|
Humor
in de verzorgingsstaat "Dag, François. Alles goed?" We horen het meer
dan eens tijdens onze zoektocht naar een rustig café voor het
interview. De hartelijk uitgestoken handen onderstrepen hoezeer François
Boucq is vergroeid met zijn geboortestad Lille. Onlangs verscheen met Moordende levenslust het eerste deel van De avonturen van magere Hein en Lau-Tse. Waarom bent u deze serie begonnen? "De mensen van het tijdschrift (A Suivre) vroegen me om een reeks
humoristische verhalen in zwart-wit. Dat sprak me wel aan, omdat mijn
andere werk in kleur en op groot formaat veel tijd vraagt. Nu kon ik
in een sobere tekenstijl met penseel werken. Dat is de praktische reden. Wat spreekt u er zo in aan? "Vandaag de dag zien we de dood als iets abstracts. Het traditionele
beeld van het skelet met de zeis is een beetje naar de achtergrond verdwenen.
Dat is jammer, want door dat traditionele, allegorische beeld van de
dood letterlijk te nemen, kun je de mensen erom laten lachen. De dood
is zo'n alledaags en onvermijdelijk gegeven, dat hij stof biedt voor
talloze humoristische verhalen. Eigenlijk heeft het me altijd verbaasd
dat niemand eerder op het idee gekomen is magere Hein als stripfiguur
te gebruiken. Wat bedoelt u daar precies mee? Waarom is Fré Vandermugge voor u ook zo'n rijk personage? "Het is een personage dat erg van deze tijd is, erg twingste-eeuws.
Hij gelooft in de realiteit van de twintigste eeuw en tegelijkertijd
in een fantasiewereld. Op elk denkbaar moment van zijn leven kan die
fantasie hem in het avontuur storten. En ik denk dat dat erg eigentijds
is. Dat wil zeggen: we denken dat we in een voorspelbare, goed bekende
werkelijkheid leven en plotsklaps dwingt iets totaal onvoorziens ons
dingen te doen die we nog nooit gedaan hebben. Het is het best te vergelijken
met het gevoel verliefd te worden. Verliefde mensen zijn ook bereid
om alles wat ze hebben op het spel te zetten. Een vreemd fenomeen. Fré
Vandermugge maakt ongeveer hetzelfde mee, niet op amoureus gebied, maar
op het gebied van het alledaagse. Fré Vandermugge, de Bengaalse tijger... "Precies. En dan is hij ook nog verzekeringsagent, dat wil zeggen iemand die probeert alle risico's van het leven uit te bannen. Dat proberen we tegenwoordig allemaal. Iedereen heeft een stapel verzekeringspolissen om zich tegen de risico's van het leven te beschermen. Het is absurd. Je kunt je hele leven zonder ongelukken doorlopen en dan ben je al die tijd voor niets verzekerd. Of je kunt een verzekering afsluiten en meteen sterven. Dan heb je er evenmin iets aan. Fré Vandermugge staat dicht bij mijn leven en dat van iedereen. Hij maakt deel uit van de westerse samenleving, van onze verzorgingsstaat. Hij staat tegenover de gorilla's in de jungle, die enorme risico's nemen zonder enige verzekering." Het vorig jaar verschenen De tanden van de haai, het eerste deel van De avonturen van Fré Vandermugge, werd door een criticus "het magnum opus van het volstrekte absurdisme" genoemd. Is dat een omschrijving waarin u zich kunt vinden? "Voor mij is het niet per se absurd. Het is geen volkomen losgeslagen
album. De tanden van de haai kent wel degelijk een eigen logica, ook
al ligt die niet erg voor de hand. Wanneer je een detective maakt, is
die logica duidelijk: iemand wordt vermoord en iedereen gaat op zoek
naar de dader. Bij De tanden van de haai is die logica minder conventioneel.
Toch roept het verhaal vergelijkbare vragen op. Wat gebeurt er? Waarom?
Hoe komt Fré Vandermugge terug in de realiteit waar hij vandaan
komt? Toch doet De tanden van de haai mij sterk denken aan het absurde theater van Eugène Ionesco. In zijn stuk De kale zangeres lopen de personages bijvoorbeeld net zo verloren rond als in De tanden van de haai. Ze zijn op zich wel herkenbaar als personages, maar hun acties leiden tot niets. "Wat ik van het absurde theater begrepen heb, is dat het systematisch
probeert aan te tonen dat de wereld absurd is. Daar geloof ik niet in.
Ik denk dat de wereld wel degelijk samenhang vertoont, maar dat die
voor ons min of meer verborgen is. Hier achter mij staat bijvoorbeeld
een soort aquarium. Als je er goed naar kijkt is het eigenlijk maar
een gek ding. Het zijn alleen maar glasplaten. Van binnen is het donker,
je ziet niet wat er in zit. Misschien is het wel een bepaald soort televisiescherm
dat we nog nooit eerder hebben gezien. Zo kan deze hele omgeving erg
bizar worden wanneer je er met andere ogen naar kijkt. En toch bestaat
hij, is het dezelfde wereld als toen we dit café binnenkwamen. Pardon? "Ik denk dat het goed is om onze visie op de wereld tussen haakjes te kunnen zetten. Anders zouden we in een ideologische wereld blijven leven. Iets dat ons verrast en ons wereldbeeld doet kantelen, maakt ons ook vaak aan het lachen. Een verrassende definitie van iets alledaags is vaak humoristisch." Hoe komt dat, denkt u? "Doordat ons brein zoekt naar een afgerond wereldbeeld, een totaliteit. De wijze waarop wij functioneren neigt naar het totalitaire, belet ons verder te kijken dan ons eigen wereldbeeld. De rol van de kunstenaar is anderen te tonen, dat de wereld niet alleen is zoals zij die zien. Wat doet een kunstenaar anders, dan te zoeken voorbij de hem bekende vormen? Naar iets dat nog niet is opgenomen in de ideologische definitie van de wereld waarin iedereen leeft? Dat is wat Van Gogh, Rembrandt en anderen hebben gedaan. Zij hebben allen andere dingen laten zien dan de mensen kenden." Waarom noemt u dat een vorm van hygiène? "Omdat we zo de ideologie van ons afspoelen. Op die manier voorkomen we dat we onszelf tevreden stellen met conventionele ideeën. De zoektocht naar andere zienswijzen hoedt ons voor het totalitarisme. En ik denk dat dat een vorm van mentale of zelfs existentiële gezondheid is, waar we altijd naar moeten streven. Als de rol van de kunstenaar bestaat, dan ligt die in zijn bijdrage aan de gezondheid van een samenleving. Een totalitaire samenleving heeft ook geen kunstenaars. Tenminste, geen kunstenaars in de ware zin van het woord, mensen die zich buiten de ideologie bewegen." U heeft ruim twintig jaar van uw leven gebruikt om mensen aan het lachen te maken. Waarom hebben mensen zo sterk de behoefte om te lachen, denkt u? "Lachen is een kortstondig contact met het absolute. Contact met het absolute, omdat het de kleine wereld waarin we leven relativeert. Op het moment dat we beginnen te lachen, worden we ons bewust van de absurditeit van het geloof in die wereld, van de relativiteit van ons wereldbeeld. Ik geloof dat mensen tegelijkertijd lachen om zichzelf, om de wereld waarin ze zijn geboren en om de ander als een weerspiegeling van zichzelf in een absurde situatie. Lachen is een filosofisch trekje, een alledaags middel om je te vernieuwen en je te verbinden met een metafysische dimensie. Uiteindelijk is het natuurlijk slechts een tijdelijk middel." Waar moet u zelf om lachen? "Als ik in de val loop. Wanneer me iets overkomt wat ik helemaal
niet had verwacht. Lachen is dan de enige uitweg. In uw werk schept u niet alleen bizarre, lachwekkende beelden, maar maakt u ook dankbaar gebruik van de tekst om humoristische effecten te bereiken. De kaderteksten aan het begin van De tanden van de haai zijn bijvoorbeeld heerlijk grotesk. "Ik besteed veel tijd aan mijn teksten. Soms zelfs meer tijd dan aan mijn tekeningen. Het is een van de moeilijkste dingen bij het maken van strips. Er zijn maar weinig goede schrijvers in de stripwereld." Aan wie denkt u bijvoorbeeld? "Greg bijvoorbeeld, met Olivier Blunder. Of op een ander vlak Giardino. Milton Caniff maakte ook goede teksten. Hij had een erg goed gevoel voor de personages en hun onderlinge verhoudingen." Wat is dan precies het probleem met het schrijven van teksten voor strips? "Het probleem is de personages samenhang te geven krijgen door middel van teksten. Om erin te slagen de personages zozeer een eigen karakter te geven dat je ze bij wijze van spreken aan hun teksten alleen al kunt herkennen. Tegelijkertijd moeten die teksten ook passen in het verloop van het ene plaatje na het andere. Ze moeten de illusie geven dat het verhaal doorloopt: de een zegt iets, de ander antwoordt, en krijgt daar weer een antwoord op. Bij elk personage moet de strategie duidelijk zijn. Het lijkt een beetje op een duel. Je moet met de woorden de confrontatie en de krachtsverhoudingen tussen de personages aangeven. Dat betekent dat je erg duidelijk moet zijn in je voorstelling van hen. Dat is moeilijk. Bij veel striptekenaars zie je dat ze hun personages te veel door middel van hun uiterlijk definiëren. Scenaristen hebben daarentegen juist de neiging te veel aandacht aan de teksten te besteden en de beelden onvoldoende voor zichzelf te laten spreken. Het gaat erom de juiste middenweg te vinden." Als ik u zo hoor praten over uw teksten, over humor en uw nieuwe personages, valt mij op hoe bedachtzaam u bent. Uw werkwijze lijkt zo gecontroleerd, dat het moeilijk te geloven is dat ik tegenover de man zit die ter afsluiting van zijn bundel Het vernuft van de grijze massa de verzamelde kunstcritici letterlijk in hun eigen troebele theoretische brij laat gaarkoken. "In mijn ogen is het theoretiseren een opstapje naar de ideologie,
waar ik het straks over had. Ik werk dan ook helemaal niet vanuit vooropgezette
ideeën. Een grap verzin ik niet op basis van een theorie over humor.
Dat gaat juist heel spontaan. Het theoretiseren komt pas als het werk
af is, wanneer ik er met anderen over praat, zoals nu. De theorie komt
pas na het experiment. Blueberry 1900 "De Franse stripinformatiebladen zijn veel te gretig," antwoordt
Boucq geamuseerd op de vraag hoe het werk aan Blueberry 1900 vordert.
Het nieuws dat Boucq, op scenario van Giraud, Blueberry als vijftiger
met het moderne Amerika zou confronteren blijkt zichzelf voorbij te
zijn gesneld. Beide stripmakers hebben er wel degelijk samen over gesproken,
maar er staat nog niets op papier. Volgens Boucq is Giraud bang dat
het verhaal te psychedelisch wordt. Wat inderdaad niet geheel denkbeeldig
mag heten, aangezien Blueberry de in narcotisch opzicht ruimdenkende
Hopi-indianen zou aandoen. Neuzen als aardappelen, kinnen als centenbakken, wratten zo groot als
tomaten. De genadeloze karikatuur is een van de pijlers onder Boucqs
humoristische werk. Zodra het onderwerp ter sprake komt, pakt Boucq
zijn tekenpen uit zijn binnenzak en steekt hij gretig van wal. Een mini-college
over de schijn en werkelijkheid van het portret in het kwadraat volgt. |