|
Alan Moore schrijft geschiedenis: Met From Hell verscheen voor het eerst sinds jaren weer een monumentaal stripboek van de Britse schrijver Alan Moore. Een nieuw meesterwerk van het brein achter Watchmen, Een kleine moord en andere moderne klassiekers. Charles Brownstein sprak Moore over de achtergronden van zijn nieuwe boek. Wanneer kreeg het idee voor From Hell voor het eerst vorm? Dat was in 1988, toen ik Watchmen afgesloten had en nadacht over wat
ik daarna wilde doen. Ik wilde in ieder geval niet nog meer pretentieuze
superheldenstrips maken. Er bestaan gewoon betere manieren om politieke
of morele noties voor het voetlicht te brengen dan mannen in strakke
kostuums te stoppen. Allereerst begon ik met Bill Sienckiewicz aan Big Numbers - dat was aanvankelijk bedoeld als de opvolger van Watchmen.
Om verschillende redenen kwam dat niet verder dan twee afleveringen.
Daarnaast had ik plannen voor een roman en was ik geïnteresseerd
geraakt in het idee van het in detail uitwerken van een moord. Ik had
er een paar wat nader bekeken, maar wist absoluut nog niet over welke
moord het zou moeten gaan. De Jack the Ripper-moorden kwamen eerst niet
in aanmerking, omdat ze veel te veel voor de hand lagen. Dat gegeven
leek al volkomen uitgekauwd. Tot aan het einde van 1988 de honderdste
"verjaardag" van de Whitechapel-moorden daar was en er een
overvloed aan materiaal over Jack the Ripper loskwam. Toen begon ik
alsnog interesse te krijgen. Na het lezen van Stephen Knights Jack the
Ripper: The Final Solution zag ik opeens de mogelijkheid voor een totaal
nieuwe invalshoek. Hoe veranderde je globale interesse in de Ripper-moorden in het besluit je er jarenlang intensief in te verdiepen? Toen de keus uiteindelijk was gevallen op de Ripper-zaak, was het de vraag welke vorm het meest geëigend voor een strip zou zijn. De meest logische manier om zo'n documentair onderwerp in stripvorm te behandelen, is bijvoorbeeld met behulp van kaderteksten. Op die manier kun je het verhaal eenvoudig vaart geven en tegelijkertijd alle relevante feiten en details beknopt vermelden. Maar die kaders bieden ook afstand ten opzichte van het verhaal. Het is alsof je een tekstboek leest. Daarom besloot ik uiteindelijk om helemaal geen kaderteksten te gebruiken en het hele verhaal alleen met behulp van beelden en dialogen te vertellen. Op die manier zouden de menselijke nuances van de verschillende betrokken personen het beste tot hun recht komen. Zo leerde je hen als echte mensen kennen door hun woorden en daden, in plaats van als historische representaties die in de kaderteksten ter sprake komen. Dat was een erg belangrijk punt. Eddie Campbell heeft eens opgemerkt dat als we wel kaders hadden gebruikt, we waarschijnlijk na zo'n honderd pagina's klaar waren geweest. Ik vermoed dat hij daarin gelijk heeft. Bovendien geeft deze werkwijze From Hell extra overtuigingskracht. De personages hebben nu een menselijke dimensie. Eddie heeft waarschijnlijk gelijk dat het de strip twee-, driehonderd pagina's dikker heeft gemaakt, maar het is het waard. Hoe raakte Eddie Campbell betrokken bij From Hell? Toen ik besloot om From Hell te schrijven, was het duidelijk dat de keuze wie het zou gaan tekenen een enorm verschil zou maken voor hoe het verhaal zou overkomen. Het onderwerp heeft absoluut enkele verontrustende morele kanten. Zoals bij elke dramatisering van de Ripper-moorden profiteer je tot op zekere hoogte van een aantal bijzonder onprettige gebeurtenissen. Het is een dunne lijn. Ik wilde het gegeven in ieder geval niet op dezelfde manier exploiteren als de meeste horrorauteurs doen. Voor de meeste mainstream-tekenaars is Jack the Ripper dermate sensationeel materiaal, dat ze toch onwillekeurig het sensationele aspect benadrukken. Een horrortekenaar in de traditie van de EC-comics zou er ongetwijfeld een afschrikwekkend, Wes Craven-achtig horrorpersonage van gemaakt hebben. Het Britse striptijdschrift Action, een van de voorlopers van 2000 AD, biedt daarvan een mooi voorbeeld. Daarin stonden nogal matige rip-offs van Hollywood-films als Jaws, waarin zo'n killer-haai met de naam Hookjaw voorkwam. Het was getekend door iemand die overduidelijk in de EC-traditie werkte. Als er een los been op het strand gevonden werd, was de stomp duidelijk op de voorgrond te zien, compleet met de open aders en andere misselijkmakende details. Net als in de EC-comics. Om de een of andere reden maakte die tekenaar uit Action op gegeven moment plaats voor iemand anders, die eerder van die typisch Britse meidenstrips had getekend: erg ingetogen, naturalistische verhalen en tekeningen. Hij tekende een afgebeten been op het strand daarom juist vanaf behoorlijke afstand, zonder onnodige gore details. Gewoon een los been op het strand. Op de een of andere manier was dat veel verontrustender. Het was bijna alsof je met de EC-stijl de lezers hintte dat er horror te verwachten was en de lezers zich daarop konden instellen. Net als de muziek bij een Stephen King-film of de bloedspatten op het omslag van een goedkope horrorpaperback. Dan verwacht je niet anders dan in stukken gehakte teenagers, onthoofdingen, en soortgelijk amusement. Met Eddies stijl, zijn naturalisme, wordt het allemaal echter. Dan zit je niet in een horrorfilm, maar in iets dat dicht tegen het dagelijks leven aanzit. Wanneer er dan eens een keer iets gruwelijks gebeurt, gaat dat gelijk veel dieper. Een van de sterkste punten van het boek is de cyclische structuur ervan. Toen ik het boek uithad, herinnerde ik me het Charles Fort-citaat uit het begin: "One measures a circle, beginning anywhere." Het idee van cycli keert vaker terug in het boek. Waarom heb je voor die opzet gekozen? Forts citaat benadrukt dat we beginnen met de moord op vijf personen
in Londen in de late jaren tachtig van de negentiende eeuw. Vanuit dat
gegeven strekken zich draden van betekenis uit tot, om maar wat te noemen
de dionysische architecten van het oude Kreta, die weer uitmonden in
de architectuur van Londen en de geschiedenis van de stad. Dat loopt
op zijn beurt weer over in de verschillende lagen van de samenleving,
die doorlopen tot in de twintigste eeuw. In die zin kan Fort beschouwd
worden als een voorloper van de latere quantumtheoretici met hun vlindertheorieën.
In wezen beweerde Fort al dat er geen vlinder in Hongkong met zijn vleugels
kan slaan zonder dat het op de een of andere manier de rubberprijzen
in Denemarken of de verkoudheid van iemand in Brooklyn beïnvloedt.
Het hele systeem is onderling verbonden en vanuit elk punt kom je uit
op het ongelooflijk fijnvertakte web van relaties dat alles min of meer
omspant. De cyclische structuur van From Hell komt natuurlijk het duidelijkst
tot uiting in de proloog en epiloog die het verhaal inluiden en afsluiten.
Vanaf het begin wilde ik naar dit punt terugkeren, die twee oude kerels
op het strand. Waar je in de proloog nog geen idee hebt waarover ze
spreken, weet je dat aan het einde - wanneer je de rest van het verhaal
kent - maar al te goed. Dan hebben die twee oude mannen en hun gesprekken
opeens veel meer betekenis. Wat denk je dat From Hell uiteindelijk duidelijk maakt over de relatie tussen geschiedenis en fictie? (Grinnikt.) Dat is iets dat me duidelijk werd tijdens het schrijven
eraan, althans iets wat ik ben gaan geloven: er bestaat geen verschil
tussen geschiedenis en fictie. De geschiedenis is zelf een fictie. Ik
denk zelfs dat het gevaarlijk is om te denken dat het meer kan zijn.
Het verleden is voorbij en kan niet worden teruggehaald. We hebben onze
herinneringen eraan, onze verslagen ervan, al deze informatie, maar
dan leggen we die punten een patroon op. Zo ben ik ook te werk gegaan.
Ik ben uitgegaan van de beschikbare informatie en heb een patroon verzonnen
dat het allemaal verklaart en doet lijken alsof het allemaal logisch
op elkaar volgt. Dat heb ik gedaan door fictie te creëren. Zo halverwege
het werk aan From Hell begon ik me af te vragen wat de geschiedschrijving
eigenlijk anders is. Wat doen we anders dan de onweerlegbare feiten
in ogenschouw te nemen en er dan de door ons gekozen patronen in aan
te brengen? Wanneer we ver terug gaan in de tijd, zien we bijvoorbeeld
hele dynastieën van Egyptische koningen. Het is voorgekomen dat
een bepaalde koning werd verward met de bijnaam van een koning van een
dynastie ervoor. History collapses upon itself. Opeens ontdekken we
dat er een hele duistere periode ontbreekt. Dat vermoedden we al, omdat
er een gat in de geschiedschrijving omstreeks enkele eeuwen voor Christus
bestond, maar dan ontdekken we dat onze dateertechnieken fout waren.
Er was helemaal geen gat, we hadden ons alleen vergist. Zo kan een hele
eeuw dus verdwijnen. Het verleden wordt constant herzien. Deed je meer van dergelijke inzichten op tijdens het werk aan From Hell? Inderdaad. Een van de belangrijkste was toen ik een dialoog van William
Gull schreef - in hoofdstuk vier, volgens mij, die rondrit door Londen.
Gull legt daar geduldig uit aan zijn koetsier Netley dat goden nergens
bestaan behalve in de menselijke geest en dat ze dat ook niet hoeven.
Als gestalten in de menselijke geest staan hun werkelijkheidsgehalte
en macht buiten kijf. Gull weidt dan uit in de hem typerende stijl,
met van die hoogdravende onderwerpen. Ik denk dat hij de spijker op
zijn kop slaat wanneer hij zegt: "Gull the doctor says, Why,
to converse with Gods is madness.' And Gull the man replies, Then
who'd be sane?'" Toen ik die dialoog geschreven had, las ik hem
terug en dacht: Jezus, dat is zó waar. (Lacht.) Daar kon ik niet
omheen. Ik schreef het als iets wat geschikt was voor Gull om te zeggen
en wat overeen leek te komen met wat ik begon te zien als zijn filosofie
en opeens realiseerde ik me dat hier een soort betoog over het bestaan
van God of goden stond, dat op een merkwaardige manier rationeel was.
Het was een gedachte die me bijbleef en die een groot verschil heeft
gemaakt zowel voor mijn werk als mijn leven. Het was waarschijnlijk
die gedachte, het schrijven van die pagina - meer dan iets anders -
die me wees in de richting van het occulte, waarin ik me momenteel steeds
verder verdiep. In hoeverre zijn de Whitechapel-moorden een mythische gebeurtenis, en in hoeverre een historische? De Whitechapel-moorden komen in wezen neer op de moord op vijf vrouwen,
in korte tijd, in een erg klein gebied in oost-Londen. Vijf vrouwen
van geen noemenswaardige betekenis die werden gedood door één
of meerdere onbekenden. Einde verhaal, eigenlijk. Dat is de werkelijkheid
ervan. Met Jack the Ripper is iets anders aan de hand. Van de Yorkshire
Ripper, die leek op Jack the Ripper, maakten de media een spectaculaire
boeman. Dat verkocht ongetwijfeld heel wat kranten, net als in de tijd
van Jack the Ripper. Toen hij ontmaskerd werd, bleek hij gewoon een
man te zijn met een warrige baard, een slecht kapsel, en afschuwelijke
jaren-zeventigkleding. Een kleine, onbeduidende man. Bepaald geen Hannibal
Lecter. Hij was duidelijk geen persoon met bovenmenselijke trekjes.
Hij had niets extra's wat wij niet hadden. Daarom denk ik ook dat als
Jack the Ripper ooit gevonden was, we waarschijnlijk hadden ontdekt
dat het een vent was met een triest psychologisch probleem met zijn
moeder. Dat hij uiteindelijk meer medelijden dan minachting verdiende.
Maar dat is niet gebeurd. Door een of andere speling van de geschiedenis
heeft Jack the Ripper aan gevangenneming kunnen ontsnappen, en zodoende
aan elke identificatie. In zekere zin ontsnapte hij uit de geschiedenis
en in de mythologie. Hij stak de grens over. Dat kan maar van weinig
mensen gezegd worden, maar hem is het gelukt. Hoe kijk je tegen jezelf aan nu je From Hell hebt afgerond? Waarschijnlijk ben ik nu een heel wat vreemdere figuur dan acht jaar
geleden. (Grinnikt.) De voornaamste oorzaak daarvan is mijn toegenomen
belangstelling voor het occulte. Dat heeft een heel nieuwe reeks waarnemingen
veroorzaakt. Ik kan nog steeds naar dingen kijken zoals ik vroeger deed,
maar ik heb er nu een paar nieuwe zienswijzen bij. Mijn wereld is groter
geworden, ik voel me een stuk minder naïef. Het is net als met
Watchmen. Toen wilden Dave Gibbons en ik aanvankelijk ook vooral een
goed superheldenboek maken. Het werk veranderde echter onze waarnemingen
- en het eindresultaat zelf. Ik had Dr. Manhattan bedacht, de dingen
door zijn ogen bekeken. Voor From Hell geldt hetzelfde. Ik begon eraan
in de hoop een interessante, gedetailleerde studie van een moord te
maken. Het eindresultaat is een studie van mythe, cultuur en geschiedenis
- heel andere concepten. Nu heb ik de wereld door William Gulls ogen
bekeken. En ook dat levert een andere wereld op. Het is een proces waarvoor
ik erg dankbaar ben. Voor mij is het de echte beloning voor dit soort
werk. Het geld is natuurlijk ook prettig, de kritische aandacht ook,
het schrijven zelf. Maar de magie zit hem in wat het werk met je doet.
Niet dat het altijd even comfortabel is, maar daarin ligt de magie van
fictie. Dat heb ik de afgelopen acht jaar met From Hell weer bijzonder
intens mogen ervaren. Zie ook: From Hell: "Zijn dit de dagen die mijn dood me zal besparen?" |
||