"Er zijn gelukkig nog mensen die Fokke en Sukke niet leuk vinden"
Reid, Geleijnse en Van Tol zien geen problemen, alleen kansen

Na vijfenhalf jaar is de grote doorbraak van de exhibitionistische eend en kanarie Fokke en Sukke eindelijk een feit. Ooit begonnen als een grap van drie dispuutsleden, zijn de keiharde cartoons via mond tot mondreclame onder studenten en een populaire internetsite hard op weg een hype te worden. De meest recente stappen op weg naar de felbegeerde eeuwige roem zijn een dagelijks optreden in het NRC-Handelsblad en de nominatie voor de Stripschapspenning. "Vanaf nu kan het eigenlijk alleen nog maar bergafwaarts gaan," relativeert het trio het succes.

John Reid (31), Bastiaan Geleijnse (32) en Jean-Marc Van Tol (32) komen één keer per week bij elkaar om grappen te maken. Dit keer is dit in de eerste klas stationsrestauratie in Amsterdam, waar, in tegenstelling tot de tweede klas, een sjieke kroegsfeer hangt en de bediening nog in kelnerskledij rondloopt. Nog voor we gaan zitten, vraagt Geleijnse zich al af "of er eigenlijk nog iets is gedaan met dat mestoverschotje", en presenteert Van Tol vol trots de anti-racismeposter die net is gedrukt ('Fokke en Sukke verwerken hun koloniale verleden voorbeeldig'). De melige sfeer zit er al direct in. Bij elke opmerking, die ook maar enigszins uitnodigt tot ironische interpretatie, weerklinkt aanstekelijk gegrinnik en gelach, dat de hele avond niet zal verdwijnen.

Kotsende foeten

De drie kennen elkaar uit hun Amsterdamse studententijd en dragen met enige schroom hun corpsballenverleden met zich mee. Tijdens een dispuutsavond van het Letterkundig Dispuutgezelschap Hebe verzonnen ze de voorloper van Fokke en Sukke, de familie-strip Peer van Ruysteren, de jonge baron, die slechts twaalf pagina's duurde. Geleijnse: "Ik had toen net de eerste Familie Doorzon herlezen en ik dacht: 'het moet toch mogelijk zijn om dat naïeve enthousiasme en die lol zelf te maken?" Reid vond de Lullo's van Jiskefet destijds zéér waarheidsgetrouw: "Ik zat toen hikkend en naar adem happend op de bank en probeerde klauwend de kamer uit te komen. Mijn vriendin was van mening dat ik mezelf wel erg leuk moest vinden, want ze zag geen verschil." Ook Van Tol meent dat de Lullo's een correcte weergave van de situatie in een dispuutshuis was, maar hield destijds iets meer afstand: "Omdat ik moest werken om mijn studie te bekostigen, was ik er niet zo vaak. Ik werd "knor" genoemd want ik was meer mezelf. Eén van de gevaarlijke dingen is het groepsgevoel. Met zijn allen over straat lopen brallen en badinerend doen over anderen is erg makkelijk. Ik schaamde me dan echt en zei wel eens dat het niet leuk meer was en we ermee moesten stoppen. Ook al was ik het niet eens met sommige dingen, ik heb toen wel ontzettend veel gelachen. Eén van de leukste dingen is elk jaar net na de ontgroening. Dan wordt er ergens in een klein stadje een restaurant geboekt op naam van het 'letterkundig gezelschap'. In plaats van vijftig keurige cultuurliefhebbers, komen er dan vijftig kotsende foeten met brilletjes binnenstormen. Het eerste wat er gebeurt, is een speech waarin de hele zaak volledig wordt afgezeken waar het personeel bij staat."
Naast de 'schijt-aan-alles-mentaliteit' die ze destijds hebben gecultiveerd en die de meedogenloze humor van Fokke en Sukke kenmerkt, noemen ze vooral de verbale training als belangrijkste invloed. "Tijdens die dispuutstijd moest je af en toe een hele werkdag lang lullen. Je moest voortdurend gevat zijn en maar praten. Daar hebben we nu voordeel van, want taal is iets wat ons bindt". Zowel Van Tol als Geleijnse is neerlandicus en Reid schrijft als rechter bijna de hele dag gerechtelijke stukken. Van Tol: "Ons taalmeesterschap (lachend, omdat deze kwalificatie een citaat is van het Vlaams Bibliografisch Instituut, zoals later blijkt) is misschien onze sterkste kant, maar tegelijkertijd ook onze zwakte. De grappen zijn analytisch en draaien vaak helemaal om een raar woordje of bizarre zinswending. Dat woordje kan de tekening, die soms niet meer om het lijf heeft dan dat Fokke en Sukke er staan, een speciale lading geven. Heel anders dan bijvoorbeeld Benny Hill, die vooral visuele grappen maakt."

Meelopers

Van Tol: "Sommige mensen vinden onze grappen gewoon echt niet leuk. Dat vind ik prima, want ik merk dat er veel mensen zijn die het alleen leuk vinden, omdat het zo populair is. Bij het signeren pik je ze er zo uit. Dat zijn de mensen die heel snel het boekje doorbladeren en dan direct lachen. Fokke en Sukke hebben ook wel iets in zich dat mensen, voor wie het absoluut niet bestemd is, het toch leuk vinden. Dat zijn de meelopers en laten die alsjeblieft Klepzeikers kopen. Misschien ligt het ook wel aan ons publiek, dat vooral uit studenten bestaat." Reid: "Die mensen lezen de grap diagonaal en moeten te snel lachen. 'Neuken en zuigen, dat kàn niet!' hoor je dan. Hoewel het erg goed gaat, ben ik somber over de toekomst. Het enige wat we nog kunnen doen is meer boekjes verkopen, zodat meer mensen het kennen, totdat het iedereen de keel uithangt, zoals met Hein de Kort is gebeurd. Die vind ik trouwens nog steeds erg leuk. Het heeft waarschijnlijk te maken met de statusgevoeligheid van cultuur. Na de eerste show van Youp van het Hek was iedereen enthousiast en werd hij een revelatie genoemd. Als je nu in de zaal om je heen kijkt, zie je ook lachende huisvrouwen. Dan wordt het voor sommige mensen een stuk minder grappig." Van Tol: "Er is iets raars met humor. Als iedereen het leuk vindt, kan men er minder om lachen. Van de andere kant kun je niet zeggen dat iets minder leuk wordt, omdat het populair is. Er zijn gelukkig nog genoeg mensen die Fokke en Sukke niet leuk vinden. Wij willen ook niet iedereen plezieren, want dan krijg je de gladheid van Hollywood-films en als ik ergens een hekel aan heb, is dat het wel."

Geen hobbyisme

Van de drie is Van Tol de enige die altijd al striptekenaar wilde worden. Al vanaf zijn vijftiende publiceerde hij strips in allerlei amateurbladen, studeerde een tijdje aan de kunstacademie in Utrecht en naast Fokke en Sukke werkt hij als stripmaker. Hij is degene die bijna full-time bezig is met Fokke en Sukke, omdat hij al het tekenwerk doet, de zakelijke contacten onderhoudt, de internetsite coördineert, kortom alles doet om de strip aan de man te brengen. Reid en Geleijnse werken respectievelijk als rechter (in opleiding) en als 'communicationsspecialist' bij organisatiebureau McKinsey ("Ik lees allerlei taaie ingenieursrapporten en probeer ze toegankelijk te maken voor gewone lezers"). Eén keer per week komen ze bij elkaar om te brainstormen en zorgt iedereen dat het 'huiswerk' is gemaakt, want er moeten tegenwoordig veel grappen worden geproduceerd. Dat betekent dat iedereen ongeveer vijf grappen of opzetjes heeft bedacht, die dan gezamenlijk worden afgemaakt.
Reid en Geleijnse ontkennen met klem dat het voor hen alleen maar een hobby is: "Het is niet vrijblijvend zoals een hobby, omdat je er niet zomaar mee kunt stoppen en je er serieus mee bezig moet blijven." Van Tol: "Ik ben bang dat John en Bastiaan veel meer waren meegegaan met de life-style van hun jaargenoten, als we niet met Fokke en Sukke waren begonnen. Die anderen waren vroeger net als John en Bastiaan bezig met cabaret, maar doen nu helemaal niets meer naast hun werk; ze sporten volgens mij niet eens." Reid: "Precies, en wij hebben zelfs kinderen en dan doen we ook nog eens zoiets leuks ernaast. Met Fokke en Sukke kunnen we onze creatieve en speelse geest uitleven. (lachend) Ik zie geen problemen, alleen kansen." Van Tol: "Fokke en Sukke is voor ons ook een beetje een vlucht. We maken alleen grappen die we zelf leuk vinden en wat anderen daarvan vinden zal ons een rotzorg zijn. Die vrijheid is voor mij een verademing, omdat ik bij opdrachten vaak reacties krijg van 'graag leuker' of 'iets meer Van Straaten'. Daarom is het voor mij nog steeds een beetje een hobby, maar je moet natuurlijk wel presteren."
Van Tol kan er nog steeds niet over uit dat ze elke keer genoeg grappen verzinnen: "Toen we pas begonnen, dacht ik na de derde grap: 'Shit, zouden we er nu nòg één in hetzelfde stramien kunnen verzinnen? Dat kan toch bijna niet?' Nu we elke dag in de krant staan heb ik dat gevoel weer." De inspiratiebron is blijkbaar nog lang niet opgedroogd, maar waar halen ze hun grappen vandaan? Van Tol: "Het probleem is dat ik niet weet waar de grappen vandaan komen. Ik ben wel voortdurend bezig met grappen en denk soms: 'Ik onthoud het wel'. Omdat ik ze dan toch vaak vergeet, schrijf ik ze meestal in mijn kladblok (haalt een blocnote te voorschijn met daarop een tekening en de tekst 'Het geheim van de grap')". Reid: "Naast ons taalmeesterschap zijn we alledrie vrij goed in brainstormen. Soms komen grappen op de meest onverwachte momenten zomaar aanzetten. Zoef! Je hebt dan geen flauw idee waar ze vandaan kwamen, maar ze zijn er gewoon."

Heikele onderwerpen

Eén van de gebieden waar rijkelijk uit wordt geput, is de actualiteit. Voor publicatie in een dagblad is dat een voor de hand liggende bron van inspiratie, maar het trio maakt het zich niet te makkelijk, zoals blijkt als Reid (die rechter werd omdat hij rechtsfilosofie en ethiek zo interessant vond) met een onheilspellend lachje laat weten "iets met Turkije te hebben..." Daar zullen ze toch zeker geen grappen over maken? Van Tol: "Ik vind dat je overal grappen over moet kunnen maken, dus ook de aardbeving in Turkije. Humor moet altijd wegen vinden om vrij te zijn, want er is niets in het leven dat geen goede of een slechte kant heeft. Humor is er om dingen een plaats te geven en om te relativeren. Mensen die dat niet kunnen, daar ben ik bang voor. Dat zijn de mensen die boze brieven insturen. Zoals laatst in de Volkskrant, toen Peter de Wit in Sigmund een grap maakte over pedofilie. (Een man: 'Ik vind het maar niks, dat incest. Ik werd pas geil van mijn dochter toen ze veertien werd.') De ombudsman van de brievenpagina vond dat de redactie het tegen had moeten houden in verband met de moorden op dat meisje." Geleijnse: "Als er een vliegtuig op de Bijlmer stort, heb je binnen vijf minuten al minstens vier grappen gehoord. Dat wil niet zeggen dat mensen een hekel hebben aan Bijlmer-bewoners, of aan mensen in Turkije. Je moet gewoon iets doen met die input."
Kunnen ze zich dan niet voorstellen dat ze mensen kunnen kwetsen met grappen die ten koste van hen gaan? Van Tol: "Dan is er iets anders aan de hand. Degene die zich gekwetst voelt, kan bijvoorbeeld niet omgaan met een kant van zijn persoonlijkheid. Het is niet zozeer de grap, dat is alleen de 'trigger', maar het leed is nog niet verwerkt. Met racisme en andere heikele kwesties is het ook zo, dat mensen het gewoon niet verkeerd moeten gaan uitleggen. Er zijn ook dingen die ik niet zou doen. Grappen over rampen vind ik persoonlijk eigenlijk niet zo leuk, omdat er altijd iets naars aan zit. Geleijnse: "Je krijgt er een beetje een gegeneerd lachje van, maar je moet toch lachen". Van Tol: "Het gevaar is bovendien dat je door de actualiteit die grap leuk vindt, maar dat je later het gevoel krijgt dat je er een betere grap over had kunnen verzinnen."
Reid: "Grappen die sterk leunen op de actualiteit komen vaak niet in de bundel. Zoals de grap over het Liro-archief: 'Fokke en Sukke gaan anti-kraak'. Een kraker had documenten in een kast gevonden, waaruit bleek dat Joodse kostbaarheden tijdens de Tweede Wereldoorlog onder bankiersvrouwen waren uitgedeeld. Op het plaatje zie je dan dat Fokke met een mondvol gouden tanden staat en zegt: 'Kijk eens wat ik vind!' Misschien kwets je mensen daarmee, maar het is geen anti-semitische grap. Het heeft alleen geen eeuwigheidswaarde, want die Liro-affaire heeft drie dagen op de voorpagina gestaan. Nu weet niemand meer waar het over ging." Van Tol: "Sommige actuele grappen kunnen wel in het boekje, maar alleen als ze iets zeggen over het menselijke zijn." Als voorbeeld van die laatste categorie noemt Reid een grap over moordende vaders. "In één maand tijd waren er drie vaders die hun kinderen doodden, omdat ze een scheiding niet konden verwerken. De pers kreeg er toen van langs, omdat ze er iets van hadden gezegd. Je ziet in de grap ('Fokke en Sukke bieden een totaalpakket voor het gehele gebroken gezin aan') de twee in toga en pastoorskleding staan, terwijl ze zeggen: 'Van omgangsregeling...Tot een leuke uitvaart voor de kleintjes'. Dat vind ik een tijdloze grap die wel met actualiteit is verbonden."

Aaneenschakeling van hoogtepunten

Het stramien van Fokke en Sukke is iedere keer hetzelfde. De grap begint met een beschrijvend bovenschrift ('Fokke en Sukke doen zus of zo') die ervoor zorgt dat de helder getekende en vaak absurd-herkenbare situatie een speciale lading krijgt. Aanvankelijk waren er ook paginalange grappen van Fokke en Sukke (welgeteld drie, allen verschenen in Incognito), maar daar werd snel vanaf gestapt. Van Tol: "Het werkte gewoon niet, omdat je de grap uitsmeert over een hele pagina. Ook in de gags van drie plaatjes, die we een keer voor de daklozenkrant Z maakten, werkte het niet echt. Maar toch zijn het ook weer geen echte cartoons". Geleijnse: "In de Groene Amsterdammer stond dat Fokke en Sukke een verhaaltje is, dat op het leukste moment is stilgezet. Het is een aaneenschakeling van hoogtepunten, waarbij je zelf het verhaaltje aanvult."
Reid is het meest trots op het eerste boekje dat ze samenstelden. Toen ze tweeëndertig grappen bij elkaar hadden, bundelden ze dit in een roze boekje en bestookten ze talloze uitgevers en bladen. Zonder succes. Ook de VPRO-gids vond het maar niks, maar toch staan ze daar inmiddels wel in. Reid: "Daar heb ik geen rancune over, maar het is wel een beetje vreemd natuurlijk. Het was ook heel leuk dat Martijn Daalder onlangs toegaf dat hij het nu 'eigenlijk toch wel leuk vindt'. Toen we pas begonnen zei hij dat het 'volslagen kut' was en dat Fokke en Sukke 'geen kloten hadden'. We moesten maar eens naar Gerrit de Jager kijken, die het elke keer weer klaarspeelde om een grap te maken over een hond die niet wilde apporteren." De enige uitgeverij die destijds wel positief reageerde op het roze boekje was De Harmonie. Reid: "Ik ken de fax die we van Jaco de Groot van De Harmonie kregen bijna uit mijn hoofd: 'Vraag je je af waar die leuke Fokke en Sukke uithangen, dan dienen ze zich vanzelf via de post bij je aan. Graag ontmoet ik jullie op de uitgeverij.' Van Tol: 'Tot dan toe hadden we nog maar in twee blaadjes gestaan, waaronder studentenblad Propria Cures. Dat wordt niks, dachten wij toen we daar binnenstapten. Die Jaco de Groot bleef maar verhalen vertellen over W.F. Hermans en hoe ze met auteurs omgingen. Op een gegeven moment vroegen wij: 'Meneer De Groot, wat wilt u eigenlijk van ons?' 'O, weten jullie dat niet? Als ik auteurs uitnodig op de uitgeverij, betekent dat, dat ze uitgegeven zullen worden'. Wij helemaal uitzinnig natuurlijk." Vol respect haalt Van Tol een fax tevoorschijn waarin de auteurs genoemd worden die op de Uitmarkt zullen signeren bij De Harmonie: "De Harmonie is de uitgever van onder andere Kamagurka, Stefan Verwey, Peter van Straaten en daar sta je dan zomaar tussen!"

Contract

Hoewel Fokke en Sukke bij De Harmonie worden uitgegeven, hebben Reid, Geleijnse en Van Tol ervoor gezorgd dat ze de rechten hebben behouden. Van Tol: "De Harmonie heeft een klein deel van de rechten, mede ook omdat ze proberen ons in het buitenland uit te geven. In Vlaanderen is er al meer belangstelling, omdat we in het blad Teek! staan en in Duitsland is er ook veel interesse. Daar kennen ze echt meer dan alleen maar Tiroler humor. Peter van Straaten en Stefan Verwey verkopen daar meer boeken dan in Nederland. Frankrijk zal voorlopig niets worden, omdat ze daar geen strips lezen van niet-Fransen. Engeland waarschijnlijk ook niet, al had ik verwacht dat ze onze humor daar wel leuk zouden vinden."
Reid, Geleijnse en Van Tol zijn zo gespitst op de rechten omdat ze, toen ze nog in Sjosji stonden een contract kregen aangeboden van Big Balloon. Van Tol: "Mijn bewustzijn over rechten van werk ontstond toen ik het twaalf pagina's tellende contract van Big Balloon onder ogen kreeg. Daar moesten we allemaal erg om lachen, omdat je echt àlle rechten moest afstaan." Reid: "Ze eisten zelfs de rechten op werk dat je nog niet voor ze had gemaakt. Ik denk dat het nu niet meer waterdicht is, omdat ze niet aan hun verplichting kunnen voldoen, namelijk publicatie in Sjosji. De tekenaars kunnen er nu waarschijnlijk wel onderuit komen." Van Tol: "Ik kan bijna niet geloven dat mensen als Hanco Kolk, Peter de Wit of Gerrit de Jager echt dat contract hebben getekend. Misschien wilden ze in de jaren tachtig allemaal zo graag, dat ze al lang blij waren met dat contract, of misschien was dat toen een ander contract. Bij ons is juist het bewustzijn ontstaan dat je het beter allemaal zelf in de hand kunt houden."

Lambiek-bijeenkomst

Enige tijd geleden organiseerde Van Tol een bijeenkomst van striptekenaars in de Amsterdamse stripwinkel Lambiek. Ongeveer vijftig tekenaars en een handjevol journalisten kwamen bij elkaar om te overleggen hoe er enige structuur in de ongeorganiseerde verzameling individuen die striptekenaars zijn, zou kunnen worden aangebracht. Van Tol: "Ik vond dat stripmakers te weinig gegroepeerd waren. Iedereen zit op zijn eigen eilandje en moet voortdurend opnieuw het wiel uitvinden over bijvoorbeeld rechten, prijzen, tekentechnieken. Bovendien kunnen opdrachtgevers tekenaars tegenover elkaar uitspelen, zodat ze minder betalen dan eigenlijk hoort. De bijeenkomst was voor mij in ieder geval een succes omdat ik een aantal tips heb gekregen waar ik het afgelopen half jaar veel aan heb gehad. Ik wil mijn werk publiceren en ik wil weten hoe ik dat voor elkaar kan krijgen. Misschien waren er weinig concrete resultaten, maar het heeft wel bijgedragen tot een bewustzijnsverandering en waardering over het werk. Eén van de resultaten van die meeting is een zwarte lijst van opdrachtgevers waarvoor je maar beter niet kunt werken, omdat ze je werk voor een habbekrats willen publiceren. Daarna zijn we nog eens voor de lol bij elkaar gekomen. Dit keer zonder journalisten, omdat de toon van de berichtgeving over de bijeenkomst nogal negatief was."
Van Tol is het niet eens met het gesomber over de stripwereld en zet zich in om het imago van strips te verbeteren. "Het feit dat er nu geen stripblad meer voor de jeugd is, is eigenlijk helemaal niet zo slecht. We moeten nu proberen de kanalen die in de loop der tijd zijn dichtgeslibd weer open te breken. Fokke en Sukke kan door de jeugd worden gelezen, maar is vooral populair bij studenten en dertigers, die anders nauwelijks strips lezen. Bovendien moeten er ook weer strips in de boekhandels terechtkomen, want bij de AKO liggen tegenwoordig alleen nog maar Rooie Oortjes. Ik neem mijn vak als tekenaar serieus en ik wil er ook gewoon van kunnen leven. Het is toch raar dat Fokke en Sukke zo populair zijn en dat het toch zoveel moeite kost om er van te leven? Bovendien snap ik niet dat schrijvers zoveel meer status hebben als striptekenaars. Die zitten de hele dag achter hun computer en mogen in televisie-programma's hun mening geven over maatschappelijke ontwikkelingen. Waarom cartoonisten niet? Ik kan me voorstellen dat Peter de Wit of Gerrit de Jager minstens even interessante dingen te melden hebben als Joost Zwagerman die je bijna overal tegenkomt."

Gerard Zeegers