg de rest van het verhaal laten bepalen. Voor de rest wist ik alleen één ding zeker: dat die jongen hoog in de woontoren van waaruit hij over de stad uitkijkt, door een of andere toevalligheid langs iemand heen in een huiskamer een vis vastgespijkerd aan de wand zou zien. Dat vond ik een fascinerend beeld, een sterke icoon, net als bijvoorbeeld dit schilderij hier aan de muur, met boksende krachtpatsers in een papaverveld. In het verhaal moest ik aangeven hoe die vis aan de wand terecht is gekomen. Waar het beeld zelf vandaan komt, kan ik niet verklaren. Dat moet je ook niet proberen. Als je dat gaat beredeneren, is de kans groot dat je het ontkracht.

Het is niet meer dan een beeld, net als bijvoorbeeld die Supergolfer waarin Jonas Schroom verandert, een figuur die ook op je schilderijen terug is te vinden. Het zijn details die je uitvergroot en uit hun alledaagse context haalt om ze een nieuwe betekenis te geven.

Ja, precies. Dan kun je ook veel eigenzinniger bezig zijn dan steeds maar opnieuw de platgetreden paden te bewandelen. Ik geloof dat details altijd heel belangrijk zijn. Bij een filmverhaal bijvoorbeeld - ik ben een groot filmliefhebber - kan het verhaal in grote lijnen verteld je niets zeggen over de kwaliteit van de film. Het zijn juist de hele kleine details, waardoor iets overtuigt. Bijvoorbeeld de film La notte di San Lorenzo van de gebroeders Taviani: daarin zit een scène met een door de oorlog getraumatiseerde jongen die het dorp van zijn ouders moet verlaten. In die scène wordt duidelijk dat die jongen getraumatiseerd is, doordat hij helemaal panisch wordt wanneer de wind hem een zwarte lap over het hoofd blaast. Dat overtuigt meteen; tevoren hing die lap nog aan een waslijn. In een mindere film zouden ze die jongen gewoon panisch uit zijn ogen hebben laten kijken, of zoiets dergelijks. Maar hier wordt dat duidelijk door een toevalligheid. Dat vind ik prachtig, dat soort details doet een film boven het gemiddelde uitstijgen.
Deze strip bood mij voor het eerst de gelegenheid om wat meer met mijn tekeningen in detail te treden. Bij mijn illustraties ligt dat minder voor de hand, omdat dat lege prenten zijn, altijd dienstbaar aan het artikel waarbij ze geplaatst worden. Daarnaast ontbreekt bij illustratiewerk, dat bijna altijd heel snel af moet, vaak de tijd. Deze strip was dus een mooie gelegenheid om eens te laten zien wat ik allemaal in huis heb.

Met die details breng je in Vis aan de wand het begin van de jaren zestig tot leven. De keuze voor dat tijdperk vond ik opmerkelijk, aangezien je zelf in 1962 bent geboren en die tijd zelf niet bewust hebt meegemaakt.

Ik heb geen nostalgische hang naar de jaren zestig, zoals je misschien denkt. Ik teken gewoon niet eigentijds. Als ik een telefoon teken, dan is dat zo'n ouderwets bakkelieten geval. Dat heb ik ook met auto's en kleding; mijn vormentaal is terug te voeren op alles wat je in de jaren zestig had. Vandaar dat het me logisch leek om het verhaal in de jaren zestig te laten spelen.
Door die keuze voor de jaren zestig vond ik ook dat ik in zwart-wit moest werken. Niet van dat echt harde zwart-wit, maar met heel veel grijsnuances. Dat is het beeld van de jaren zestig, zoals dat in de media naar voren komt. Je ziet het bijvoorbeeld bij het Polygoon Journaal, of op foto's die ik gebruikt heb. Vooral bij de fotoboeken over Amsterdam van Kees Scherer en Ed van der Elsken, waaruit ik een paar foto's letterlijk in Vis aan de wand geciteerd heb. Met de komst van de flower power veranderde dat beeld, dan zie je er kleur inkomen. Dan zien de mensen er opeens heel eigentijds uit. Een verhaal over de jaren zeventig, met mensen met soulpijpen en plateauzolen, kun je je eigenlijk ook alleen maar in kleur voorstellen. Maar het begin van de jaren zestig was nog echt een andere tijd. Bovendien vind ik dat ik niet zo'n goed kleurgevoel heb. Tenminste, dan ben ik echt altijd aan het zoeken. Er zijn mensen die met heel veel zelfvertrouwen meteen kleur aanbrengen. Ik ben altijd aan het klooien, aan het overschilderen. Als ik me iets van tevoren voostel, kan ik wel een lijntekening bedenken, maar het niet in kleur voor me zien. Dat kan ik gewoon niet visualiseren. Ik moet het eerst schilderen voordat ik kan zien dat het niet klopt. (grinnikt)

De achterplaat van Vis aan de wand, een droomscène in kleur, ziet er anders wel mooi uit. En ook je schilderijen zijn in kleur.

Die achterplaat is een schilderij; dat hangt hier achter mijn tekentafel aan de muur. In Vis aan de wand is die droom het enige dat ik me in kleur kan voorstellen. Het lijkt me echt een hele opgave om een hele strip in kleur te maken. Een schilderij is anders, dat is slechts één grote plaat. Mijn eerstvolgende strip zal weer in zwart-wit zijn, misschien hooguit met een steunkleur. Het is een verhaal over een eenzame figuur die een reis boekt naar het huis van zijn jeugd. Eerst is hij nogal ongelukkig, maar op het punt waar ik nu ben - ik heb nu een pagina of tien - voelt hij zich voor het eerst een klein beetje gelukkig. Daar vind ik het wel leuk om iets met kleur te doen, want dan kan kleur een soort gevoel aanduiden. Zo'n spaarzaam kleurgebruik vind ik leuker dan die kleur het hele verhaal lang vol te houden.

Voor wanneer staat die nieuwe strip van je gepland?

Ik hoop dat hij uit is tegen de tijd van de volgende Str!pdagen in Breda. Momenteel werk ik nog aan het verhaal. Het speelt niet in Amsterdam, maar in een soort van niet-bestaande stad, waardoor ik het schematischer en wat karikaturaler kan houden dan Vis aan de wand. Het wordt ook wat minder gelaagd, met minder tijdlussen. In Vis aan de wand vind ik heel wat dingen nog wel wat gekunsteld. Je kunt er wel een beetje aan afzien dat ik niet echt gewend ben om een verhaal te bedenken. Een verhaal bedenken is heel erg moeilijk, vind ik, vooral een eenvoudig, pakkend verhaal. Hoewel ik veel dingen als dagboeken bijhoud, vind ik het schrijven heel moeilijk. Tekenen gaat heel natuurlijk, dat kan ik doen terwijl ik tv kijk. Maar bij het schrijven heb ik al mijn aandacht nodig om een goed lopende zin te maken. Dan moet er echt niemand doorheen kletsen. Ik werk heel vaak zo, dat ik een pagina teken wanneer ik globaal weet welke tekst erbij moet. De definitieve teksten schrijf ik er dan later bij.
Bij het schrijven van Vis aan de wand ben ik geholpen door Peter Vlot en mijn vrouw, Coleta. Met Peter heb ik heel wat dingen uit Vis aan de wand bedacht en Coleta is tekstschrijfster, dus zij wist ook wel aardig wat adviezen te geven. Zo had ik het verhaal bijvoorbeeld eerst in de ik-vorm geschreven, wat het nadeel heeft dat je je heel erg tot één persoon moet beperken. Je kunt daar dan niet van loskomen. En nu ik het in de hij-vorm heb gedaan, kun je hem ook wel eens eventjes verlaten en terug gaan naar een andere lokatie met andere personen. Dat was een suggestie van Coleta.

Heb je nog plannen met het personage Jonas Schroom?

Jawel, Schroom is nu klaar voor het avontuur. We hoeven nu niet meer stil te staan bij al zijn persoonlijke sores. Die Supergolfer waarin Schroom verandert met zijn golfpetje op, dat vind ik wel een krachtig stripfiguur. Ik heb het idee dat hij wel leuk is. Het komt niet zo vaak voor in je bestaan als tekenaar dat je een krachtig stripfiguur kunt bedenken. Misschien dat ik er wel mee doorga, met een verhaal dat zich weer in Amsterdam afspeelt, in dezelfde periode. Maar ik zit nog steeds te dubben of ik nu een nieuw verhaal zal maken met die Supergolfer, of dat ik eerst verder zal gaan met dat andere verhaal.

Hoe zijn de reacties op Vis aan de wand?

Over het algemeen positief, hoewel er wat kritiek is op de gelaagdheid van het verhaal. Het zou te warrig zijn. Terwijl ik dacht dat alle stukjes van de puzzel toch wel zo'n beetje in elkaar vielen. En wat ik heel leuk vond, omdat het me zelf niet was opgevallen, was dat de recensent van het NRC Handelsblad zei dat ik de continuïteit soms wat uit het oog verlies. Dat klopt ook wel. Het komt een aantal keren voor dat voorwerpen zomaar verdwijnen van het ene plaatje op het andere. (grinnikt) Ook wisselt de componist Engelbrecht wat van grootte. Afgezet tegen de verdienste van de strip als geheel, vond die recensent dat alleen maar vertederend. Hij vergaf het me min of meer. Maar ik denk dat je stijl ook wordt bepaald door het onvermogen dat je in je hebt. Een bepaalde onbeholpenheid spreekt me wel aan, zoals je die bijvoorbeeld ook ziet bij de strips van Jaap Vegter, waar de figuren ook niet helemaal kloppen, alsof er een soort afwijking in zit. Als je die onbeholpenheid niet meer terug zou vinden, als alles zo ontzettend professioneel in elkaar zit, vind ik dat het saaier wordt. Dus ik denk dat ik in dat opzicht altijd wel vertederend zal blijven.

Toon Dohmen