De weemoed van André Geerts
Je moet toch een beetje schizofreen zijn voor dit vak

De onlangs verschenen stripbundels Ondankbare Wereld van André Geerts (42) verschillen nogal van zijn kinderstrips. Waar het wereldbeeld in zijn reeks Jojo lieflijk is neergezet in pasteltinten, daar is dat in Ondankbare Wereld eerder hard grijs. „Ja,” zegt Geerts als hij naar het waarom wordt gevraagd. „Je moet een beetje kunnen huilen onder het lachen.”

door Hans van Soest

„Ik heb van mijn vijftiende tot mijn achttiende samen met Frank Pé en Bernard Hislaire op de Academie St. Luc gezeten met als bijvak tekenen. Ik ben niet verder gaan studeren aan St. Luc, omdat ik in die periode mijn eerste tekeningen kon slijten aan het weekblad Robbedoes.”

Nooit je opleiding willen afmaken?
„Ach, je leert vooral door veel te tekenen. Ik doe het al vanaf mijn vroegste jeugd. Op mijn achttiende was ik al zo vastgeroest in mijn tekentechniek, dat ik de klassieke manier van tekenen die op St. Luc wordt bijgebracht niet meer goed in de vingers zou kunnen krijgen. Dat had me te veel moeite en tijd gekost. Bij de klassieke manier pak je de penseel losser vast en houd je hem in bijna horizontale stand. Ik teken verkrampt, met de pen loodrecht op papier. Doordat ik veel met kleine, ronde vormen werk, heb ik me deze manier van tekenen aangeleerd. Een manier die prima is voor humoristische tekenaars als ik.
Bovendien ben ik altijd minder geïnteresseerd geweest in tekentechnische problemen dan in de manier waarop je verhalen vertelt, iets overbrengt. Ik had liever een opleiding voor scenarioschrijver of iets dergelijks gevolgd. Die interesse krijgt ook steeds meer de overhand. Steeds meer houd ik me bezig met de vraag hoe ik een verhaal of anekdote het best kan overbrengen in stripvorm. Dat vind ik ook het leukste van het vak.”

Toch werk je wel eens met een scenarist.
„Ja, met Salma voor Mademoiselle Louise (een kinderstrip die in Frankrijk verschijnt bij uitgeverij Casterman, red.). Maar dat is vooral om niet zo eenzaam te zijn. (lacht) Ik werk mijn hele leven al alleen met mijn ideeën. Soms ben ik wel eens moe van alles wat er door mijn hoofd spookt. Om mezelf te verfrissen en nieuwe creatieve impulsen op te doen, werk ik af en toe samen met iemand anders. Voor Jojo deed ik tot voor kort alles zelf. Bij het nieuwste verhaal heb ik de inkleuring uit handen gegeven om tijd te sparen.”

In hoeverre hebben je jaargenoten Frank en Yslaire je creatief beïnvloed?
„We hebben elkaar alledrie sterk beïnvloed. Yslaire zat in de zelfde klas, Frank een lager. We trokken voortdurend samen op. Yslaire en ik hebben veel samengewerkt, ook al tekende hij in die tijd al in een realistischer stijl die veel op die van de huidige Samber leek. Veel meer dan op die van zijn eerste strip Frommeltje en Viola. Daarvoor dwong hij zich humoristischer te tekenen met meer ronde vormen, om beter in Robbedoes te passen.
We discussieerden voortdurend over hoe een strip gemaakt moest worden. Volgens ons moesten decors abstract worden weergegeven. We vonden ook dat karikaturaal getekende strips niet alleen gebruikt hoefden te worden voor humoristische verhalen, maar ook geschikt waren om er een droevige of poëtische ondertoon in te leggen. Die combinatie van humor, droefnis en tederheid vind je zowel terug in mijn werk als in Franks Ragebol, zeker zijn eerste verhalen, en Yslaires Frommeltje en Viola. We zijn alledrie onze eigen weg gegaan, hebben ons als stripmaker ook op een andere manier ontwikkeld. Maar in die tijd trokken met name Yslaire en ik voortdurend met elkaar op. We hebben meer van elkaar geleerd dan van de leraren. Dat is denk ik ook veel belangrijker. Op die manier ontstaan er door de onderlinge uitwisseling van ideeën tussen generatiegenoten voortdurend vernieuwingen in de strip.
Jonge tekenaars moeten niet geïsoleerd werken. Zeker voor beginnende tekenaars is het heel belangrijk dat ze veel samenwerken met leeftijdsgenoten, of dat nu op een studio of op een tekenopleiding is. Door elkaar te bevruchten met ideeën en inzichten, ontwikkelden we ons als stripmaker. Zo kan er iets nieuws ontstaan. Dat is beter dan alleen nadoen wat tekenaars doen die al langer in het vak zitten. Als je kijkt naar waar de laatste twintig jaar de veranderingen in de strip vandaan komen, dan zie je dat dat steeds binnen dergelijke constructies is ontstaan. Je had de generatie met mensen als Schuiten en Sokal die voor (A Suivre) gingen werken en die elkaar allemaal kenden van St. Luc. Je hebt de groep fantasy‑tekenaars van Delcourt die elkaar allemaal kennen uit Angoulême. Veel nieuwe bladen ontstaan doordat een groep bevriende tekenaars elkaar bevruchten met ideeën, dat is gezond, dat houdt de ontwikkeling gaande.”

Waarin kenmerkte jullie generatie zich?
„Ik weet het niet. We hebben destijds in de humoristische strips die Robbedoes bevolkten personages geïntroduceerd met een persoonlijkheid, figuren die meer waren dan een stereotype. Figuren met meer karakter, die ook andere emoties kende. We hebben de intimiteit in Robbedoes geïntroduceerd. Uiteraard waren Frank, Yslaire en ik daar niet uniek in. In andere bladen deden mensen als Schuiten dat ook, maar ik denk dat ons groepje die betekenis heeft gehad voor de vernieuwing van de traditionele Robbedoes‑stijl.”

Het werk uit Ondankbare Wereld dateert voor een groot gedeelte uit het begin van de jaren tachtig. Sindsdien maak je heel andere dingen.
„Het eerste album is in 1985 alleen uitgegeven in Frankrijk. Ik heb nooit begrepen waarom Dupuis toen niet ook een Nederlandse vertaling op de markt heeft gebracht. In 1986 ben ik opgehouden met deze cartoons. Ik had de indruk dat ik mijn ideeën begon te herhalen, dat ik binnen deze vorm van vertellen door mijn onderwerpen heen was. Ik was in die tijd al begonnen met Jojo, waarmee ik andere kanten uitkon. Maar het is natuurlijk leuk dat beide albums nu ineens zowel in het Frans als in het Nederlands op de markt worden gebracht.”

De humor in Jojo is minder bijtend dan in Ondankbare Wereld.
„Ja en nee. Veel personages uit Jojo, zoals de schooldirecteur, kunnen door hun tragiek zo uit mijn vroegere cartoons zijn weggelopen. In cartoons of gags heb je geen ruimte om personages neer te zetten zoals in een gewone strip. Daarom moet je werken met heel sterke stereotypen. Je moet de anekdote in weinig plaatjes op papier zien te krijgen, waardoor je directer moet vertellen. Door die directheid komen de grappen vanzelf harder of wat gemener over. Er is geen ruimte voor relativeren.
In een langere strip kun je een personage van verschillende kanten laten zien, krijgt hij of zij een karakter. In een cartoon is dat zelfde personage een karikatuur. De strip is wat dat betreft een rijkere vertelvorm.”

Ben je niet bang dat je ideeën voor Jojo, net als voor Ondankbare Wereld, uitgeput raken?
„Nee, Jojo kan ik mijn hele leven blijven tekenen. Bij die cartoons was de bron opgedroogd, ik wist niets meer. Jojo is daarentegen een onuitputtelijke bron van inspiratie. Jojo staat voor mij gelijk aan mijn jeugd en die vond ik veel leuker dan mijn latere leven.”

Maak je daarom zo graag strips over kinderen?
Het is terugverlangen naar de vroegste jeugd, de gelukkigste tijd van iemands leven. Kleine kinderen leven in het nu. Zodra ze ouder worden, gaan ze zichzelf vragen stellen over dat nu en gaan ze reflecteren op wat is en wat geweest is. De ratio verdringt dan langzaam de extase van het moment. Kleine kinderen hebben dat nog niet. Ze denken niet na over of ze gelukkig zijn of niet, ze zijn gewoon boos of blij. Mijn hele leven voelt alsof het van het ene moment in het andere overgaat. Als kleuter had ik die ervaring nog niet. Het ultieme geluk.”

Je klinkt alsof je nu erg ongelukkig bent.
„Ach, ongelukkig...ik ken mijn momenten van geluk. Geluk is geen staat van zijn, het zijn momenten.”

Ondankbare wereld is voor een ouder publiek bedoeld dan Jojo. Maakt dat verschil uit achter de tekentafel?
„Het verzinnen van een verhaal voor een kinderstrip is niet anders dan wanneer je voor een volwassener publiek werkt. Het enige wat verschilt, is de manier van vertellen. Je moet je ideeën begrijpelijk en leesbaar neerzetten voor een kind. De verhaallijnen moeten simpeler zijn, geen ingewikkelde opbouw met veel flash backs. Alles moet passen binnen de herkenbare wereld van een kind. Het voorbeeld van hoe je een goed verhaal voor kinderen kunt maken, zijn Peyo's eerste verhalen van Johan en Pirrewiet. Hij behandelt volwassen onderwerpen, maar vertelt ze op een simpele en begrijpbare manier voor kinderen. Daarnaast zorgt hij ervoor dat het aantrekkelijk getekend is, zodat kinderen het makkelijker lezen.”

Maar er zijn ook onderwerpen die je niet kunt behandelen.
„Waarschijnlijk. Ik kan geen hard geweld of seks in mijn verhalen verwerken, maar daar heb ik ook niet de minste behoefte aan. Behalve die twee onderwerpen kan ik alles behandelen. Iedere emotie, van liefde tot verdriet, alle onderwerpen, van de slinger van Foucault tot levensvraagstukken over God, alles past al in de belevingswereld van een kind. Zelfs een moeilijk onderwerp als het mysterie van het leven kan in een kinderstrip worden behandeld. Niet op een directe manier met veel dialogen, maar het gevoel is over te brengen. Wat dat betreft, zijn er geen beperkingen.”

Ben je zelf een beetje Jojo?
„Niet alleen Jojo, alle figuren in de strip herbergen een gedeelte van mijn karakter: Dik Lowietje, Mamy en bovenal de directeur van de school. Hij is bang en beschermt zichzelf door te vluchten in strikt geordend gedrag. Hij raakt helemaal in de war als de liniaal niet recht op zijn bureau ligt. Alles moet geordend zijn. Ik ben ook zo neurotisch. Violeine, die net als de directeur behoefte heeft aan liefde en aandacht, lijkt ook veel op mij. Zij doet van alles om maar vooral bij de rest te horen. De directeur wil dat ook wel, maar uit angst en onzekerheid slaat hij de deur naar anderen juist dicht, terwijl Violeine die open gooit. Ik ben allebei die personen tegelijk. Wanneer je een nieuw personage verzint, boetseer je die al snel naar een karaktereigenschap van jezelf. Volgens mij geldt dat voor alle stripmakers. Je moet toch een beetje schizofreen zijn voor dit vak.”